W.E.N. HART VOL VUUR
World-Evangeisation-Network.
    Recente Tweets
    Abonneren
    Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!
    Laatste reacties

     
    Als Paulus ons in het derde hoofdstuk van de Filip-penzenbrief oproept om zijn navolgers te zijn dan wijst hij ook op "hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt" (vs.17). Dat is dus Gods bedoeling, dat wij behouden worden door het geloof in de Here Jezus en vervolgens "tot erkentenis der waarheid komen" (vgl. 1 Tim.2:3,4). Daardoor leren wij "om de Here waardig te wandelen" en kunnen zodoende ook een voorbeeld zijn voor anderen.

    Dit heeft te maken met geestelijke groei, die niet direct afhankelijk is van onze leeftijd. Ik ken jonge mensen, die zo toegewijd zijn aan de Heer en zodanig opgewassen in de kennis en genade van God, dat zij een voorbeeld zijn voor anderen! Ook Timotheüs werd bemoedigd door zijn geestelijke vader en leer-meester: "Niemand schatte u gering om uw jeugdige leeftijd, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof, en in reinheid" (1 Tim. 4:12).

    Het gaat erom, dat de kennis van Gods Woord ook vertaald wordt in de praktijk van het leven, dat het iets uitwerkt in ons leven, dat ons leven ook inderdaad in overeenstemming is met dat wat we geleerd hebben
    Paulus heeft alle reden om hier op te wijzen, zoals we lezen in vers 18 en 19: "Want velen wandelen - ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende - als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind".

    Het is dus geen overbodige luxe van de apostel om de gelovigen met klem op te roepen zijn navolgers te zijn, want "velen"...! Het zijn niet ´enkelen´, die feitelijk als vijanden van het kruis van Christus wandelen, maar velen! Het kruis bepaalt ons bij de dood van Christus. De gelovigen zijn met Christus gestorven... en opgestaan, opdat zij in "nieuwheid des levens zouden wandelen" (Rom. 6:4). Dat wil zeggen: "niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij" (Gal. 2:20). Niet mijn ik, mijn wil, zit op de troon van mijn leven, maar Christus. In theorie is dat zeker zo, maar is dit ook een dagelijkse realiteit voor ons? Of zijn wij in ons denken (en dus ook in onze wandel) aardsge-zind. Paulus zegt: "Hun einde is het verderf...". Zo'n aardsgezind leven draagt geen enkele vrucht voor de Here God. Alles wat op de akker van het vlees gezaaid wordt, dat verderft (Gal. 6). "Hun God is de buik...": de buik is een type van de oude mens, het stoffelijke, het aardse, e.d. (vgl. Gen. 3:14, Rom. 16:18, Titus 1:12, Openb. 10:9).

    Hun oude mens is dus de autoriteit van hun leven, daardoor laten zij zich regeren. En hoe vroom en religieus zo'n leven ook aangekleed kan zijn, het is eigenlijk een schande voor God! Velen laten zich in de praktijk niet leiden door (het denken van) het Woord, maar door hun eigen gedachten en begeerten. Bijbelstudie vinden ze maar niks, of wordt afgedaan als "te moeilijk". De dingen van de Heer staan niet op de eerste plaats, maar vormen de sluitpost van de agende, etc. Het valt niet altijd direct op, omdat het geheel wordt afgedekt door een vroom sausje! Maar na verloop van tijd prik je er wel doorheen, en voor God is het zonder twijfel openbaar.

    Het zijn best aardige broeders en zusters - daarom zegt Paulus (en wij ook?) het wenende - maar zij beseffen niet, dat ze feitelijk door zo te leven het kruis van Christus verloochenen. In hun denken zijn zij niet gericht op God, maar op zichzelf, met alle gevolgen van dien. En een Gode welgevallige wandel begint met het denken, de gerichtheid op de Heer.

    Wandel

    De ´wandel´ begint in de Bijbel niet bij de voeten, maar bij het denken! In Romeinen 12 lezen wij: "En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene" (vs. 2). Het feit, dat wij anders (leren) denken dan de wereld door het onder-wijs van Gods Woord, heeft als uitwerking, dat wij ons anders gaan gedragen. Dit is de (bijbelse) volgorde!

    In Efeziërs 4 schrijft Paulus: "Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, verduisterd in hun verstand..." (vs. 17 en 18). Ook hier weer wordt de wandel gekoppeld aan het denken.
    Het is zo belangrijk, niet alleen om iets wel of niet te doen, maar ook te weten waarom je iets wel of niet doet. En dat waarom leer je uit Gods Woord. Anders wordt het maar al te gauw een "aangeleerd gebod van mensen".

    Het woord "burgers" (SV "wandel") is de vertaling van het Griekse politeu¬ma, waar ons woord politiek van afkomstig is. Het gaat om het burgerleven en het bestuur ervan. Politiek houdt zich bezig met de inrichting van een samenleving, en hanteert daarbij bepaalde uitgangspunten, normen en waarden. Welnu, onze ´politiek´, onze manier van leven is een hemelse, d.i. gebaseerd op hemelse principes tegen de achtergrond van de hemelse positie, die wij in en met Christus hebben ontvangen. Wij laten ons dus niet leiden door het denken en handelen van deze wereld, maar door Gods Woord. Dat laatste geldt uiteraard voor alle gelovigen in alle tijden. Vandaar dat vele woorden van God op ons (als gelovigen) van toepas-sing zijn, zonder dat ze nu direct over ons handelen.
    Paulus zegt in Filippenzen 2: "Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was..." (vs. 5). Dat is de gezindheid van vernedering en toewijding, over-gave aan (de wil van) God, waarin de liefde van God tot uitdrukking komt. In 1 Johannes 2:6 lezen wij: "Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen, als Hij gewandeld heeft". De Here Jezus heeft ons in dat opzicht een volmaakt voorbeeld nagelaten tijdens Zijn leven op aarde.

    Jakobus schrijft in het 3e hoofdstuk van zijn brief over "de wijsheid".
    De wijsheid die niet van boven komt is aards, ongeeste-lijk, duivels (vs. 15). Vervolgens spreekt hij over de wijsheid van boven (vs. 17) en onderscheidt 7 aspecten:

    1. rein
    2. vreedzaam
    3. vriendelijk
    4. gezeggelijk
    (of: bescheiden)
    5. vol van ontferming en goede vruchten
    6. onpartijdig
    7. ongeveinsd

    Al deze dingen zijn op volmaakte wijze vervuld in de Persoon van Christus, de Wijsheid Gods! Zij vormen lering en onderwijs voor ons als kinderen van God voor de (levens)praktijk van alledag.

    Jakobus gebruikt deze kenmerken van de 'wijsheid van boven' om zijn toehoorders in het juiste spoor te zetten: "Wie is wijs en verstandig onder u? Hij tone uit zijn goede wandel zijn werken met wijze zachtmoedig-heid" (vs. 13). Met andere woorden: in het leven van de wijze en verstandige man (die zijn huis bouwt op de rots) komen deze dingen tot uitdrukking. Zij zijn de uitwerking van een leven, toegewijd aan de Heer.

    Uiteraard is deze lijst niet compleet. Waar deze dingen aanwezig zijn daar openbaart zich het Gode welgevallige leven.
    Een dergelijke opsomming komen wij ook tegen in de brief van Paulus aan de Galaten, waar hij in het 5e hoofdstuk negen kenmerken van de vrucht (enkel-voud!) van de Geest weergeeft (vers 22).

    Ook in de woorden van de Here Jezus, zoals ze in de Evangeliën zijn opgetekend, vinden wij talloze praktische aanwijzingen over de (ge¬loofs)wandel, waarvan er vele op ons van toepassing zijn.

    In de hemel

    Maar, zoals gezegd, ons hemels burgerschap bepaalt ons in de eerste plaats bij de positie die wij in en door Christus ontvangen hebben. God heeft ons gezegend met "allerlei (beter: alle) geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus" (Efe. 1:3). Hoewel wij het (nog) niet zien of voelen, mogen wij weten, dat we in de hemel zijn, in Christus. God heeft ons die plaats gegeven (Efe. 2:6). En in de toekomst zal God de "overweldigende rijkdom Zijner genade" tonen, d.i. zichtbaar maken. Wat nu in het verborgene een realiteit is, dat wordt in de (nabije) toekomst zichtbaar. Wat een dag zal dat zijn!

    Paulus zegt in Kolossenzen 3, vers 3: "Want gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God". Wat een heerlijke zekerheid bieden deze woorden ons. Niemand kan aan dat leven komen. Niemand kan het ons afnemen. Het is in God! En dan volgt de belofte: "Wanneer Christus verschijnt, Die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid" (vs. 4). Daar mogen wij op vertrouwen, want God doet Zijn beloften gestand. Dit is het blij vooruitzicht, dat ons streelt. Daarom reden temeer om toch vooral nu reeds te doen wat Paulus zegt: "...zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn" (vs. 1 en 2). Bezig zijn met de dingen, die boven zijn, is eigenlijk bezig zij met ons ware leven.

    En vanuit die heerlijke levensgemeenschap met God zijn wij op de aarde. Lichamelijk gezien ver van de Here in den vreemde - wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen - geestelijk gezien zijn wij nabij Hem, zelfs in Hem en Hij is in ons. En waarom zijn we dan nog hier in dit lichaam op aarde? Niet om onszelf of de wereld te dienen, maar "om de levende en waar-achtige God te dienen" (1 Tess. 1:9), om Hem te verheerlijken, Wiens eigendom wij zijn (vgl. 1 Kor. 6:1¬9). Die hemelse positie heeft dus z'n uitwerking in een hemelse wandel en wekt grote verwachting voor de toekomst!
    Lees meer...
    Bijbelstudie over
    DE HEBREEËNBRIEF
    HA’IGERET AL-HA’IV’RIM
    Deel 3: Hebreeën 9:3-4, 9:10, 10:2-4, 11:10, 11:16 en 11:17-19

    Dit is reeds deel 3 van deze studiereeks over de Hebreeënbrief. De vorige keer heb ik u laten weten, dat ik regelmatig mailtjes krijg met allerlei vragen over Bijbelse onderwerpen, die ik doorgaans via persoonlijke e-mails beantwoord. Een enkele keer is de inhoud van de vraag alsook mijn reactie daarop echter van dien aard, dat ik naar aanleiding daarvan een hele Bijbelstudie aan dat onderwerp besteed, hetgeen ook hier het geval is. Ik kies normaliter nooit zelf naar eigen goeddunken de onderwerpen voor mijn Bijbelstudies die ik op mijn website plaats, maar ik vraag de Eeuwige om een onderwerp op mijn hart te leggen of om mij een teken te geven welk onder-werp ik moet behandelen. Zo een teken kan dus wel eens ook een mailtje zijn of bepaalde gebeurtenissen die betrekking hebben op Israël. In verband met deze studie gaat het om mailtjes uit Zwitserland, België en Nederland met vragen over ogenschijnlijke tegen-strijdigheden in de Hebreeënbrief. Al gauw werd het mij duidelijk, dat dit de basis zou vormen voor een reeks Bijbelstudies over de Hebreeënbrief, waarin ik ook eerdere vragen van andere mensen en mijn ant-woorden daarop zal verwerken, omdat de Hebreeën-brief bij heel wat mensen toch wel wat vraagtekens oproept. De vorige keer behandelden wij de vragen van Belgische en Nederlandse lezers over Hebreeën 8:8-13. Laten we nu gaan kijken welke andere teksten in de Hebreeënbrief bij onze broeder uit Zwitserland zoveel vragen oproepen. Deze teksten zal ik standaard uit de NBG-vertaling citeren, maar er voor de duidelijkheid ook andere vertalingen naast leggen.

    Hebreeën 9:3-4

    "En achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het heilige der heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds, rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het manna, de staf van Aharon [Aäron], die gebloeid had, en de tafelen des verbonds…"

    "Achter het tweede voorhangsel bevindt zich de tent die het allerheiligste genoemd wordt. Daar staan het vergulde reukofferaltaar en de ark van het verbond, die langs alle zijden met goud overtrokken is en waarin zich de vergulde kruik met het manna, Aärons staf die gebloeid heeft en de platen met de verbondstekst bevinden…" (Nieuwe Bijbelvertaling).

    "Achter het tweede voorhangsel was een tent die het allerheiligste werd genoemd. Daar stonden een gouden reukofferaltaar en de ark van het verbond, geheel met goud overtrokken, waarin zich een gouden vaas met het manna, de staf van Aäron die gebloeid had, en de tafelen van het verbond bevonden." (Willibrordvertaling).

    "Achter het tweede gordijn kwam het gedeelte dat men ‘Het Heiligste’ noemde. Daar bevonden zich het gouden reukofferaltaar en de kist van het verbond, die geheel met goud was overtrokken. In de kist waren de gouden kruik met het manna, de staf van Aäron die gebloeid had, en de stenen platen met de tekst van het verbond." (Groot Nieuws Bijbel).

    Vraag: WAAR stond het reukofferaltaar? Ik kom tot deze vraag omdat ik van mening ben, dat in het allerheiligste zich alleen de ark des verbonds bevond en dat daar niet ook nog het gouden reukofferaltaar stond! In Exodus 30:6a lees ik namelijk: "Zet dit reukofferaltaar voor het gordijn, waarachter de ark van het verbond en het verzoendeksel zich bevinden.“ (Het Boek). Hier staat toch duidelijk dat het altaar vóór en de ark àchter het gordijn stonden. Hoe kann de schrijver van de Hebreeënbrief dan beweren, dat ze zich in dezelfde ruimte bevonden? Ik vraag mij dan ook serieus af, hoeveel deze schrijver echt van de Tora afwist?

    Antwoord: Ik ben ervan overtuigd dat de schrijver van de Hebreeënbrief de Tora door en door kende. Zoals de naam al doet vermoeden was de Hebreeën-brief immers niet gericht aan de Christenen uit de heidenen, maar aan de Hebreeën, Messiasbelijdende Joden, van wie wij uiteraard zonder meer mogen veronderstellen dat zij welbekend waren met de Tora. Iedere tegenstrijdigheid daarmee zou derhalve reeds eeuwenlang door Messiasbelijdende Joden ter sprake gebracht en weerlegd zijn, hetgeen niet het geval is. Juist omdat deze brief aan Joodse lezers gericht was heeft de schrijver ervan rekening gehouden met de leerstellingen en de opvattingen van de rabbijnen, die weliswaar niet letterlijk in de TeNaCH terug te vinden zijn, maar wel in de Talmud en andere rabbijnse geschriften.

    Vraag: De beschrijving van het heiligdom en de inrichting daarvan geeft volgens mij veel uitsluitsel bij de vraag wie deze brief zou hebben geschreven. Hier in de Hebreeënbrief vind ik weliswaar met betrekking tot de beide bovenstaande verzen een hele waslijst van tekstverwijzingen, maar geen enkele daarvan gaf mij een aannemelijk antwoord op de vraag waar de schrijver het idee vandaan gehaald heeft dat het reukofferaltaar en de ark des verbonds allebei in dezelfde ruimte gestaan zouden hebben. De vraag zelf is voor mij niet eens zo belangrijk, maar ik kijk uit naar de commentaren hierover. Het KJNT zegt met betrekking hierop heel vaag, dat de beschrijving van deze locatie geen onderscheid zou maken tussen het heilige en het allerheiligste, en aan deze uitleg kan ik slechts tegenoverstellen dat in vers 3 toch uitdrukkelijk over het tweede gordijn gesproken wordt, en dat zich daarachter het heilige der heiligen bevond. Vervolgens worden in vers 4 als interieur daarvan de gouden reukofferaltaar EN de ark des verbonds genoemd. Als de auteur geen verschil tussen het heilige en het allerheiligste gemaakt zou hebben, dan had hij in deze beschrijving ook de kandelaar en de toonbroden moeten noemen? Hij noemde ze wel in Hebreeën 9:2-4, maar los van elkaar, in twee aparte ruimtes, en maakte daarmee dus wel een onderscheid: “Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd het heilige genoemd; en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het heilige der heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds...” MacDonald legt uit, dat met het reukofferaltaar het verzoendeksel bedoeld zou zijn, de gouden dekplaat van de ark, en dat de hogepriester daar op Yom Kipur de wierook gebrand zou hebben - hetgeen volgens mij niet over-eenkomt met de logica van het reukofferaltaar, of is er daarvoor wel een bewijs?

    Antwoord: De bewering, dat met het reukofferaltaar het gouden verzoendeksel bedoeld zou zijn en dat de hogepriester daar op de Grote Verzoendag de wier-ook gebrand zou hebben, is natuurlijk pure onzin! Dat staat nergens in de TeNaCH en ook geen enkele rabbijn heeft dit ooit beweerd.

    Vraag: Ja, deze tekst is toch wel erg vaag en ik blijf bij mijn veronderstelling, dat de auteur van de Hebreeënbrief schijnbaar niet echt wist, wat de Tora daar precies over zegt, of zie ik dat verkeerd?

    Antwoord: De auteur van de Hebreeënbrief wist heel goed wat de Tora daarover zegt en dat wordt ons ook duidelijk als we vanuit de Griekse grondtekst nauw-keurig gaan kijken wat hij precies schreef. De Nieuwe Bijbel Vertaling alsook de Willibrordvertaling en de Groot Nieuws Bijbel zetten ons namelijk op een dwaalspoor door in vers 3 expliciet te vermelden, dat het reukofferaltaar in het heilige der heiligen stond, terwijl het Griekse woord ecousa echousa [hebbende] slechts wilde aanduiden, dat het allerheiligste welis-waar een reukofferaltaar had, maar niet dat het daar ook daadwerkelijk stond. De Statenvertaling, maar ook de Lutherbijbel en de NBG-vertaling komen wat dat betreft meer overeen met de oorspronkelijke tekst. Met deze vermelding wilde de schrijver waarschijn-lijk aanduiden, dat het reukofferaltaar eigenlijk naar zijn betekenis bij het allerheiligste hoorde, omdat de wolk van het reukwerk ongehinderd door het voorhangsel drong en het verzoendeksel van de ark des verbonds in het heilige der heiligen bereikte. Zo staat het ook in Vayiq’ra [Leviticus] 16:12-13 beschreven: "En hij zal een pan vol gloeiende kolen van het altaar voor het aangezicht van de Eeuwige nemen en zijn handen vullen met fijngestoten welriekend reukwerk en dat alles brengen binnen het voorhangsel. Dan zal hij het reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht van de Eeuwige, zodat de wolk van het reukwerk het verzoendeksel dat op de getuigenis ligt, bedekt, opdat hij niet sterve." (NBG-vertaling). Dat het reukofferaltaar naar zijn betekenis daadwerkelijk tot het heilige der heiligen behoorde alhoewel het niet daar, maar in het heilige stond, wordt overigens bevestigd door M’lachim alef [1 Koningen] 6:22, waar verteld wordt hoe Sh’lomo [Salomo] de hele tempel met goud overtrok. "Zo overtrok hij het hele huis met goud, totdat heel het huis voltooid was. Verder overtrok hij het hele altaar dat bij het binnenste heiligdom hoorde, met goud." (Herziene Statenvertaling). "Ja, het gehele huis overtrok hij met goud, totdat het gehele huis daarmede bedekt was; ook overtrok hij het gehele altaar dat bij de achterzaal behoorde, met goud." (NBG-vertaling). "Heel de tempel liet hij over de gehele oppervlakte met goud bekleden. Ook heel het altaar dat tot de achterzaal behoorde, liet hij met goud bekleden." (Willibrord-vertaling). Achterzaal was een andere naam voor het allerheiligste, waartoe het altaar volgens deze tekst behoorde. In tegenstelling tot de ark van het verbond kon het reukofferaltaar daar echter om praktische redenen niet staan, omdat het heilige der heiligen slechts één keer per jaar door de hogepriester betreden mocht worden. Daardoor werd de toegang tot het binnenste heiligdom tot één enkele dag in het jaar beperkt en om deze reden kon het reukoffer-altaar helemaal niet in het allerheiligste staan, omdat daarop immers elke dag reukwerk op het vuur gelegd moest worden. Van al deze aspecten was de schrijver van de Hebreeënbrief dus zeer zeker op de hoogte bij zijn beschrijving van het heiligdom.

    Hebreeën 9:10

    "…daar zij met hun spijzen en dranken en onder-scheiden wassingen slechts bepalingen voor het vlees zijn, opgelegd tot de tijd van het herstel."

    "Het gaat alleen om voedsel, drank en rituele wassing-en, om bepalingen over uiterlijkheden die slechts gelden tot aan de nieuwe orde." (Nieuwe Bijbelvertaling).

    "Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen des vleses, tot op den tijd der verbetering opgelegd."  (Statenvertaling).

    "Het gaat er om spijzen, dranken en allerlei rituele reinigingen, om uiterlijke voorschriften die slechts gelden tot de tijd dat G’d alles herstelt." (Groot Nieuws Bijbel).

    Vraag: Slechts één verwijzingstekst in de Galaten-brief zou een indicatie kunnen geven van wat er bedoeld wordt met deze "nieuwe orde" - die blijkbaar een betere godsdienst is?! Daar lees ik: "Maar hij staat onder voogdij en toezicht tot op het tijdstip, dat door zijn vader tevoren bepaald was." (Galaten 4:2) Te bedenken is hier, dat het ook weer een Paulus is en bij Galaten 4:2 staat er verder geen tekstverwijzing. Toch heb ik de directe omgeving van deze tekst afgezocht en ik kom tot de conclusie dat wat Galaten 4 ons hier wil zeggen, is dat met Jezus iets beters kwam. Wat ik denk uit de bovenstaande verwijstekst te begrijpen, is ongeveer dit, dat de tijd van de voogden en de toezichthouders vóór de Messias was. In Galaten 4:4 staat dan ook: "Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft G’d Zijn Zoon uitgezond-en…" en de parallele passage in de tekstverwijzing luidt als volgt: "De tijd is vervuld en het Koninkrijk G’ds is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evange-lie!" (Marcus 1:15). Marcus wijst er inderdaad op dat er een tijd moest komen dat met de Messias G’ds koninkrijk nabijgekomen zou zijn - maar dat wil nog niet zeggen dat deze nieuwe tijd een oude moest vervangen. Dat was echter mijn vraag op deze tekst hier in Hebreeën 9:10, waaruit het bewijs zou blijken dat de g’dsdienst naar de inzettingen beperkt zou zijn tot een zekere tijd? Of anders gevraagd: waar is het bewijs dat er een nieuwe orde in de g’dsdienst zou moeten komen die de oude orde zou vervangen? Eerlijk gezegd, zie ik daarvoor geen bewijs...

    Antwoord: De godsdienst had weliswaar naar de in-zettingen geen tijdslimiet, maar wel in G’ds heilsplan door Yeshua haMashiach. Met de verwoesting van de tempel kwam dan definitief een (voorlopig) einde aan het levitische priesterschap. Pas na de toekomstige herbouw van de tempel op initiatief van de Antichrist zal de offerdienst in de tempel tijdelijk worden hervat. Wat de in vers 10 genoemde voorschriften betreft, die slechts waren opgelegd tot de tijd van de verbetering, daar is beslist niet de hele Tora mee bedoeld, zoals sommige theologen ons willen doen geloven, maar slechts de regelgeving met betrekking tot het priester-ambt. Met de in hetzelfde vers genoemde regelgeving met betrekking tot eten en drinken kunnen derhalve ook niet de Bijbelse spijswetten voor alle gelovigen bedoeld zijn, omdat in de spijswetten helemaal over dranken gesproken wordt, maar slechts over het eten van vlees. Nee, de spijswetten blijven ongewijzigd, want als het eten van varkensvlees toen een gruwel in de ogen des Heren is geweest, dan is het dat vandaag de dag ook nog! Wat destijds treife was kan vandaag niet kosher zijn! Nee, met de voorschriften die betrekking hadden tot eten en drinken zijn hier in vers 10 slechts de bijzondere bepalingen voor de nazireeërs (Numeri 6:3) en priesters (Leviticus 10:9) bedoeld. Hetzelfde geldt ook voor de genoemde ceremoniële wassingen, die een priester moest verrichten voordat hij in het heiligdom binnen mocht, hetgeen dus geen betrekking had op o.a. het Mikwe van een bruid voor haar bruiloft.

    Hebreeën 10:2-4

    "Immers, zou anders het offeren daarvan niet opge-houden zijn, doordat degenen, die de dienst verrichten, na eenmaal gereinigd te zijn, generlei besef van zonden meer hadden? Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in gedachtenis gebracht; want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen."

    "Anders zouden die offers allang niet meer gebracht worden; degenen die aan de dienst deelnemen, zouden immers als ze eenmaal gereinigd zijn geen enkel zondebesef meer hebben. Het tegendeel is echter waar: elk jaar worden met dezelfde offers de zonden weer in herinnering geroepen; bloed van stieren en bokken kan mensen onmogelijk van hun zonden bevrijden."  (Nieuwe Bijbelvertaling).

    "Anders zou men met het brengen van offers wel opge-houden zijn. Want de deelnemers aan de offerdienst zouden zich na één keer voorgoed gereinigd weten en vrij van zonden. Maar die offers dienen juist om het volk ieder jaar opnieuw te herinneren aan hun zonden. Want het bloed van stieren en bokken kan onmogelijk zonden wegnemen." (Willibrordvertaling).

    "Anders had men die offerdienst wel gestaakt; de offe-raars zouden zich immers bevrijd weten van schuldge-voel als ze eens en voorgoed gereinigd waren. Maar deze offers moeten juist ieder jaar opnieuw de gedachte aan de zonden levendig houden; het is ook uitgesloten dat het bloed van stieren en bokken zonden zou wegnemen." (Groot Nieuws Bijbel).

    Vraag: Wat mij bij het lezen van vers 3 te binnen schoot was de volgende vraag: Het is mij duidelijk dat de offeraars op de jaarlijkse Verzoendag aan hun zonden herinnerd worden, want dat was uiteraard ook de bedoeling van deze gedenkdag. Maar welke zonden moeten in gedachtenis gebracht worden? Alle zonden die zich in de loop van het jaar hadden opge-hoopt - dat kunnen een heleboel zijn, maar werden daarmee niet ook de zonden van alle voorafgaande jaren in herinnering geroepen? Deze waren hen door het offerritueel en het wegzenden van de zondebok weliswaar vergeven, want daarvoor diende immers dit ritueel, maar desondanks blijf ik met de vraag zitten wat het verschil is tussen vergeven en wegnemen van de zonden.

    Antwoord: Het bijbelse Hebreeuws onderscheidt drie verschillende woorden voor zonde: Pesha [rebellie] is de weigering om G’d en Zijn Woord te erkennen: voor deze zondaar bestaan er geen normen van goed en kwaad. Avon is een kronkel in karakter en gedrag. De meest gebruikte en zwakste term voor zonde is Chet: het niet opzettelijk zondigen. Inzicht in de bovengenoemde aard van de overtreding is de eerste stap naar inkeer en berouw, T’shuva. Wat is dus zonde in de ruimste zin van het woord? Als men doet wat G’d verboden heeft of juist niet doet wat Hij opgedragen heeft te doen, dus met andere woorden: zonde is ongehoorzaamheid tegenover de Eeuwige en Zijn geboden. De bedoeling van het offerritueel op de jaarlijkse Verzoendag was niet alleen het in herinnering brengen van de zonden en het bidden om vergeving daarvoor, maar ook de bewustwording van wat zonde überhaupt is en oprechte spijt dat men zich daaraan schuldig gemaakt heeft. Met het bloed van de stieren en bokken werden de zonden inderdaad in gedachtenis gebracht en ook vergeven, maar niet weggenomen! In die zin klopt het inderdaad wat daar in vers 4 staat.

    Vraag: Vandaag de dag is het toch eigenlijk nog steeds hetzelfde, of het nu de rooms-katholiek is, die met al zijn zonden naar de biechtstoel rent, of de pinksterchristen, die al zijn zonden aan de Here Jezus belijdt. Als hij zijn zonden erkent, dan worden zijn zonden hem uiteraard ook in herinnering gebracht. Hebreeën 10:3 geeft echter op een verwijtende toon aan, dat met de offers een herinnering aan de zonden plaatsgevonden had, maar in de omringende verzen wordt tussen de regels door gesuggereerd, dat er sinds de verzoening door Jezus aan het kruis geen zondebesef meer is, en een herinnering aan die zonden daarom ook niet meer nodig zou zijn. Is dat niet in tegenspraak met elkaar?

    Antwoord: Dat laatste klopt niet. In vers 3 en in de omliggende verzen wordt op geen enkele wijze gesug-gereerd, dat er sinds de verzoening door Yeshua aan het kruis geen zondebesef meer zou zijn. Dat zou in directe tegenspraak zijn met de rest van het Nieuwe Testament. In Yochanan alef [1 Johannes] 1:8-2:2) lezen wij toch heel duidelijk: “Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijd-en, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtig-heid. Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en Zijn woord is in ons niet. Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Yeshua haMas-hiach, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld.” (NBG-vertaling). Het kan nooit de bedoeling zijn geweest van de auteur van de Hebreeënbrief om Yochanan [Johannes] tegen te spreken in zo'n belangrijke zaak. Nee, wat hij duide-lijk wilde maken aan zijn lezers was dat ze zich ervan bewust moesten zijn dat niet het bloed van stieren en bokken, maar alleen het bloed van Yeshua de zonden kan wegnemen, waarvan ook Yochanan haMat’bil [Johannes de Doper] getuigd heeft toen hij zei: "Zie, het Lam G’ds, dat de zonde der wereld wegneemt!"  (Yochanan [Johannes] 1:29).

    Vraag: Dat begrijp ik wel, maar waarvoor eiste G’d dan de offers, als hun bloed de zonden toch niet kon wegnemen (vergeven)?

    Antwoord: Vergeven is niet hetzelfde als wegnemen. Vergeving is de kwijtschelding van straf, waarmee de mogelijkheid wordt geboden tot verbetering en goed-maken. Het verschil tussen beiden komt heel duide-lijk naar voren in de geestelijke betekenis van de beide feesten Pesach en Yom Kipur. Pesach is het feest waarop wij herdenken dat het bloed van ons Pesach-lam Yeshua voor ons de bevrijding uit de slavernij van de zonde gebracht heeft. Pesach bracht ons de vergeving van onze zonden. Yom Kipur daarentegen is het feest waarop wij gedenken dat het bloed van het zondoffer achter het voorhangsel in het Heilige der Heiligen werd gebracht en éénmaal op en zevenmaal vóór de Ark des Verbonds werd gesprenkeld. Dat gebeurde op Yom Kipur, en daarom kan het ook geen toeval zijn, dat het voorhangsel van de heilige arke in de synagoge Kaporet heet, terwijl de Hebreeuwse naam voor het voorhangsel in de tempel Parochet luidde. Het woord voor “verzoening”, Kapara, dat niet minder dan acht en veertig keer voorkomt alleen al in het boek Leviticus, draagt tevens de betekenis van bedekking en bescherming in zich, zoals ook het woord Kiper zowel “verzoenen” alsook “bedekken” betekent. De link tussen verzoening en bedekking vinden wij overigens ook terug in het bekende gezeg-de: “Zand erover!” als men zich met elkaar verzoend heeft. Het bloed van de bok, dat de verzoening voor het volk Israël bracht, bedekte de Ark en het bloed van Yeshua bedekt al onze zonden en heeft voor ons de weg vrij gemaakt om het hemelse heiligdom binnen te mogen gaan! Het bloed van de offerdieren was dus niet zonder reden gevloeid, ook al kon het onze zonden niet wegnemen. Het moest ons duidelijk maken dat vergeving niet mogelijk is zonder bloed en wij moeten ons er goed van bewust zijn dat een onschuldig dier moest lijden en sterven voor onze zonden. Dit gruwelijke feit moest ons daarom afschrikken om te blijven zondigen, wat helaas meestal mislukte. De uiteindelijke bevrijding en verzoening werd derhalve pas met het bloed van het Lam G’ds mogelijk gemaakt.

    Vraag: “Waarmede zal ik de Eeuwige tegemoet treden en mij buigen voor G’d in de hoge? Zal ik Hem tege-moet treden met brandofferen, met eenjarige kalveren? Zal de Eeuwige welgevallen hebben aan duizenden rammen, aan tienduizenden oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn schoot voor de zonde mijner ziel?”  (Micha 6:6-7). Heel oppervlakkig gezien zou hier het offeren met het bloed van dieren niet het gevoel geven dat het de zonden vergeven of ongedaan zou kunnen maken, maar moet ik deze tekst uit Micha 6 dan zien als een bevestiging voor deze gedachte?

    Antwoord: Het offeren met het bloed van dieren kan de zonden inderdaad niet ongedaan maken en dient op de eerste plaats voornamelijk het doel om ons de zonden in herinnering te brengen. Sha’ul [Paulus] schrijft in Romeinen 3:20 dat door de Wet, waartoe ook het offeren van dieren behoort, ons de zonde doet kennen. En in Romeinen 7:7 schrijft hij, dat we zonder de Wet niet eens zouden weten wat zonde is. De Wet en daarmee dus ook het bloed van de offer-dieren kan weliswaar de zonde niet wegnemen en ook niet ongedaan maken, maar het bewerkt in ons geweten wel een sterk verlangen naar vergeving en verzoening met G’d.

    Vraag: Toch lees ik dan in Micha 6 slechts één vers verder, dan krijgt de voorgaande tekst een diepere betekenis: “Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de Eeuwige van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw G’d!” Als ik dit lees, vraag ik mij meteen af: wat wil G’d? Wil Hij, dat wij onze schuld bekennen en spijt betonen? Dat gebeurde immers door het offeren van de dieren. Of wil Hij, dat wij Hem gehoorzamen? Ik denk, dat het ene het andere niet uitsluit. G’d wil zeker allebei, maar op de eerste plaats wil Hij dat wij doen wat Hij van ons vraagt en naar Zijn wil leven. Doen wij dat niet, dan zondigen wij en om van deze schuld af te komen biedt G’d ons de mogelijkheid om berouw te tonen. Welnu, wat ik meen in de Tora daarover gelezen te hebben, was, dat dit berouw betonen in de tijd van Mozes gebeurde door het offeren van dieren. Later, toen de offerplaatsen hebben opgehouden te bestaan, hebben de Joden naar oplossingen voor dit dilemma gezocht en één daarvan was dat zij zelf bepaalde rituelen vergeestelijkt hebben. Dat wil zeggen, dat zij zelf het bloedige dierenoffer hebben omgezet in het geestelijke gebed. (Deze leer wordt onderwezen in het Tora-commentaar van J.H. Hertz).

    Antwoord: Dat klopt helemaal! Zo is het Shacharit [ochtendgebed], Min’cha [middagsgebed] en Ar’vit [avondgebed] in de plaats van de drie dagelijkse offers gekomen, want de profeet Hosea heeft reeds gezegd: “Komt met woorden van schuldbelijdenis, bekeert u tot de Eeuwige, zegt tot Hem: Vergeef de ongerechtigheid geheel en al, en wees genadig; wij bieden als offerstieren de belijdenis onzer lippen.”  (Hoshea [Hosea] 14:3, Masoretische Tekst, NBG-vertaling vers 2).

    Vraag: Wat wil Hebreeën 10 ons hier eigenlijk precies zeggen? Als ik de omringende verzen lees, dan krijg ik de indruk, dat het niet zo zeer om de offers zelf gaat, maar wat men daarmee hoopte te bereiken. Men dacht waarschijnlijk, dat men zich met de offerituelen zelf een vergeving kon bewerken en dat grenst dan toch wel aan de werkgerechtigheid. Maar dan zit ik meteen opnieuw met de vraag: waarom heeft G’d deze offerrituelen opgedragen, als deze de zondaars toch niet van hun schuld konden bevrijden? Daarmee staat dan echter wel het gehele bloedige offerstelsel ter discussie, dat G’d via Mozes geboden heeft...

    Antwoord: De Tora is er heel duidelijk over, dat onze zonden slechts met bloed kunnen worden verzoend: de kleinere zonden met het bloed van offerdieren en de grote zonden met het bloed van de zondaar zelf, want daarop stond namelijk de doodstraf. Deze doodstraf heeft Yeshua echter plaatsvervangend op Zich heeft genomen, en als een offerlam werd Hij geslacht voor onze overtredingen. Daarmee zijn derhalve al onze zonden, de grote en de kleine, verzoend door Zijn bloed.

    Hebreeën 11:10 en 16

    "…want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan G’d de ontwerper en bouwmeester is. - Maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt G’d Zich voor hen niet hun G’d te heten, want Hij had hun een stad bereid."

    "…omdat hij uitzag naar een stad met fundamenten, door G’d zelf ontworpen en gebouwd. - Nee, ze keken reikhalzend uit naar een beter vaderland: het hemelse. Daarom schaamt G’d zich er niet voor hun G’d genoemd te worden en heeft Hij voor hen een stad gereedgemaakt." (Nieuwe Bijbelvertaling).

    "…want hij zag uit naar de stad met fundamenten, waarvan G’d de ontwerper en bouwer is. -Maar hun verlangen ging uit naar een beter vaderland, het hemelse. Daarom schaamt G’d zich niet om hun G’d genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad gebouwd." (Willibrordvertaling).

    "…want hij zag uit naar de stad met de hechte fundamenten, de stad waarvan G’d de ontwerper en de bouwmeester is. - Maar ze verlangden naar een beter vaderland, het hemelse. Daarom schaamt G’d zich niet hun G’d genoemd te worden; voor hen heeft Hij immers een stad gebouwd." (Groot Nieuws Bijbel).

    Vraag: Heeft Abraham daadwerkelijk een stad verwacht, die door G’d zelf gebouwd zou worden of is met deze stad in vers 10 de hemel bedoeld? En zo ja, verwachten dan niet alle gelovigen deze stad?

    Antwoord: Met deze stad is zeer zeker het hemelse Jeruzalem bedoeld, waarover ook gesproken wordt in Galati’im [Galaten] 4:26 alook Chizayon [Openba-ring] 3:12, 21:2 en 22:14. Ook de profeten Jesaja en Zacharia hebben reeds een nieuw Jeruzalem voor-speld, waarvan de omschrijving overeenkomt met die van Openbaring: Yeshayahu [Jesaja] 54:11-13 en Zechar’ya [Zacharia] 2:5-9. Dat de stad, wiens bouw-meester en architect de Eeuwige zelf is, eeuwige grondstenen als hechte fundamenten heeft wijst naar vastigheid, duurzaamheid en veiligheid in tegenstelling tot de tenten die slechts kortstondig gebruikt werden en geen bescherming boden. Natuurlijk is deze stad het doel van alle gelovigen, maar Av’raham [Abraham] was de eerste en hem moeten wij daarin als voorbeeld zien. Daarom wordt hij hier met name genoemd.

    Vraag: Ik heb het hele tekstgedeelte Hebreeën 11:8-16 doorgelezen en wat ik meen daaruit te begrijpen is, dat met deze stad daadwerkelijk de hemel bedoeld is, respectievelijk ons geestelijk en eeuwig thuis bij G’d. Maar is het niet een beetje misleidend hoe hier geloofsgetuigen worden genoemd, die schijnbaar hier op aarde op een beter thuis gehoopt hadden? Uit vers 16 blijkt immers duidelijk, dat dit nieuwe vaderland slechts het hemelse koninkrijk kan zijn. Toch heeft niet alleen Abraham daarna verlangd, maar ook het merendeel van alle gelovigen, of het nu Joden waren of later ook de gelovigen uit de volken?

    Antwoord: Zoals gezegd: Av’raham [Abraham] werd ons in deze verzen ten voorbeeld gesteld dat we in verband met deze verwachting zouden moeten volgen en daarom heeft logischerwijs niet alleen hij naar dit hemelse vaderland verlangd, maar ook alle gelovige Joden en gelovigen uit de volken na hem. Ik vind dit tekstgedeelte dus helemaal niet misleidend.

    Vraag: Maar wat "geloofde" Abraham? Of in de woorden van Het Boek, waarop "vertrouwde" Abraham? Hij vertrouwde op G’d en dat Hij Zijn belofte aan hem en zijn nakomelingen zou vervullen. Dit werd al vervuld met Israël, als natie en als land, maar Abraham vertrouwde op nog meer “ongeloof-waardige” dingen, die G’d hem beloofd had en waarvan hij de vervulling zelfs noch tijdens zijn leven mocht ervaren. Bijvoorbeeld, dat hij als 99-jarige nog vader mocht worden! En dat zijn vrouw, die daarvoor haar hele leven lang als onvruchtbaar bekend stond en nu zelf al 89 jaar oud was, de moeder van deze beloofde zoon mocht worden... Dat is het soort "geloof", of "vertrouwen", dat Abraham toen reeds had en dat met het onze in bijbelse zin zeker vergelijkbaar is – ook wij geloven nu in dingen, die menselijkerwijs onmogelijk, onwaarschijnlijk, en wetenschappelijk gezien zelfs onmogelijk zijn. In de Joodse "Zunz-Hertz"-vertaling vond ik in dit verband een zeer treffende passage, waarin dit geloof heel mooi wordt omschreven: Genesis 15:6 "En hij ver-trouwde op de Eeuwige, en Hij rekende het hem toe als vroomheid." Vertrouwde = Abraham had geen kinderen en toch geloofde hij in G’ds belofte, dat zijn nakomelingen ontelbaar zullen zijn, als de sterren des hemels. Zo was hij bereid, de door G’d bepaalde tijd te verwachten, zonder aan G’ds waarheid te twijfel-en. Dat is namelijk het kenmerk van het ware geloof: vast vertrouwen op G’d ondanks diepe duisternis en alle teleurstelling en ook ondanks het feit, dat alle omstandigheden in de tegenovergestelde richting lijken te wijzen. “Het ware geloof ontdekt dwars door de mist van het heden de zonneschijn van de toekomst en herkent in de akelige strijd van de wereld de sporen van de Eeuwige Geest, die haar een eindeloze harmo-nie tegemoet leidt.” (Kalisch). Hij rekende het hem toe als vroomheid = “Hij rekende zijn vertrouwen toe als ware religie” (Moffat). Als de mens zich vol vertrouwen aan de liefhebbende wil en de wijsheid van G’d overgeeft, dan is dit, als fundament van ware religie, het zekere bewijs van het geloof. Een derge-lijke geestelijke trouw is een geweldige spirituele deugd, die daar, waar onrecht heerst, niet gevonden wordt. De joodse tekst van Leopold Zunz hier, met het commentaar van J.H.Hertz zegt heel mooi, wat het ware geloof is en evenzo vindt zich hier een veel treffender woord voor de "gerechtigheid", zoals vaak in het NT te vinden is. Onder vroomheid kan ik mij wel iets meer voorstellen dan onder gerechtigheid…

    Antwoord: Het bovengenoemde klopt precies en kan ik alleen maar bevestigen. Volgens mij heeft u daar-mee zelf uw eigen vraag uitstekend beantwoord. Ik kan daar niets meer aan toe voegen.

    Hebreeën 11:17-19

    "Door het geloof heeft Av’raham [Abraham], toen hij verzocht werd, Isaak ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren, hij, tot wie gezegd was: Door Yitz’chaq [Isaak] zal men van nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen, dat G’d bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken, en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken teruggekregen."

    "Door zijn geloof kon Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaak als offer opdragen. Hij die de beloften had ontvangen, was bereid zijn enige zoon te offeren. Terwijl er tegen hem gezegd was: ‘Alleen door Isaak zul je nageslacht krijgen,’ zei hij bij zichzelf dat het voor G’d mogelijk moest zijn iemand uit de dood op te wekken, en daarom kreeg hij hem ook terug, bij wijze van voorafbeelding." (Nieuwe Bijbelvertaling).

    "Door het geloof heeft Abraham, toen hij op de proef gesteld werd, Isaak ten offer gebracht. Hij stond op het punt om zijn enige zoon te offeren, en dat terwijl hij de beloften had ontvangen en tegen hem gezegd was: Zij die van Isaak afstammen, zullen gelden als uw nageslacht. Want hij was ervan overtuigd dat G’d zelfs de macht heeft om doden tot leven te wekken; daarom heeft hij zijn zoon ook teruggekregen, bij wijze van voorafbeelding." (Willibrordvertaling).

    "Door zijn geloof heeft Abraham, toen G’d hem op de proef stelde, Isaak als een offer aangeboden. Ondanks de belofte van een nageslacht offerde hij zijn enige zoon. G’d had tegen hem gezegd: Alleen nakomelingen van Isaak zal men als uw nageslacht beschouwen. Maar Abraham overwoog dat G’d de macht bezat Isaak uit de dood op te wekken, en hij heeft hem, bij wijze van spreken, ook uit de dood teruggekregen." (Groot Nieuws Bijbel).

    Vraag: Heeft Abraham echt verwacht, dat G’d Isaak uit de doden zou opwekken, nadat hij hem geofferd zou hebben?

    Antwoord: Daar moeten we wel van uitgaan, want anders zou de auteur van de Hebreeënbrief het zeer zeker niet vermeld hebben.

    Vraag: Ik heb er wel moeite mee, vooral met het feit, dat Abraham gehoor gaf aan G’ds wens, aan Hem zijn enige en geliefde zoon te offeren – over wie hij toch de voorspelling ontving, dat hij eens de drager van de belofte zou zijn? Ja, wat zou op dat moment in Abraham omgegaan zijn? Klom hij met zijn zoon deze berg op, omdat hij ermee gerekend heeft, weer samen met hem levend terug te komen? Dat hij daarin gelooft heeft of het in elk geval gehoopt heeft, blijkt ook uit zijn uitspraak tegenover zijn knechten, dat hij na het offeren met zijn zoon terug zou komen! Hoe ziet u dat?

    Antwoord: Ik ben het helemaal met u eens. Welke andere reden zou Av’raham gehad moeten hebben om tegen zijn knechten te zeggen dat hij samen met de jongen terug zou komen? Hij had hun toch ook net zo goed zonder verdere uitleg gewoon kunnen opdragen om te wachten.

    Vraag: Ik moet eerlijk zeggen dat deze tekst een echte uitdaging voor mij is en ik er veel over heb nagedacht, hoe Abraham zomaar in staat was deze opdracht van G’d uit te voeren? Deze opdracht - of bevel - hield toch in, dat hij aan Hem zijn zoon moest offeren! En toen hij daar lag op de houtstapel, trok hij ook nog het mes om hem daadwerkelijk te doden. Het is duidelijk dat G’d echt het leven van Isaak van hem opeiste. Dat het anders gekomen is, mag gelukkig de opluchting van Abraham beschrijven, toen de engel G’ds hem tegenhield om te slachten. Maar nu terug naar de vraag of Abraham op dat moment al verwacht had, dat G’d zijn zoon weer levend zou maken - valt dit idee uit het bijbelse verhaal daarover op te maken?

    Antwoord: Nee, dit idee blijkt niet letterlijk uit het bijbelse verhaal, maar omdat daar zo vaak op zijn rotsvaste vertrouwen en zijn sterke geloof wordt gewezen is het zonder meer denkbaar, dat Av’raham zijn verwachting dat de Eeuwige in staat is om zelfs doden weer op te wekken steunde op diens zelfge-tuigenis in B’reshit [Genesis] 17:1, waar geschreven staat: “Toen Av’ram negenennegentig jaar oud was, verscheen de Eeuwige aan Av’ram en zeide tot hem: Ik ben G’d, de Almachtige!” (NBG-vertaling). Vanzelfsprekend nam Av’raham dat letterlijk en als de Eeuwige zei dat Hij de Almachtige is, dan is Hij ook daadwerkelijk almachtig! Dit betekent dus dat niets voor Hem onmogelijk is, zelfs niet de opwekking uit de doden! Niemand heeft ooit zo'n groot geloof gehad als Av’raham. Alle andere geloofsgetuigen moesten eerst een bewijs zien van Zijn almacht. Zelfs Moshe, die met G’d van aangezicht tot aangezicht sprak, moest eerst door wondertekens overtuigd worden, maar Av’raham geloofde ook zonder bewijs. Hij geloofde de Eeuwige op Zijn woord!

    Vraag: Als ik in de diverse vertalingen naar de tekst-verwijzingen kijk, wat daar allemaal als bewijs-voering voor deze in het Oude Testament ontbrekende bewering aangedragen wordt, dan vraag ik mij toch wel af, of dat daadwerkelijk ook op Abraham en Isaak van toepassing geweest is? De opgegeven teksten zeggen namelijk “slechts” zoveel, dat G’d de doden “allemaal” weer opnieuw tot leven zal opwekken - maar daaruit valt niet af te leiden, of deze uit de doden opgewekte personen dan ook weer als mensen op aarde zullen wandelen.

    Antwoord: Het kan zijn dat het niet duidelijk uit de opgegeven teksten blijkt dat de overledenen na hun opwekking weer als mensen op aarde wandelden, maar in andere teksten staat dit juist wel heel expliciet vermeld. Ik noem enkele voorbeelden:

    - De zoon van de weduwe in Sarefat (M’lachim alef [1 Koningen] 17:17-24).

    - De zoon van de Sunamietische (M’lachim bet [2 Koningen] 4:18-37).

    - De jongeling te Naïn (Lucas 7:11-17).

    - Het dochtertje van Jaïrus (Lucas 8:49-56).

    - Lazarus (Yochanan [Johannes] 11:17-44)

    - De vele ontslapen heiligen (Matityahu [Mattheüs] 27:52-53

    Zij kwamen allemaal weer tot leven en wandelden na hun opstanding als mensen op aarde. Natuurlijk was dit slechts een tijdelijke opstanding, want daarna zijn ze net als iedereen ook weer gestorven, want pas bij de opstanding tot het eeuwige leven zullen de overled-enen een nieuw, onvergankelijk lichaam ontvangen, niet in de hemel, maar hier op aarde.

    Vraag: Is het niet veelmeer de grote hoop van alle gelovigen, dat met de aardse en fysieke dood niet alles afgelopen is? Deze teksten geven mij de hoop, dat het na de fysieke dood geestelijk doorgaat!

    Antwoord: In eerste instantie wel, dat is waar, want de ziel en de geest verlaten bij het sterven het lichaam, dat dan vervolgens wordt begraven. Bij de Techiat haMetim [de opwekking uit de doden] wordt het lichaam echter weer in een volmaakte, onverganke-lijke staat hersteld en met de ziel en de geest herenigd

    Vraag: Mijn vraag hierboven, of Abraham de weder-opstanding van zijn zoon Isaak verwachtte, die hij in opdracht van G’d moest doden, kan vanuit de aange-haalde teksten niet echt worden beantwoordt, want dat kon hij op dat tijdstip toch allemaal nog niet weten, of wel?

    Antwoord: Av’raham was zeer waarschijnlijk de allereerste, die op de opwekking van zijn zoon rekende. In het huidige Jodendom is het geloof in de opwekking uit de doden echter een vast onderdeel van de liturgie en diep verankerd in de gebeden. Driemaal per dag bidt iedere vrome Jood in de Amida, het Achttiengebed: “U zorgt met liefde voor de levenden, brengt met grote barmhartigheid doden weer tot leven, steunt die vallen, geneest zieken, bevrijdt gevangenen en houdt de belofte van trouw aan hen die in het stof slapen. Wie is als U, Adonai, over de krachten, wie is U gelijk, Koning die laat sterven en weer tot leven brengt en die hulp als een bloem laat opkomen? U bent trouw - aan Uw belofte - doden weer tot leven te brengen. Geprezen zijt Gij, Eeuwige, die de doden weer tot leven brengt!”

    Vraag: Wat ik desondanks toch wil vasthouden is de vraag, wat het geloof - of begrijpelijker het ver-trouwen - op G’ds belofte bij Abraham voor een nut heeft: men moet zich even verplaatsen in de positie van Abraham, toen hij bij zijn geliefde echtgenote Sara de door G’d beloofde zoon krijgt. Korte tijd later stuurde hij op aandringen van Sara zijn eerst-geborene Ismaël weg en hem blijft alleen nog maar Isaak - aan hem hangt nu alle liefde van de honderd-jarige. Nu verschijnt G’d echter aan hem en eist van hem, dat hij uitgerekend deze enige lievelingszoon zou moeten offeren? Nou, G’d eist hier van Abraham wel een mensenoffer, maar dat zijn toch praktijken van de afgodendienaars, en later wordt door Mozes juist dit een gruwel voor G’d genoemd! Abraham geeft weliswaar gehoor aan de opdracht van G’d, gaat met Isaak de berg op, legt hem daar op de brandstapel en trekt zijn slagersmes, om hem te slachten - heeft Abraham op dat moment echt op G’d vertrouwd, dat Hij deze door hem omgebrachte beloftedrager weer zou opwekken? Goede vraag! Wat zeker is, is dat Abraham op G’d vertrouwd heeft, dat door Isaak de belofte in vervulling zou gaan... ook als hij deze nu als offer moest doden. Was het geloof niet zozeer de opstanding uit de doden (want dat kende Abraham op dat tijdstip immers nog niet) maar, dat met Isaak G’ds belofte vervuld zal worden?

    Antwoord: In dit geval is het volgens mij geen “of-of”, maar “en-en”, dus allebei: zowel in de opstanding uit de doden alsook het geloof, dat met Yitz’chaq G’ds belofte vervuld zal worden, want deze twee geloofs-pilaren zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

    Vraag: Toegegeven, het is een niet zo heel duidelijke situatie. Toch is niet juist dit het geloof: dat iets wat menselijk gezien onmogelijk is, toch in vervulling gaat...???

    Antwoord: "Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet!" (Iv’rim [Hebreeën] 11:1, NBG-vertaling). Met andere woorden: "Geloven is zeker zijn van de dingen waar je op hoopt, ervan overtuigd zijn dat wat je niet ziet, toch bestaat!“ (Groot Nieuws Bijbel). Amen!

    Werner Stauder

    Lees meer...
    Bijbelstudie over
    ~NIEUWJAAR - ROSH HASHANA -
    Het feest van de Bazuinen

    Tishri 1, 5772/Maandag 17 september 2012 begint Rosh haShana, vandaar een bijbelstudie over Rosh haShana

    Rosh haShana, het Joodse nieuwjaar, wordt gevierd op de eerste en tweede dag van Tishri (september/-oktober), dat is de zevende maand van het Joodse kalenderjaar. U zult nu misschien denken: “Wie haalt het in zijn hoofd om nieuwjaar in de zevende maand te vieren in plaats van de eerste?” En toch is het eigen-lijk niet zo onlogisch als het lijkt. Sinds de uittocht uit Mitzrayim [Egypte] is ]cyn Nisan (maart/april) de eerste maand omdat onze bevrijding toen plaats vond, zowel wat het eerste Pesach betreft alsook het verzoenende offer van Yeshua. Het Joodse jaar begint dus officieel met de geboortedag van het volk Israël. Maar omdat Tishri ooit de eerste maand was en de Eeuwige volgens de Joodse traditie op 1 Tishri van het jaar 0 met de Schepping is begonnen, beginnen de Joden het jaar ten opzichte van de burgerlijke zaken en die welke op het nut van het aardse leven betrek-king hebben dus met de maand Tishri, maar ten opzichte van de heilige zaken met de maand Rosh haShana is er dus op de eerste plaats om de Schepping te herdenken. Dat was het begin van alles. Het boek Genesis heet daarom in het Hebreeuws ook b'reshit, dat is: in het begin. Genesis 1 is dus b'reshit alef, en als je het omdraait, lees je alef b'tishre, de eerste in de maand Tishri. Deze naam is overigens afkomstig van het Akkadische woord Tishritu het-geen hoe kan het ook anders) “begin” betekent. Het Akkadisch was een Semitische taal, die gesproken werd in het oude Mesopotamië en staat ook bekend als Babylonisch of Assyrisch., Dat Tishri dit inderdaad oorspronkelijk de eerste maand was blijkt ook uit een andere bijbelteksten, want wanneer de Tora in de passage over de uittocht uit Egypte bepaalt dat de maand Nisan voortaan de eerste maand van het jaar zal zijn (Exodus 12:2), dan begrijpt men hieruit, dat het gaat om een verandering van een vroeger bestaande kalender met Tishri als eerste maand. In het boek B'reshit [Genesis] wordt gezegd dat de zondvloed begon op de zeventiende dag van de tweede maand. Volgens de Joodse wijzen was dit de maand Chesh’van omdat dit het normale jaargetijde is voor het begin van de regen, en deze maand, die hier de tweede genoemd wordt, volgt op Tishri, die tegen-woordig weer in voege is als de eerste maand van het Joodse burgerlijk jaar, maar de zevende maand van het Joodse religieuze jaar, zoals ook bij de christenen een verschil is tussen het burgerlijk jaar en het kerkelijk jaar. Een andere reden om juist in de zevende maand te herdenken dat de Almachtige de wereld heeft geschapen is het feit dat zeven een heilig getal is en het Hebreeuwse woord voor het getal zeven, namelijk sheva, tevens “volmaakt” betekent en daarmee aangeeft dat alles wat de Almachtige geschapen heeft goed is. Het Europese getallenstelsel is gebaseerd op het getal tien, maar de Eeuwige rekent in Israël en eigenlijk in de hele heilsgeschied-enis naar het grondgetal zeven. Zo is bijvoorbeeld ook het Hebreeuwse woord Shabat afgeleid van het woord sh’vi’it, hetgeen “de zevende” betekent. Daarin ligt de grondgedachte, dat G’d heilige tijden wil en die ook regelt naar het grondgetal zeven. Vandaar, dat haShem (G’d) niet alleen rustdagen, maar ook rustweken en rustjaren heeft ingesteld. Gelijk de wekelijkse Sabbat volgt op zes dagen van arbeid, zo volgt op zes jaren van arbeid een zevende jaar van rust, het sabbatjaar, in bijzondere zin aan G’d gewijd. De instelling van het sabbatjaar was voor Israël een belofte en voorafschaduwing van de rust, de blijdschap en de zegen, die hun deel zou worden in het komende Duizendjarige Vrederijk. Trouwens niet alleen voor Israël, maar ook voor de gehele wereld. Hier gaat de komst of beter gezegd de wederkomst van de Mashiach [Messias] bij het blazen van de Shofar [ramshoorn] aan vooraf. De komst van de Mashiach, de opstanding der doden en de dag des oordeels zijn de meest centrale onderwerpen van de Rosh haShana-viering. Men herdenkt het begin: de Schepping, en staat stil bij het einde: het oordeel! Maar daarover later meer. Over de instelling van Rosh haShana lezen wij in Bamidbar [Numeri] 29:1 het volgende: “En in de zevende maand, op de eerste dag der maand, zult gij een heilige samenkomst hebben, gij zult generlei slaafse arbeid verrichten, het zal een jubeldag voor u zijn.” G’d heeft deze dag aangewezen ter herinnering aan Zijn schepping van en regering over de wereld en wijst de zevende maand aan zowel voor het Jubeljaar alsook voor het Sabbatjaar. In sjoel [de synagoge] wordt tevens het bekende verhaal voorgelezen over Avraham [Abra-ham], die de opdracht kreeg om zijn zoon Yitzchaq [Isaak] te offeren. Toen hij op het punt stond, dit te doen als daad van gehoorzaamheid, hield de Eeuwige hem op het laatste moment tegen. In plaats van Yitz-chaq werd echter een ram geofferd, een mannetjes-schaap, hetgeen overduidelijk wijst naar Yeshua, die als lam geofferd werd in onze plaats. Om het plaats-vervangende offeren van de ram te herdenken, wordt tijdens de viering van Rosh haShana op de hoorn van een ram geblazen. In het Hebreeuws heet dit rams-hoorn Shofar, maar wordt meestal foutief vertaald met bazuin. Evenals de ramshoorn gedraaid is, zo zegt de traditie, moeten wij als Avraham buigen onder G’ds wil. En Hij, de altijd Genadige, zal ons beschermen omdat Hij weet hoe kwetsbaar wij zijn. De Shofar symboliseert aan het begin van het nieuwe jaar telkens weer, dat onze toekomst op het spel staat. Omdat wij bij het begin van een nieuw jaar in onbe-kend gebied terechtkomen, hebben wij een goede Gids en beschermer nodig, namelijk Yeshua, die gezegd heeft: “Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij!” Veel Joden zijn van mening dat ook op Rosh haShana door het blazen van de Shofarim de muren van Yericho zouden zijn gevallen, maar daarvoor ontbreekt enig nader bewijs. Feit is echter dat het blazen op de Shofar een centrale plaats inneemt bij de viering van dit feest omdat de Eeuwige dit zelf heeft opgedragen: “Spreekt tot de Israëlieten: “In de zevende maand (Tishri), op de eerste der maand, zult gij een rustdag hebben, aangekondigd door shofarge-schal, een heilige samenkomst. Generlei slaafse arbeid zult gij verrichten en gij zult de Eeuwige een vuuroffer brengen.” ( Vayiq’ra [Leviticus] 23:24). Deze dag wordt ook de dag van het shofargeklank genoemd, dat is in het Hebreeuws, Yom Terua, omdat men op die dag op de Shofar blaast om allen te vermanen en G’d dank te zeggen voor Zijn weldaden. Maimonides zegt: “Het blazen van de Shofarim beduidt: Ontwaakt, gij slapende uit de slaap, en waak op gij, die met een diepe slaapzucht bevangen zijt; onderzoek uw daden, keer door boetvaardigheid weer en gedenk uw Schepper.” Rosh haShana geeft ons elk jaar opnieuw de gelegenheid om ons in herinnering te brengen wat we allemaal verkeerd hebben gedaan en berouw betonen aan de Eeuwige, die zich op de dag des oordeels aan al onze daden zal herinneren. Vandaar dat deze dag ook wel Yom haDin [dag van de recht-spraak] wordt genoemd. Maar de meest bekende bijbelse naam voor Rosh haShana is toch wel Chag haShofarim, het Feest van de Bazuinen of beter ge-zegd het Feest van de Ramshoorns. Daarom worden in de viering van Rosh haShana alle belangrijke gebeurtenissen uit de hele geschiedenis van het Joodse volk alsook al de profetieën waarin de bazuin, de Shofar dus, genoemd wordt, in herinnering geroepen.
     
    Wederkomst van Yeshua
    De Shofar klonk bij de verbondssluiting op de Sinaï en zij zal ook eens klinken bij het aanbreken van het Messiaanse rijk. Het doordringende geluid van de Shofar roept op om trouw te zijn aan de Eeuwige en Zijn verordeningen, maar vooral ook om waakzaam te zijn voor de wederkomst van de Mashiach! Met nieuwe maan van de maand Tishri en op plechtige dagen van vasten en berouw, alsook in het jubeljaar gaven onze vaders gehoor aan de tonen van de Shofar. De ramshoorn klonk ook in de strijd, bij gevaar. Moge de Shofar ook ons allen oproepen om te strijd-en tegen de machten der duisternis in de wereld, maar ook in ons hart! Ieder jaar maakt de Eeuwige daarom in de Joodse denkwijze op Rosh haShana de balans op van de levens van alle mensen. Er wordt een oordeel geveld over het afgelopen jaar, maar Hij voltrekt het nog niet. Volgens de Joodse traditie krijgt men dan de gelegenheid om door boetedoening en berouw vergeving van zonden te krijgen. B’rit haChadasha [het Nieuwe Verbond] daarentegen leert ons, dat vergeving van zonden uitsluitend door het offer van Yeshua mogelijk gemaakt is. Desalniettemin is het goed om er toch even bij stil te staan. Op Rosh haShana begint een periode van tien dagen van inkeer en bezinning. Hier ligt de mogelijkheid om alle fouten die ten opzichte van G’d en van de medemens gemaakt zijn, weer goed te maken. De tien dagen van berouw (in het Ivrit Aseret Y’mei T’shua) eindigen met Yom Kipur. Rosh haShana en Yom Kipur worden samen de Yamim haNora’im [de Ontzagwekkende dagen] genoemd. Veel Messiasbelijdende Joden gaan ervan uit, dat de geboorte van Yeshua op Yom Kipur [de Grote Verzoendag] moet hebben plaatsgevonden, want de ware verzoening kwam met de komst van de Mashiach [Messias] en bovendien is het een histo-risch feit, dat Yeshua in de maand Tishri geboren is. Rosh haShana daarentegen vormt een vooruitblik op de Dag des Oordeels, want op deze dag wordt de grote Shofar geblazen. Messiasbelijdende Joden weten, dat dit dezelfde Shofar is, die eens zal klinken wanneer Yeshua haMashiach terugkeert om Zijn Bruid op te halen en met Zijn voeten op de Olijfberg zal staan om Zijn volk Israël te bevrijden. Laat een ieder, die geheiligd is door het bloed van Yeshua, Jood en Griek, klaar staan om gehoor te geven aan de oproep van de laatste Shofar, gelijk geschreven staat: “Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste Shofar, want de Shofar zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden” (Qorintiyim alef [1 Korinthiërs] 15:52). Moge de Shofar op Rosh haShana onze gedachten richten op de dag, wanneer de laatste Shofar zal klinken voor de bevrijding van allen die in Hem geloven: “Want de Eeuwige zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener Shofar G’ds, nederdalen van de hemel, en zij, die in de Mashiach gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk wegge-voerd worden, de Eeuwige tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Eeuwige wezen” (a Tesaloniqim alef [1 Tessalonicenzen] 4:14 tot 17). Laat ons waakzaam zijn, opdat ook wij bij het blazen van de laatste Shofar tot de uitverkorenen mogen horen, want Yeshua haMashiach heeft gezegd: “En dan zal het teken van Ben haAdam [de Zoon des mensen] verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid shofargeschal en zij zullen Zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere.” (Matityahu [Matthéüs] 24:30-31). Yeshua zal met het blazen van de zevende en laatste Shofar uit Openbaring 11:15-19 direct in het wereldge-beuren ingrijpen. Welk een vreugde en gejubel zal het zijn als de Shofar zal klinken en de gehele schare der verlosten zal worden opgenomen, de aankomende Mashiach tegemoet! Wie kan zich dat voorstellen? Het graf zal alle vrijgekochten prijsgeven! Maar dit feest zal ook zijn vervulling vinden in het ontwaken en bijeenvergaderen van dat deel van het volk Israël, waar nu nog de bedekking op ligt. Lang heeft het in een soort doodslaap verkeerd (zie Romeinen 11:8). Het volk Israël was verstrooid over de hele aarde, verdrukt en uitgeplunderd. Maar de profetische geschriften wemelen van enthousiaste beschrijvingen van de gebeurtenis, wanneer de laatste Shofar, de grote Shofar in Tziyon [Sion] geblazen zal worden: het eens verstrooide volk zal zich verzamelen rondom zijn eens verworpen Koning! De Shofar is een symbool van oorlog. Yeshua zal komen in een tijd van wereldomvattende oorlog, die toegespitst zal zijn op Israël, het enige land waarvan de Eeuwige gezegd heeft dat het ZIJN LAND is! En Hij zal komen om de vijanden van Israël te verpletteren en Zijn koning-schap te herstellen! (zie Zacharia 12 tot 14). Zodra het inzamelen van de eerstelingen (de opname van de Gemeente) voltooid is, zal de Eeuwige beginnen de vervallen hut van David weder op te richten (zie Handelingen 15:16) en voor de tweede keer Zijn hand opheffen om het overblijfsel van Zijn volk te verlossen
    Let goed op wanneer dit zal gebeuren: “Die dag zal het gebeuren. Er zal op een grote Shofar worden ge-blazen en die verdwenen zijn in het land Ashur [Assur] en die verbannen zijn naar het land Mitzrayim [Egypte] zullen komen en zich nederbuigen voor de Eeuwige op de heilige berg, in Jeruzalem” (Yeshayahu [Jesaja] 27:13). Dus wanneer zal Israël weer bijeen worden gebracht? Bij het klinken van de grote, de laatste Shofar: bij de wederkomst van de Mashiach, en het blazen van deze laatste Shofar kan sneller plaatsvinden dan wij denken, misschien zelfs met Rosh haShana van het volgende jaar! Wie weet? Herhaaldelijk waarschuwde Yeshua ons om met betrekking tot deze dag waakzaam te zijn!
     
    Viering in huiselijke kring
    In huiselijke kring wordt Rosh haShana zeer bescheiden gevierd. Er is niet zoveel herrie en pret als met Oud en Nieuw in januari. De sfeer van dit nieuwjaarsfeest is ernstiger, maar desalniettemin evengoed erg gezellig. Zo worden er overheerlijke wortelgerechten gegeten zoals bijvoorbeeld “wortel-tzimmesbrood”. Vanwege hun tint symboliseren wortelen namelijk voorspoed en hoop en daarom worden ze geserveerd op het Joodse nieuwjaarsfeest. Wortelen zijn ook met bossen tegelijk verwerkt in een stoofschotel die Tzimmes heet, omdat ze zoet zijn en de naam van het gerecht van het Hebreeuwse woord tzimach is afgeleid, hetgeen ‘laten groeien’ betekent. Daarom is het eten van veel wortelen als bidden voor een overvloedige zegen in het nieuwe jaar en groeien in het geloof. In het Jiddisch betekent “tzimmes machen” een drukte over iemand of iets maken. Het recept voor Tzimmes en vooral het wortel-tzimmes-brood is nogal bewerkelijk, maar zeer de moeite waard. Sommige Joodse families eten met Rosh haShana zoveel mogelijk granaatappelzaden als gebed tot de Eeuwige dat onze goede daden vermenigvuldigd mogen worden. Op de vooravond, Erev Rosh haShana, worden thuis twee kaarsen aangestoken en wordt een beker wijn gedronken en challebrood gegeten, net als op Shabat. Verder heeft men de gewoonte om, na het inzegenen van deze Yom Tov [feestdag], stukjes challebrood en stukjes appel in honing te dopen en dit dan te eten onder de zegenbede voor elkaar: “Moge het een goed en zoet nieuw jaar zijn”. Datzelfde wens ik ook u allen toe!
     
    Lees meer...
    Bijbelstudie over
    DE GOEDE HERDER - HARO’E HATOV

    Een van de bekendste uitspraken van Yeshua is Zijn getuigenis: “Ik ben de Goede Herder!” ofwel in het Hebreeuws: Ani Hu haRo’e haTov in ] Yochanan [Johannes] 10:11. Een andere bekende tekst met dezelfde strekking die men overigens vaak in rouw-advertenties ziet, is: “De Heer is mijn Herder”, in het Hebreeuws Adonai Ro’i in Psalm 23:1. In de zang-bundels van bijna iedere denominatie zijn er talrijke liederen te vinden die gebaseerd zijn op deze beide teksten en ook in het refrein van het opwekkingslied nr. 363 komen wij het zinnetje tegen: “Want Hij is onze G’d, die ons leidt als een liefdevolle Herder en wij zijn de schapen van Zijn hand, ja wij zijn de schapen van Zijn hand.” Deze bijbelstudie heeft dus als thema: “De Goede Herder”. Als basis voor deze studie lezen wij Yechez’qel [Ezechiël] 34:1-34. U zult zich misschien afvragen wat het ‘oudtestamentische’ boek Ezechiël met de ‘nieuwtestamentische’ Goede Herder Yeshua te maken heeft. Toch is deze tekst uit de TeNaCH niet zomaar als inleiding op dit onderwerp gekozen, maar doelbewust genomen om de chronolo-gische volgorde te handhaven. Het beeld van de Goede Herder vinden wij namelijk reeds in , Tehilim [Psalmen] 23:1-6, waarin David heeft bevestigd dat de Eeuwige zelf onze Herder is, geheel in overeenstem-ming met ] Yochanan [Johannes] 10:11-21. De profeet Ezechiël had een voorspelling gedaan, de psalmist David heeft dit bevestigd en in ] Yochanan [Johannes] 10 is de voorspelling werkelijkheid geworden in de persoon van Yeshua haMashiach. Hier komt dus duidelijk naar voren dat deze voorspelling na vele eeuwen is uitgekomen. Als wij Yechez’qel [Ezechiël] 34 zo meteen in zijn geheel gaan lezen, dan zien wij dat hier onderscheid gemaakt wordt tussen de goede Herder aan de ene kant en de slechte herders aan de andere, maar ook dat er onderscheid gemaakt wordt tussen de schapen onderling. Laten we beginnen bij de verzen 1 tot en met 10:

    Wee de herders!
    “Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tot hen, tot die herders: zo zegt Adonai haShem: wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden? Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet; zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij. Zij raken verstrooid, omdat er geen herder is, en worden tot voedsel voor al het gedierte des velds; zo raken zij verstrooid. Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel; over de gehele aarde zijn Mijn schapen verstrooid zonder dat er iemand is die naar hen vraagt of ze zoekt. Daarom, gij herders, hoort het woord van de Eeuwige. Zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai haShem, omdat Mijn schapen tot een prooi geworden zijn, omdat Mijn schapen tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte des velds doordat er geen herder is - want Mijn herders vragen niet naar Mijn schapen; de herders weiden zichzelf, maar Mijn schapen weiden zij niet - daarom, gij herders, hoort het woord van de Eeuwige. Zo zegt Adonai haShem: Zie, Ik zàl die herders! Ik eis Mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen. De herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal Mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen.” (Yechez’qel [Ezechiël] 34:1-10). Door de hele Bijbel heen worden de mensen met schapen vergeleken en hun leiders met de herders. Herderschap, goed of fout is vanouds een beeld voor leiderschap. Deze herders echter deugden dikwijls niet omdat zij geen bewogenheid hadden voor hun schapen, maar slechts op hun eigen voor-deel bedacht waren. De Eeuwige zegt dat zij zichzelf gingen weiden in plaats van de kudde. Zwakke dieren hebben zij niet laten aansterken, zieke dieren niet genezen, gewonde dieren niet verbonden, verjaagde dieren niet teruggehaald, verdwaalde dieren niet gezocht, zij hebben de schapen hard en wreed behan-deld. Ook de herders van het volk Israël maakten zich hieraan schuldig, op enkele uitzonderingen na. In de tijd van Ezechiël waren dat de koningen, profeten en priesters. Ezechiel wijst namens de Eeuwige met zijn vinger beschuldigend naar deze herders vanwege de heersende mentaliteit in deze kringen waar corruptie, hebzucht en handelen in eigenbelang deel uitmaakten van hun leven. Hierdoor verwaarloosden de leiders van Israël hun plicht om het volk te dienen zoals een goede herder het betaamt. Zonder leiding breekt de chaos uit. Zonder herders raken de schapen verstrooid naar alle kanten en worden een makkelijke prooi voor de wilde dieren. De schapen dwalen rond op de bergen en hoge heuvels, over het hele land raken ze verspreid en niemand kijkt naar ze om, niemand gaat ze zoeken. Precies dezelfde metafoor vinden wij ook in het visioen van Micha, zoals het zowel in M’lachim alef [1 Koningen] 22:17 alsook in Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 18:16 beschreven staat: “Ik zag geheel Israël op de bergen verstrooid als schapen, die geen herder hebben!” en in Zechar’ya [Zacharia] 10:2-3 zegt de Eeuwige: “De mensen dolen rond als schapen, ontredderd, want een herder is er niet. Woedend ben Ik op de herders, en de bokken zal ik weten te vinden. De Heer van de hemelse machten zal zich ontfermen over het volk van Juda, Zijn kudde!” (NBV). Niet alleen in TeNaCH, [O.T.] maar ook in B’rit haChadasha [N.T.] komen wij dezelfde beeldspraak tegen: “Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben” (Matityahu [Mat-théüs] 9:36) - “En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hun vele dingen te leren.”  (Marcus 6:34). De Eeuwige kan dit niet langer aan-zien! Daarom zegt Hij verontwaardigd: “Wee de herder die niet deugt, die de schapen in de steek laat!”  (Zechar’ya [Zacharia] 11:17). “Ik zal de herders straffen en Mijn schapen van hen terugeisen!” - De Bijbel is tijdloos en natuurlijk is dit ook een duidelijke waarschuwing voor de herders van nu! Ook nu zijn er nog steeds van die herders die alleen maar op de tienden azen, maar hun pastorale taken nauwelijks nakomen. Dus wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon. Ook zijn er van die herders die hun schaapjes wijsmaken dat G’ds wetten en geboden niet meer nageleefd hoeven te worden omdat wij volgens hen vrij zijn van de wet. Over deze herders heeft Yeshua het volgende gezegd: “Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn. Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel!” (Matityahu [Matthéüs] 5:18-19). Er zijn zelfs herders die aan hun schapen vertellen dat Yeshua een goed mens was, een Tzadiq [rechtvaardige], maar meer ook niet. Andere herders, die voorheen wel in Yeshua geloofden, hebben Hem nu afgezworen en zijn de kant van de Joodse ortho-doxie opgegaan. Velen van hun schapen hebben zij op deze doodlopende weg meegesleurd. Ook voor hen geldt: “Wee die herders!” Ook zij zullen hun straf niet ontlopen. De Eeuwige eist Zijn schapen van hen terug en heeft gezegd dat Hijzelf voortaan Zijn kudde zal weiden. Hij is de Goede Herder! Laten we daarom in Ezechiël 34 verdergaan met de verzen 11 tot en met 16:
     
    De Eeuwige zelf is de Goede Herder
    “Want zo zegt Adonai haShem: Zie, Ik zal zélf naar Mijn schapen vragen en naar hen omzien; zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar Mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duist-ernis. Ik zal ze midden uit de volken doen uittrekken, uit de landen bijeenvergaderen en ze naar hun eigen land brengen; Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de beekbeddingen en in alle bewoonde streken van het land. In een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij zich legeren op een goede weideplaats en zullen zij in een vette weide grazen, op de bergen van Israël. Ik zelf zal Mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van Adonai haShem; de verlorene zal Ik zoeken en de afgedwaalde terug-halen; de gewonde zal Ik verbinden en de zieke versterken, maar de vette en krachtige zal Ik verdelgen. Ik zal ze weiden zoals het behoort.” (Yechez’qel [Ezechiël] 34:11-16). Ook de profeet Jesaja schrijft: “Zie, Adonai haShem zal komen met kracht en Zijn arm zal heerschappij oefenen; zie, Zijn loon is bij Hem en Zijn vergelding gaat voor Hem uit. Hij zal als een herder Zijn kudde weiden, in Zijn arm de lammeren vergaderen en ze in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden.” (Yeshayahu [Jesaja] 40:10-11). De Eeuwige zal de slechte herders ontslaan en Hijzelf zal over Zijn schapen waken en voor ze zorgen. Zoals een goede herder bezorgd is voor zijn verdwaalde schapen als de kudde uiteengevallen is, zo zal de Eeuwige naar Zijn schapen op zoek gaan en ze veilig terugbrengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt en Hij zal ze laten grazen op een goede weide, ook hoog in de bergen van Israël zullen ze gras vinden. Daar laat Hij ze nederliggen op prachtige bergweiden met gras in overvloed. De ver-loren schapen zal Hij weer opzoeken, de afgedwaalde haalt Hij terug; gewonde schapen verbind Hij, zieke maakt Hij weer gezond. De Eeuwige zal een Herder zijn die Zijn schapen zal weiden zoals het hoort. Daarom schreef David vol vertrouwen: “De Eeuwige is mijn Herder, mij ontbreekt niets; Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij aan rustige wateren; Hij verkwikt mijn ziel. Hij leidt mij in de rechte sporen om Zijns naams wil. Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij. Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen; Gij zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over. Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven; ik zal in het huis van Adonai verblijven tot in lengte van dagen.”  (Tehilim [Psalmen] 23:1-6).
    Wat een bemoediging, wat een heerlijke geruststel-ling om te mogen weten dat we ons niet bezorgd hoeven te maken en nergens bang voor hoeven te zijn, want we hebben een Goede Herder die voor ons zorgt en over ons waakt! Een absolute voorwaarde is natuurlijk wel dat het schaap er zelf voor kiest om zich onder de hoede van de Herder te stellen, zich bij de kudde te voegen en zich te houden aan de regels van de Herder, gelijk geschreven staat: “Want gij waart dwalende als schapen, maar thans hebt gij u bekeerd tot de Herder en Hoeder van uw zielen.” (1 Petrus 2:25). De Goede Herder is blij met elk ver-dwaald schaap dat Hij op Zijn schouders weer terug mag brengen naar de kooi zoals Yeshua vertelt in de bekende Midrash van het verloren schaap: “Wie van u, die honderd schapen heeft en er één van verliest, laat niet de negenennegentig in de wildernis achter en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het vindt? En als hij het vindt, tilt hij het met blijdschap op zijn schouders, en thuisgekomen, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: Verblijdt u met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was. Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenen-negentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben!” (Lucas 15:4-7). Laat daarom een ieder, die van de ware kudde afgedwaald is, moed vatten, want de Goede Herder zoekt u. Hij is immers gekomen om dat wat verloren was, te redden. Het beeld van de Goede Herder en Zijn schapen symboliseert de verhouding tussen de Eeuwige en Zijn volk, de kinderen van Israël alsmede degenen die zich bij hen hebben aangesloten. De Midrash Shir haShirim Raba 2:16 verklaart: “De Eeuwige is mijn Herder, want er staat geschreven: Herder van Israël, luister naar ons, de nakomelingen van Yosef, u leidt ons als een herder zijn kudde (Tehilim [Psalmen] 80:2, GNB) en ik ben Zijn schaap, zoals er geschreven staat: Jullie zijn Mijn schapen en Ik ben jullie Herder; jullie zijn de mensen voor wie Ik zal zorgen en ik ben jullie G’d! (Yechez’qel [Ezechiël] 34:31)”. Dezelfde Midrash Raba beschrijft de verhouding tussen haShem en de B’nei Yisra’el ook als die van een vader tot zijn zoon, een broer tot zijn zus, een bruidegom tot zijn bruid, een echtgenoot tot zijn echtgenote en een landheer tot zijn wijngaard
    Elk van deze metaforen drukt een ander facet uit van deze verhouding, namelijk de innige band tussen de Eeuwige en Zijn volk Israël, de wederzijdse liefde en genegenheid, zorgzaamheid en bescherming van Zijn kant naar ons toe, en afhankelijkheid, toewijding en gehoorzaamheid van ons naar Hem toe. Al deze elementen vinden wij in de genoemde verhoudingen, maar wat maakt de verhouding tussen een herder en Zijn schapen zo anders? Waarin verschilt het schaap van een kind of een bruid? Welk aspect van onze relatie met de Eeuwige is zo uniek dat het alleen kan worden vergeleken met die tussen een schaap en zijn herder? De meest opvallende karaktertrek van het schaap is zijn meegaande, volgzame aard, zijn gedweeheid, geduld, buigzaamheid, onderwerping en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Vooral wat dat laatste betreft loopt een vergelijking met een bruid of echtgenote nogal mank. Voor een Oosterse bruid mag dit tot op zekere hoogte wel opgaan, maar voor een westerse vrouw is dit een ander verhaal. Bij een zoon gaat de vergelijking iets meer op, want van een zoon mag men wel verwachten dat hij gehoorzaam is aan zijn vader, maar hij doet dat meer uit respect en omdat hij het gezag van zijn vader erkent. Een schaap daarentegen gehoorzaamt niet om een of andere reden, maar het is gewoon gehoorzaam van nature. Ziet u het verschil? Het is juist dit element in onze relatie tot de Eeuwige die volgens de Midrash Raba het schaap symboliseert: een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan haShem, die niet voortvloeit uit angst of ontzag en ook niet uit onze afhankelijkheid van en liefde voor Hem, maar simpelweg uit de erkenning dat ik Zijn schaap ben. Dat is een kwets-baar dier. Kan niet veel hebben. Een schaap is een toonbeeld van zwakte en hulpeloosheid. Zonder herder is het nergens, zelfs een ram is een makkelijke prooi voor wilde dieren en is daarom geheel afhanke-lijk van zijn herder. Voor het schaap is het van levensbelang om de juiste herder te hebben of beter gezegd: de Goede Herder! In Ezechiël 34 komt het contrast tussen de slechte herders, die alleen maar op hun eigen voordeel bedacht zijn, en de Goede Herder die het welzijn van Zijn schapen als grootste prioriteit ziet, heel duidelijk naar voren. Hij is een echte goede herder, die een en al zorgzaamheid is voor de kudde, die de schapen laat grazen en ervoor waakt dat ze niet te grazen genomen worden door de wilde dieren. In plaats daarvan zet hij juist zijn eigen leven in voor de schapen. De wilde dieren worden met een stok of een slinger weggejaagd en ‘s avonds worden de schapen door hem allemaal weer veilig ter kooi gebracht. Zo'n schaapskooi was in bijbelse tijd-en niet veel meer dan een grot of een kringvormige muur, met een gat als deur, en vaak fungeerde de herder zelf als deur. Omdat er geen echte deuren waren, zat of sliep de herder vaak in de opening, gereed om zijn schapen tegen gevaar van buitenaf te beschermen. Als iemand de schapen wilde stelen moest hij langs de herder, een andere weg was er niet tenzij men goed kon klimmen, en zo beschermde de herder zijn kudde met zijn eigen lijf. Dit is precies datgene wat Yeshua bedoelde toen Hij zei: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen. In dit beeld sprak Yeshua tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak. Yeshua zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed. Ik ben de Goede Herder. De Goede Herder zet Zijn leven in voor zijn schapen; maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen – want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte. Ik ben de Goede Herder en Ik ken de Mijne en de Mijne kennen Mij, gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet Mijn leven in voor de schapen. Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één Herder.” (Yochanan [Johan-nes] 10:1-16). Deze tekst vertelt ons hoe dieven en wolven komen om de schapen te stelen of te vernietigen. Maar de Goede Herder is er om hen te beschermen, van hen te houden en om hen van de vernietiging te redden. Over de identiteit van Zijn schapen laat Yeshua geen enkele twijfel bestaan, want door Zichzelf de Goede Herder te noemen refereerde Hij rechtstreeks aan Ezechiël 34, waaruit ondubbelzinnig blijkt dat Zijn schapen de verstrooide kinderen van Israël zijn, en de andere schapen, die niet van deze stal zijn (Israël), dat zijn de gelovigen uit de volken. Voor alle duidelijkheid wil ik hier even benadrukken, dat deze andere schapen niet in de plaats zijn gekomen van Zijn eigen kudde, m.a.w. de christelijke kerk is niet in de plaats gekomen van Israël als zijnde G’ds volk! Laat er daarover geen misverstand zijn! Yeshua heeft slechts gezegd dat Hij ook hen zal leiden en ook zij zullen naar Zijn stem horen en het zal één kudde worden met één Herder, en dat is slechts mogelijk als de vreemde schapen zich bij de bestaande kudde voegen en niet andersom! En wat vertelde Yeshua de schare? Hij zei: “De schapen luisteren naar de stem van de Herder, Hij roept de schapen die van Hem zijn bij hun naam en leidt ze naar buiten. En als Hij ze allemaal naar buiten heeft gebracht, loopt Hij voor ze uit en zij volgen hem, want zij kennen Zijn stem. Ik ben de Goede Herder. Ik ken Mijn schapen en Mijn schapen kennen Mij!”  (Yocha-nan [Johannes] 10:3-4 en 14, GNB). Hoe groot de kudde ook is, de Herder kent elk schaap. Hij heeft ieder schaap een naam gegeven en roept ze bij hun naam. Zo zorgt ook Yeshua, onze hemelse Herder, voor Zijn kudde, die thans over de gehele wereld verspreid is. Hij kent ons allen bij naam. Hij kent het huis, waarin wij wonen en de naam van al de bewoners. Hij zorgt voor een ieder, want Hij kent ons allen persoonlijk. Hij weet precies wie wij zijn. Hij weet wat wij nodig hebben of wat wij mankeren. Hij kent al onze zorgen en onze problemen. Hij kent ons door en door en Hij wil ons helpen en ons terzijde staan in tijden van nood, ons genezen als wij ziek zijn en ons troosten als wij verdrietig zijn. De schapen die Hem op deze wijze hebben leren kennen zullen Hem volgen waar Hij ook gaat, want zij vertrouwen Hem. Deze schapen herkennen Zijn lieflijke stem. Maar helaas zijn er ook nog andere schapen, die Zijn stem niet herkennen en Hem niet volgen. We gaan daarom verder met de verzen 17 tot en met 22 van Ezechiël hoofdstuk 34, alwaar we zullen zien dat helaas niet alle schapen aan het verwachtingspatroon van de Goede Herder voldoen:
    Lees meer...   (1 reactie)
    Bijbelstudie over
    DE HEBREEËNBRIEF-HA’IGERET AL-HA’IV’RIM Deel 2

    Deel 2: Hebreeën 8:8-13

    De vorige keer heb ik u laten weten, dat ik regelmatig mailtjes krijg met allerlei vragen over Bijbelse onderwerpen, die ik doorgaans via persoonlijke e-mails beantwoord. Een enkele keer is de inhoud van de vraag alsook mijn reactie daarop echter van dien aard, dat ik naar aanleiding daarvan een hele Bijbelstudie aan dat onderwerp besteed, hetgeen ook nu het geval is. Ik kies normaliter nooit zelf naar eigen goeddunken de onderwerpen voor mijn Bijbelstudies die ik op mijn website plaats, maar ik vraag de Eeuwige om een onderwerp op mijn hart te leggen of om mij een teken te geven welk onderwerp ik moet behandelen. Zo een teken kan dus wel eens ook een mailtje zijn of bepaalde gebeurtenissen die betrekking hebben op Israël. In het geval van deze studie gaat het om diverse mailtjes uit Zwitserland, België en Nederland met vragen over ogenschijnlijke tegenstrijdigheden in de Hebreeënbrief. Al gauw werd het mij duidelijk, dat dit de basis zou vormen voor een reeks Bijbelstudies over de Hebreeënbrief, waarin ik ook eerdere vragen van andere mensen en mijn antwoorden daarop zal verwerken, omdat de Hebreeënbrief bij heel wat mensen toch wel wat vraagtekens oproept. De vorige keer behandelden wij Hebreeën 2:2, 3,3 en 7:18-19. Laten we nu gaan kijken welke andere teksten in de Hebreeënbrief zoveel vragen oproepen. Deze teksten zal ik standaard uit de NBG-vertaling citeren, maar er voor de duidelijkheid ook andere vertalingen naastleggen.

    Hoofdstuk 8, vers 8:
    “Want Hij berispt hen, als Hij zegt: Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen…”

    “Maar G’d berispt Zijn volk met de woorden: De dag zal komen, spreekt de Heer, dat Ik een nieuw verbond zal sluiten met het volk van Israël en met het volk van Juda.” (Nieuwe Bijbelvertaling).

    “Maar G’d hekelt Zijn volk met de woorden: De tijd komt, zegt de Heer, dat Ik met het volk van Israël en dat van Juda een nieuw verbond zal sluiten.” (Groot Nieuws Bijbel).

    “Maar G’d was er zelf ook niet tevreden over, want Hij zei: Er komt een tijd dat Ik een nieuw verbond met het volk van Israël en het volk van Juda zal sluiten.” (Het Boek).

    Vraag: De schrijver van de Hebreeënbrief wijst zijn lezers erop, dat G’d een nieuw verbond zal sluiten met het volk van Israël en dat van Juda, maar wie worden daar precies mee bedoeld?
    In een commentaar van J.E. van den Brink op de Hebreeënbrief lees ik met betrekking tot dit vers: “Het nieuwe verbond sloot G’d met het huis Israëls en het huis van Juda. Wij kunnen hier dus lezen: met de heidenen en met de joden!” Moet ik hieruit begrijpen dat daar het geestelijke Israël, de Kerk uit de heidenen mee wordt bedoeld, waar ook de joodse christenen bijhoren?

    Antwoord: Over de Kerk uit de heidenen en over joodse christenen wordt hier niet gesproken, want de verzen 8 t/m 12 zijn namelijk geciteerd uit Yir’m’yahu [Jeremia] 31:31-34, en daar wordt letterlijk het natuurlijke volk van G’d mee bedoeld, dat ten tijde van deze profeet nog verdeeld was in twee aparte koninkrijken: het tienstammenrijk Israël in het noorden dat zich toen al in ballingschap bevond en het tweestammenrijk Juda in het zuiden, dat enkele jaren later eveneens te gronde zou gaan wegens de ongehoorzaamheid van het volk aan de wetten van het oude verbond. Daarom zou de Eeuwige later een nieuw verbond sluiten met Zijn hele volk Israël. Beide verbonden heeft G’d met Israël gesloten, zowel het Oude alsook het Nieuwe! Sha’ul haShaliach [de apostel Paulus] schrijft in Romeinen 9:4 ten opzichte van de Joden dan ook zeer terecht: “Van hun zijn de verbonden”. In meervoud dus! Men maakt een grote denkfout als men Israël de Gemeente van het Oude Verbond noemt in tegen-stelling tot de christelijke Kerk als Gemeente van het Nieuwe Verbond. De Bijbel noemt Israël de “Gemeen-te des Heren” en het was nooit G’ds bedoeling dat er naast deze Gemeente nog een tweede Gemeente zou ontstaan die een eigen leven zou leiden. Israël is der-halve zowel de Gemeente van het Oude alsook van het Nieuwe Verbond! Helaas zijn er onder beide verbonden wel altijd ook Israëlieten geweest die zich niet aan de afspraken met G’d hebben gehouden, maar onder beide verbonden waren en zijn er ook Israëlieten die wél trouw gebleven zijn aan de Eeuwige! En met hen gaat Hij verder. Het ongelovige deel van G’ds volk bleef wel voortbestaan onder de naam Israël, omdat de Eeuwige ook met hen een plan heeft, maar alleen het gelovige deel van Israël is en blijft de Gemeente des Heren! Onder beide verbonden werden ook de heidenen uitgenodigd om de G’d van Israël aan te nemen als Heer en Verlosser en te delen in Zijn zegeningen! Hiervoor was onder het Oude Verbond de voorwaarde, dat zij zich ook fysiek bij Israël moesten aansluiten. Onder het Nieuwe Verbond hoeven de gelovigen uit de volken echter geen Giyur te doen en dus géén Joden te worden, want volgens Efeziërs 2:11-13 zijn zij door het geloof in het offer van Yeshua niet meer uitgesloten van het burgerrecht Israëls en ook niet meer vreemd aan de verbonden der belofte! Zij mogen er helemaal bij horen, maar de Gemeente is en blijft Israël! Dus wat dat betreft bedoelt J.E. van den Brink het in zijn commentaar op de Hebreeënbrief met betrekking tot dit vers wel goed als hij schrijft dat G’d het Nieuwe Verbond sloot met de heidenen en met de joden, maar hij schrijft het wel in de omgekeerde volgorde, want het Bijbelse principe luidt namelijk: eerst de Jood en ook de Griek! (Romeinen 2:9-10). Er is dus geen enkele reden om te veronderstellen dat de Eeuwige Zijn volk Israël, dat Hij heeft uitverkoren om Zijn Gemeente te zijn, zou hebben verworpen wegens het ongeloof van slechts een déél van dat volk, net zo min als dat Hij aan de gelovige heidenen de toegang tot Zijn gemeen-te zou ontzeggen omdat het grootste deel van de heidenen ongelovig is! Neen, de rol van Israël als Gemeente van Adonai is nog niet uitgespeeld en daarom heeft Hij ook het Nieuwe Verbond op de eerste plaats met Zijn volk Israël gesloten.

    Hoofdstuk 8, vers 9:

    “…niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan Mijn verbonden. Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here!”

    “Niet een verbond zoals ik dat sloot met hun voorouders toen Ik hen bij de hand nam om hen weg te leiden uit Egypte, want aan dat verbond zijn ze niet trouw gebleven. Daarom heb Ik Mijn handen van hen afgetrokken, spreekt de Heer!” (Nieuwe Bijbelvertaling).

    “Geen verbond zoals ik met hun voorouders gesloten heb toen Ik hen bij de hand nam en uit Egypte haalde. Want zij hebben zich niet aan Mijn verbond gehouden en Ik heb niet naar hen omgekeken, zegt de Heer!” (Groot Nieuws Bijbel).

    “Het zal een ander verbond zijn dan dat Ik met hun voorouders sloot op de dag dat Ik hen uit Egypte leidde; die hielden zich niet aan het verbond, zodat Ik hun de rug heb toegekeerd!” (Het Boek).

    Vraag: Hier staat duidelijk dat G’d het Oude Verbond vervangen heeft door het Nieuwe en dat Hij Zijn handen van de Israëlieten heeft afgetrokken omdat ze zich niet aan Zijn verbond hielden. Maar als Hij hen Zijn rug heeft toegekeerd, dan wil dat toch zeggen dat Hij hen verder als speciaal volk heeft losgelaten. Of zie ik dat verkeerd?

    Antwoord: Jeremia heeft het hier slechts over de Israëlieten, die de uittocht uit Egypte hebben meege-maakt en wegens hun ongeloof en weerspannigheid het Beloofde Land niet mochten binnengaan. Van hen heeft de Eeuwige Zich inderdaad afgekeerd, maar niet van alle Israëlieten van alle eeuwen, ook al probeert men ons dit sinds jaar en dag wijs te maken. In een boekje van het Internationaal Zendingsgenoot-schap der Z.D.A.-reformatie uit 1946 kwam ik in dit verband de volgende passages tegen: “De Israëlieten waren vanaf den beginne van hun bestaan als natie een onhandelbaar, ongehoorzaam en wederspannig volk. Alleen de grote genade en goedertierenheid en geduld des Heren waren het, die hen zo lange tijd als volk lieten bestaan, maar het meest, omdat de volheid des tijds eerst van G’d kon geopenbaard worden. Ook aan het geduld van G’d komt eenmaal een einde. De Joden als natuurlijke nakomelingen van de vaderen der beloften zijn in hun roeping niet getrouw geweest en werden door de Here als uitverkoren volk verworp-en. Israël als natie was wel door G’d uitgeschakeld, de takken waren door ongeloof afgebroken, maar dat beduidde niet het einde van G’ds volk. De Here zette Zijn werk voort, ook al moest een geheel volk worden terzijde gesteld in Zijn plan. De Here roept een volk uit alle natiën en talen en neemt het aan als Zijn volk. Ieder die Christus aanneemt en in Hem gedoopt, wordt daardoor opgenomen in het nieuwe Verbond, het ware Israël!” Tot zover. Komen deze woorden u bekend voor? Vele eeuwen is deze leer in bijna alle kerkge-nootschappen verkondigd en ook vandaag de dag wordt nog steeds de houding van velen tegenover het Joodse volk en de staat Israël mede bepaald door de vervangingsleer. Weet u, als hoofdstuk 10 het laatste hoofdstuk van de Romeinenbrief zou zijn, dán is de vervangingstheologie de juiste conclusie. Maar gelukkig hield Sha’ul niet op met hoofdstuk 10, want in hoofdstuk 11 vers 1a gaat hij verder met de volgende woorden: “Dan is nu mijn vraag: heeft G’d Zijn volk soms verstoten? Beslist niet!” In het Hebreeuws roept hij uit: Chalila! In de NBG-vertaling staat: Volstrekt niet! In de Willibrord-vertaling staat: Helemaal niet! En in de Groot Nieuws Bijbel staat: Geen sprake van! Kan het duidelijker? Sha‘ul gaat verder: “Ik ben immers zelf een Israëliet, een nakomeling van Av’raham, afkomstig uit de stam Bin’yamin. G’d heeft Zijn volk, dat Hij al van tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift over Eliyahu zegt, hoe hij Israël bij G’d aan-klaagt? ‘Adonai, Uw profeten hebben ze gedood, Uw altaren verwoest. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ Maar hoe luidt het antwoord van G’d aan hem? ‘Ik heb zeven-duizend mensen voor Mijzelf in leven gelaten; die hebben niet voor Baäl geknield.’ Zo is ook nu een klein deel over dat G’d uit genade uitgekozen heeft!” (vers 1b t/m 5). Dat een groot deel van de Israëlieten ongelovig en ongehoorzaam was en feite-lijk nog steeds is wil nog niet zeggen dat de Eeuwige hen daarom als volk verstoten zou hebben, want de gelovige rest van Israël is en blijft G’ds volk en daarom mag de kerk uit de heidenen zich deze titel beslist niet zelf toe-eigenen. “Want de Eeuwige zal Zijn volk niet verstoten, om der wille van Zijn grote naam. De Eeuwige heeft immers verkozen u tot Zijn volk te maken!” (Sh’mu’el alef [1 Samuël] 12:22). In het zelfde tekstgedeelte uit Jeremia 31, waaruit het citaat genomen is waar het in Hebreeën 8 over gaat, zegt de Eeuwige in de aansluitende verzen 35-37 heel duidelijk: “Zo zegt de Eeuwige, die de zon overdag tot een licht geeft, die de maan en de sterren verordent tot een licht des nachts, die de zee opzweept, dat haar golven bruisen, wiens naam is Adonai Tz’vaot [de Here der heerscharen]: Als deze verordeningen voor Mijn ogen zullen wankelen, luidt het woord van de Eeuwige, dan zal ook het nageslacht van Israël ophouden al de dagen een volk te zijn voor Mijn ogen. Zo zegt de Eeuwige: Als de hemel boven te meten is en de funda-menten der aarde beneden na te speuren zijn, dan zal Ik heel het nageslacht van Israël verwerpen om al het-geen zij gedaan hebben, luidt het woord van Adonai Is de hemel te meten? Volgens mij niet! Ik wil daarom Romeinen 11:1 herhalen: “Heeft G’d Zijn volk verstoten? Volstrekt niet!” - “Want zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen blijven bestaan, luidt het woord van Adonai, zo zal uw nageslacht en uw naam blijven bestaan!” (Yeshayahu [Jesaja] 66:22).

    Hoofdstuk 8, vers 10:

    “Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis Israëls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal Mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een G’d zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn!”

    “Maar dit is het verbond dat Ik in de toekomst met het volk van Israël zal sluiten, spreekt de Heer: in hun verstand zal Ik Mijn wetten leggen en in hun hart zal Ik ze neerschrijven. Dan zal Ik hun G’d zijn en zij zullen Mijn volk zijn.” (Nieuwe Bijbelvertaling).

    “Dit is het verbond dat Ik later met het volk van Israël sluit: Ik zal Mijn wetten in hun gedachten schrijven en in hun hart. Ik zal hun G’d zijn en zij zullen Mijn volk zijn.” (Groot Nieuws Bijbel).

    “Dit is het nieuwe verbond dat Ik met het volk van Israël ga sluiten: Ik prent hun Mijn wetten in en schrijf ze in hun hart. Ik zal hun G’d zijn en zij zullen Mijn volk zijn.” (Het Boek).

    Vraag: In zijn commentaar op de Hebreeënbrief schrijft J.E. van den Brink met betrekking tot dit vers het volgende: “Het nieuwe Verbond zou anders functioneren dan het Oude. In het Oude had G’d een wet gegeven, die het leven van buitenaf regelde en een wet die de reiniging van schuld tot stand moest brengen. In het Nieuwe Verbond schenkt de Heer een wet die van binnenuit, vanuit de innerlijke mens aan het leven richting geeft.” In de Studiebijbel staat iets soortgelijks: “Het eerste grote verschil, waaruit blijkt dat het Nieuwe Verbond van een andere soort is dan het verbond met de vaderen, is gelegen in de wetgeving die bij dit verbond hoort. De uiterlijke wet wordt vervangen door een innerlijke. Bij het Oude Verbond bestond de wet uit geschreven voorschriften (geboden en verboden), bij het Nieuwe Verbond gaat het om wetten van het verstand, d.w.z. dat de afweging van wat in een bepaalde situatie goed of kwaad is, plaatsvindt in het menselijk denken.” Uit deze beide commentaren krijg ik de sterke indruk dat hier niet alleen sprake is van twee verschillende verbonden, maar ook van twee verschillende wetten. Is dat inderdaad het geval?

    Antwoord: Nee, in beide gevallen gaat het om dezelfde wet, de Thora! David Stern schrijft in zijn boek ‘Het Evangelie is Joods’ met betrekking op het misverstand dat er sprake zou zijn van verschillende wetten het volgende: “Het vraagt een onaanvaardbare theologische goochelarij om de conclusie te trekken dat, wanneer G’d de Thora op harten schrijft, Hij daar iets anders van maakt dan de Thora!” Ik vind, dat hij dit heel mooi verwoord heeft. Nee, de Eeuwige heeft daar echt niets anders van gemaakt dan de Thora. Als dat wel zo was, dan zou de profeet Jesaja aan ons moeten uitleggen waarom hij in Yeshayahu [Jesaja] 2:3 geprofeteerd heeft dat in de laatste der dagen de Thora zal uitgaan uit Sion. Elke Shabat wordt deze tekst in de synagoge en in Messiasbelijdende gemeen-ten gezongen: Ki miTziyon tetze Thora uD’var Adonai miY’rushalayim! [Want uit Sion zal de Thora uitgaan en het Woord van Adonai uit Jeruzalem]. Als de Thora niet meer van toepassing zou zijn, dan zou deze profetie nergens op slaan. Neen, de Thora is nog steeds van kracht en de Eeuwige heeft Zijn wetten en geboden door de uitstorting van Ruach haQodesh [de Heilige Geest] in de harten van alle gelovigen geschreven. Hij heeft dit volgens Jeremia 31:33 en Hebreeën 8:10 weliswaar éérst aan Zijn volk Israël beloofd, maar vanaf de overweldigende manifestatie van Zijn tegenwoordigheid op de Pinksterdag is zij eveneens voor de gelovigen uit de volken “niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende G’d, niet op tafelen van Steen, maar op tafelen van vlees in onze harten!” (2 Korinthiërs 3:3). In talrijke teksten zegt de Eeuwige in Zijn Woord, dat Hij Zijn wet, Zijn heilige Thora, met al haar geboden en inzettingen uit liefde niet slechts aan Zijn volk Israël heeft gegeven, maar ook aan de gelovigen uit de volken die door hun geloof in de G’d van Israël en de Messias van Israël geënt zijn op de edele olijfboom: “Éénzelfde wet zal gelden voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling, die in uw midden vertoeft.”  (Sh’mot [Exodus] 12:49). “Wat de Gemeente betreft, éénzelfde inzetting zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling die bij u vertoeft; een altoosdurende inzetting zal het zijn voor uw geslachten: gij en de vreemdeling zullen voor de Eeuwige gelijk zijn. Éénzelfde wet en éénzelfde voorschrift zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling die bij u vertoeft.”  (Bamidbar [Numeri] 15:15-16). Lees ook het hele hoofdstuk Yeshayahu [Jesja] 56, want daar staat precies hetzelfde! Om deze reden schrijft Sha’ul [Paulus] dan ook dat er “geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is de Mashiach” (Kolossenzen 3:11) en: “Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Yeshua haMashiach (Galaten 3:28). Dat wij echter zonder G’ds kracht niet in staat zijn om Zijn wil te volgen en Zijn geboden te onderhouden omdat wij zwakke mensen zijn, weet onze hemelse Vader maar al te goed! Vandaar Zijn belofte, die bij Jeremia 31:33 en Hebreeën 8:10 naadloos aansluit: “Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar Mijn inzettingen wandelt en naarstig Mijn verordeningen onderhoudt.” (Yechez’qel [Ezechiël] 36:27). Sha’ul haakt hierop in als hij in de Romeinen-brief schrijft “Want zij, die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest. Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezind-heid van de Geest is leven en vrede. Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen G’d, want het onderwerpt zich niet aan de Thora van G’d; trouwens, het kan dat ook niet: zij, die in het vlees zijn, kunnen G’d niet behagen. Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest G’ds in u woont!” (Romeinen 8:5-9). Conclusie: Als G’ds Geest in u woont, dan wandelt u naar Zijn inzettingen en onderhoudt u naarstig Zijn verorde-ningen. Doet u dat niet, dan moet u zich ernstig afvragen of G’ds Geest wel in u woont.

    Lees meer...   (1 reactie)
    Bijbelstudie over
    G’DS VOLK - AM HA’ELOHIM

    Wie is G’ds volk? Eeuwenlang ging men er vanzelf-sprekend van uit dat dit niet meer het volk Israël zou zijn, maar de Gemeente van Jezus Christus, de Kerk uit de heidenen, en men dacht dit met Romeinen 9 en 10 te kunnen aantonen. Maar is dit echt zo? Laten we deze teksten eens lezen en kijken wat Sha’ul, die ook Paulus genoemd wordt, precies geschreven heeft: “Ik spreek de waarheid in de Mashiach, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door Ruach haQodesh [de Heilige Geest]: ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. Want zelf zou ik wel wensen van de Mashiach verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees; immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aan-neming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften: hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Mashiach, die is boven alles, G’d, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen. Maar het is niet mogelijk, dat het woord G’ds zou vervallen zijn. Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Av’raham [Abraham] zijn, maar: ‘Door Yitz’chaq [Isaak] zal men van nageslacht van u spreken.’ Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen G’ds, maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht. Want er ligt een belofte in dit woord: omstreeks deze tijd zal Ik komen en Sara zal een zoon hebben. Maar dit niet alleen; daar is ook Riv’qa [Rebekka], bevrucht van één man, onze vader Yitz’chaq. Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan - opdat het verkiezend voornemen G’ds zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep, - werd tot haar gezegd: De oudste zal de jongste dienstbaar zijn, gelijk geschreven staat: Ya’aqov [Jakob] heb Ik liefgehad, maar Esav [Esau] heb Ik gehaat. Wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij G’d? Chalila! [volstrekt niet!] Want Hij zegt tot Moshe [Mozes]: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn. Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van G’d, die Zich ontfermt. Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u Mijn kracht zou tonen en Mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde. Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat Zijn wil? Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij G’d zoudt tegen-spreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boet-seerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik? En als G’d nu, Zijn toorn willende tonen en Zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft - juist om de rijkdom Zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid? En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, gelijk Hij ook bij Hoshea [Hosea] zegt: ‘Ik zal Lo-Ami [niet-Mijn-volk] noemen: Ami [Mijn-volk], en Lo-Ruchama [de niet-geliefde]: Ruchama [geliefde]. En het zal geschieden ter plaatse, waar tot hen gezegd was: Lo-Ami Atem [gij zijt Mijn volk niet], daar zullen zij genoemd worden: B’nei El-Chai [zonen van de levende G’d].’ En Yeshayahu [Jesaja] roept over Israël uit: ‘Al was het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, het overschot zal behouden worden; want wat Hij gesproken heeft, zal de Eeuwige doen op de aarde, volledig en snel.’ En gelijk Yeshayahu tevoren gezegd had: ‘Indien Adonai Tz’vaot ons geen zaad overgelaten had, als Sodom zouden wij geworden zijn en aan Gomorra zouden wij gelijk gemaakt zijn. Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is; doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toege-komen. Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, gelijk geschreven staat: ‘Zie, Ik leg in Tzion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.”  (Romeinen 9:1-33). “Maar niet allen hebben aan het evangelie gehoor gegeven. Want Yeshayahu zegt: Adonai, wie heeft geloofd wat hij van ons hoorde? Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van de Mashiach. Maar ik vraag: hebben zij het dan niet gehoord? Zeer zeker: Over de ganse aarde is hun geluid uitgegaan en tot de einden der wereld hun woorden. Maar ik vraag: heeft Israël het dan niet verstaan? Vooreerst zegt Moshe: Ik zal u naijverig maken op wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk. En Yeshayahu waagt het te zeggen: Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten, Ik ben openbaar geworden aan wie naar Mij niet vroegen. Maar van Israël zegt hij: De ganse dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk!” (Romeinen 10:16-21). - Door de eeuwen heen hebben de hoofdstukken 9 en 10 tot verschillende extreme opvattingen geleid, want zoals ik reeds bij de inleiding heb gezegd lezen de voorstanders van de vervangingsleer hierin dat de Gemeente ofwel de Kerk, die zij het geestelijke Israël noemen, in de plaats van het natuurlijke Israël gekomen zou zijn, dat volgens hen collectief door G’d verworpen en verloren is, maar anderen gaan de precies tegengestelde richting op en verklaren juist dat geheel Israël behouden zou zijn zonder tot het ware geloof te hoeven komen. Beide verklaringen zijn tegengestelden van elkaar, beiden zijn extreem en beiden zijn fout! En toch zijn beide opvattingen binnen de Reformatorische en Evangelische kringen ruim vertegenwoordigd. Laten we daarom eens nauwkeurig vers voor vers in de nieuwe vertaling kijken naar wat Sha’ul ons daarin leert over Israël en dan zult u zien dat het ongelovige deel van Israël beslist niet behouden zal zijn, maar dat het gelovige deel van Israël daarentegen ook niet vervangen is door de Kerk. Laten we beginnen bij de eerste twee verzen van hoofdstuk 9:

    Vers 1 en 2: “Omdat ik één ben met de Mashiach spreek ik de waarheid, en mijn geweten, geleid door Ruach haQodesh [de Heilige Geest], is mijn getuige dat ik niet lieg: ik ben diepbedroefd en word voort-durend door verdriet gekweld.”

    Velen zijn van mening, dat Paulus zo verdrietig was omdat zijn eigen volk door G’d verworpen zou zijn en slechts een enkeling zoals hijzelf behouden zou worden door zich aan te sluiten bij de Kerk, het nieuwe uitverkoren volk, terwijl Israël als natie voorgoed verloren zou zijn. Vandaar zijn verdriet. Maar deze opvatting klopt niet, want de Eeuwige heeft Israël als uitverkoren volk helemaal niet verworpen en dat zal Hij ook in de toekomst nooit doen, hetgeen in Sh’mu’el alef [1 Samuël] 12:22 plechtig beloofd is: “De Eeuwige zal Zijn volk niet verwerpen omwille van Zijn grote naam, want Hij heeft besloten van u Zijn volk te maken!” (Willibrord-vertaling). Integendeel! In Sh’mu’el bet [2 Samuël] 7:24 wordt nadrukkelijk verklaard dat Israël voor eeuwig G’ds volk zal zijn: “U hebt Uw volk Israël voor altijd aan U toegewijd, en U, Eeuwige, bent hun tot G’d!” U ziet dus dat Sha’ul geen enkele reden had om zich zorgen te maken over het geestelijk welzijn van zijn volk als natie, maar waar hij zich wel druk om maakte en veel verdriet om had waren de talrijke volksgenoten van hem, die door hun ongeloof verloren zullen gaan, en dat komt juist in het volgende vers duidelijk naar voren:

    Vers 3: “Omwille van mijn volksgenoten, de broeders en zusters met wie ik mijn afkomst deel, zou ik bijna bidden zelf vervloekt te worden en van de Mashiach gescheiden te zijn;”

    Op de website van ‘goedbericht.nl’ kwam ik in verband met dit vers de volgende stelling tegen: “In Romeinen 9 vers 2 en 3 vinden we de volgende merkwaardige opmerking van Paulus: ‘Ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees.’ Hoe kon Paulus dit nu schrijven? Had hij zojuist niet gejubeld dat NIETS hem kon ‘scheiden van de liefde G’ds, welke is in Christus Jezus’? Vanwaar dan deze wens? Bovendien: is Romeinen 9 niet het Bijbelhoofdstuk bij uitstek dat laat zien dat redding geen mensenwerk is? Hoe kon Paulus dan door verbanning van Christus iets denken toe te voegen aan Israëls redding? Is dit niet ongerijmd? Het verrassende antwoord op deze vragen is gelegen in een correcte weergave van dit Bijbelgedeelte. Vanuit het Grieks weten we dat Paulus niet schreef: ‘want zelf zou ik wel wensen...’, maar: ‘ik wenste...’. Verleden tijd. Dat maakt een heel groot verschil! De gedachte is deze. Paulus had een voortdurend hart-zeer ten behoeve van zijn broeders naar het vlees. Hoezo? Wel, ooit wenste hijzelf van Christus verban-nen te zijn, zoals zijn verwanten dat nog steeds wensen. Ooit was de naam van Christus ook voor hem een vloek. Paulus kende de toestand van de meerderheid van het Jodendom uit eigen ervaring. In deze tussengevoegde vermelding klinkt Paulus eigen bittere herinnering door. Maar tevens klinkt hierin hoop door voor zijn geliefde verwanten. Want als het goed kon komen met hém, dan kan het ook goed komen met Israël! Zeker, hier is dit nog slechts een suggestie... maar twee hoofdstukken later is dit veranderd in een groot uitroepteken! De eerste verzen van Romeinen 9 dienen we dus op de volgende mannier te lezen: ‘Ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer, want ikzélf wenste van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees...’”  (http://www.goedbericht.nl/NT/Romeinen/9-verbannen.html). Op het eerste gezicht lijkt deze uitleg best wel aannemelijk, maar bij nader bestuderen van de grondtekst blijkt het toch niet te kloppen:
    ēuchomēn gar autos egō anathema einai autos egō apo tou Christou huper tōn adelphōn mou tōn suggenōn mou kata sarka

    Letterlijke vertaling: “Zou bidden namelijk zelf ik vervloeking zijn weg van Christus ten behoeve van de broeders van mij de verwanten van mij naar het vlees”

    Een uitleg, die ik in de Studiebijbel heb gevonden, lijkt mij daarom een stuk aannemelijker: “De imperfectumvorm ēuchomēn (ik bad, ik wenste) kan op tweeërlei wijze gelezen worden: ’ik zou wel wensen’ of ’ik zou wel willen bidden (als dat mogelijk was)’. Vanuit zijn bewogenheid en liefde voor zijn volk zou Paulus, evenals Mozes in Exodus 32:32, willen bidden om in plaats van het volk uit G'ds boek uitgedelgd te worden. Een dergelijk gebed wordt natuurlijk niet verhoord. Anathema (vervloeking) is hier vermoedelijk een weergave van het Hebreeuwse cherem (ban, gebannene). Bij ’mijn broeders’ is voor de duidelijkheid toegevoegd kata sarka (naar het vlees, hetgeen hier inhoudt ’volgens natuurlijke volksverwantschap’); het gaat hier namelijk niet om de ‘broeders in Christus’, maar om Paulus' volksge-noten, de Joden. Het feit dat Sha’ul zo een pijn voelt bij de gedachte dat velen van zijn volksgenoten voor eeuwig verloren zullen gaan toont aan dat hij beslist geen grieksdenkende christen is geworden, maar met hart en ziel een echte messiasbelijdende Jood was met een diepe bewogenheid voor zijn eigen volk.

    Vers 4: “omwille van hen, de Israëlieten, die G’d als Zijn kinderen heeft aangenomen en aan wie Hij Zijn nabijheid, de verbonden, de Tora, de tempeldienst en de beloften heeft geschonken;”

    Dit vers begint in de NBG-vertaling met de woorden: “Immers, zij zijn Israëlieten…” Eigenlijk moet daar een dikke uitroepteken achter, want wat Sha’ul daarmee wil benadrukken is: Ze zijn niet zomaar een volk, ze zijn en blijven G’ds volk! Besef dat goed! Wij hoeven geen theologie gestudeerd te hebben om te beseffen dat Sha’ul de hele TeNaCH [Hebreeuwse Bijbel] betrekt in zijn verklaring omtrent Israël als zijnde G’ds volk. De aanneming tot zonen, de Shechina [heerlijkheid], de verbonden (meervoud!), de wetgeving, de eredienst en de vele beloften behoren nog steeds toe aan Israël en niet aan de Kerk uit de heidenen. Als wij de strekking van vers 4 niet verstaan, zullen wij nooit de rest van Bijbel begrijpen. Het voorecht om in de tegenwoordigheid van de Eeuwige te mogen komen en in Zijn Shechina [heerlijkheid] te vertoeven was alleen aan Israël gegeven. De wolk begeleide Israël overdag tijdens hun tocht door de woestijn, en het vuur in de nacht. Dezelfde wolk van Zijn Shechina heeft eerst de Mish’kan [Tabernakel] gevuld en later ook Beit-haMiq’dash [de Tempel]. Sha’ul schrijft verder dat ook de verbonden aan Israël toebehoren, en dat zijn zowel de verbonden in de TeNaCH zoals het verbond met Av’raham, Yitz’chaq en Ya’aqov, het verbond met Moshe en het verbond met David, alsook het Nieuwe Verbond in Zijn bloed, dat Yeshua met het Huis van Israël en het Huis van Juda gesloten: “Zie, de dagen komen, luidt het woord van Adonai, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een Nieuw Verbond sluiten zal. Niet zoals het Verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik Heer over hen ben, luidt het woord van Adonai. Maar dit is het Verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord van Adonai: Ik zal Mijn Tora in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een G’d zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (Yir’m’yahu [Jeremia] 31:31-34). Sha’ul schrijft, dat de Eeuwige ook Zijn Tora aan Israël heeft geschonken, zoals ook in Tehilim [Psalmen] 147:19-20 geschreven staat: “Hij maakt Zijn woorden aan Ya’aqov bekend, Zijn wetten en voorschriften aan Israël. Met geen ander volk heeft Hij zich zo verbonden, met Zijn wetten zijn zij niet vertrouwd!” De eredienst of wijze van aan-bidding in de Mish’kan [Tabernakel] die aan Israël in de woestijn gegeven was, werd later te Yerushalayim [Jeruzalem] in Beit-haMiq’dash [de Tempel] voortge-zet. Sha’ul had het ook over de beloften die aan Israël gegeven werden. Deze beloften begonnen met de roeping van Av’raham, gaan door de gehele geschiedenis van Israël heen tot de wederkomst van de Mashiach, het Messiaanse vrederijk en uiteindelijk het herstelde Paradijs op de nieuwe aarde, beloften die strekken vanaf Genesis tot aan Openbaring.

    Vers 5: “omwille van het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit de Mashiach is voortgekomen. G’d, die boven alles verheven is, zij geprezen tot in eeuwigheid! Amen.”

    In de hier geciteerde nieuwe vertaling staat de volgende voetnoot: “Ook mogelijk is de vertaling: “en waaruit de Mashiach is voortgekomen - Hij die G’d is, die boven alles verheven is en geprezen zij tot in eeuwigheid!” - Wel, of men de ene of de andere vertaling neemt maakt nogal een groot verschil, want afhankelijk waar een komma of een punt geplaatst wordt getuigt deze tekst namelijk in de ene vertaling dat Yeshua de Eeuwige zelf is, en in de andere niet. Het spreekt voor zich dat de Nieuwe wereldvertaling van het Wachttorengenootschap voor dat laatste kiest: “…en uit wie Christus is gesproten naar het vlees: G’d, die boven allen is, zij gezegend in eeuwigheid.” De Groot Nieuws Bijbel daarentegen vertaalt het op dezelfde wijze als de voetnoot in de NBV aangeeft: “ze stammen af van de aartsvaders en als mens behoort Christus tot hun geslacht, Hij die G’d is, boven alles verheven en te prijzen voor altijd! Amen.” Ook de Willibrord-vertaling kiest voor deze versie: “van hen zijn de aartsvaders en uit hen komt Christus lijfelijk voort, Hij die G’d is, boven alles verheven en geprezen tot in eeuwigheid! Amen.” - Welke vertaling is juist? Laten we even naar de grondtekst kijken:

    hōn hoi pateres kai ex hōn ho Christos to kata sarka ho ōn epi pantōn Theos eulogētos eis tous aiōnas amēn

    Letterlijke vertaling: “Van wie de vaderen en uit wie de Christus het naar vlees de zijnde over alles G'd geloofd tot in de eeuwigheden amen”

    Wel, hier zien we helemaal geen punt of komma staan, dus daar schieten we niet zo veel mee op, want het ontbreken hiervan geeft ruimte voor beide vertaalmogelijkheden. Gelukkig kunnen wij voor een betere analyse van deze tekst ook nog de Studie-bijbel raadplegen. Daarin lezen wij de volgende uitleg van vers 5: “De opsomming van voorrechten van het Joodse volk wordt afgesloten met een climax: Jezus Christus, de Here, behoort immers tot het volk Israël! Daarvoor noemt Paulus nog 'de vaderen'. Bedoeld worden de aartsvaders Abraham, Isaäk en Jacob. G’d verbond Zijn naam aan hun namen (Ex 3:13; 4:5). Aan hen gaf G'd Zijn beloften en in Christus worden deze beloften vervuld. Aangezien Christus 'uit hen', d.w.z. uit het volk der Joden afkomstig is, wordt het volk Israël vanaf het begin (Abraham) tot het einde van de geschiedenis (Christus) betrokken in G'ds beloften en in Zijn heilsplan. Zorgvuldig voegt Paulus toe: to kata sarka (wat het vlees betreft; wat Zijn menselijke natuur betreft, stamt Jezus Christus uit het volk Israël. De nu volgende woorden worden in de diverse vertalingen verschillend vertaald; dit hangt samen met het feit, dat in de oudste handschriften punten en komma's ontbreken. De vraag is, of het hier gaat om een lofprijzing aan G'd de vader ('geprezen zij G'd tot in de eeuwigheid'; vgl. 1:25; 2 Kor 11:31), of om een lofprijzing aan de Christus ('Christus, welke is G'd boven alles, geprezen tot in eeuwigheid'; SV). Voor het eerste pleit misschien, dat Paulus nergens anders Christus rechtstreeks 'G'd' noemt. Voor het tweede pleit, dat de uitdrukking 'wat het vlees betreft' net als in 1:3 roept om een verklaring, wie of wat Christus dan wel is, wanneer het niet het vlees betreft. Paulus heeft de g'ddelijkheid van Jezus Christus elders voldoende betuigd (vgl. Fil 2:6), zodat we ons niet behoeven te verbazen, wanneer hij nu Christus 'G'd' noemt.” - Tot zover het commentaar van de Studiebijbel.

    Vers 6: “G’d heeft Zijn belofte niet gebroken. Want niet alle Israëlieten behoren werkelijk tot Israël,”

    Weet u, Israël is enerzijds een volk zoals elk ander volk, maar daarnaast of beter gezegd juist op de eerste plaats is Israël G’ds volk! Men kan als Jood geboren worden, maar daar verder niets mee doen. Dan is men etnisch gezien wel een Jood, maar leeft als een Goi. En zo iemand dan in Israël gaat wonen dan wordt hij Israëlisch staatsburger op grond van de wet op terugkeer als hij kan aantonen dat hij uit Joodse ouders geboren is. Dan behoort hij weliswaar tot Israël, maar dat wil nog niet zeggen dat hij ook geestelijk gezien tot Israël als zijnde G’ds volk behoort en in de beloften kan delen, want daarvoor moet hij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Alle in de Tora genoemde beloften van Adonai ten opzichte van Zijn volk Israël, waarover Sha’ul het in vers 4 had, zijn namelijk conditioneel en dus niet onvoorwaardelijk. Israël is en blijft weliswaar G’ds uitverkoren volk, maar dat geldt niet automatisch voor elke individuele Israëliet, laten we dat goed beseffen! Het was en is niet voldoende om het vlese-lijke zaad van Av’raham te zijn om de zegeningen van Adonai deel te worden. Het feit van de etnische afkomst alleen maakt een Israëliet nog niet tot een uitverkoren werktuig van Adonai, want daarvoor moeten namelijk al de voorwaarden die de Eeuwige daarvoor stelt, nauwkeurig worden nagekomen. Het niet nakomen van deze voorwaarden der beloften ontslaat de Eeuwige van de vervulling ervan ten opzichte van iedere individuele persoon die deel uitmaakt van Zijn volk. Degenen onder ons, die wekelijks de Parasha lezen, weten precies wat ik daarmee wil zeggen. Denk maar aan de Parasha Qorach (B’mid’bar [Numeri] 16:1-18:32), waarin wij lezen dat Qorach, Datan en Aviram samen met 250 vooraanstaande Levieten in één oogwenk door de Eeuwige gedood werden vanwege hun opstandigheid en g’ddeloosheid. Denk maar aan de Parasha Balaq (B’mid’bar [Numeri] 22:2-25:9), waarin op één dag 24.000 Israëlieten werden gedood omdat ze zich lieten verleiden tot afgoderij en hoererij. En iedereen kent ook het verhaal van het gouden kalf. Dit zijn slechts drie voorbeelden van velen waaruit blijkt dat het feit dat men een geboren Israëliet is nog geen garantie geeft dat men daardoor ook automatisch deel uitmaakt van het uitverkoren volk, want de Eeuwige zegt nadrukkelijk dat wie Zijn geboden en inzettingen niet naarstig onderhoudt, uitgeroeid zal worden uit het midden van Zijn volk. Een gelovige uit de volken daarentegen, een niet-jood die in Yeshua gelooft en ook de Tora naleeft, maakt in tegenstelling tot de ongelovige Israëliet wel deel uit van G’ds uitverkoren volk en mag derhalve delen in G’ds beloften voor Israël.

    Vers 7: “niet alle nakomelingen van Av’raham [Abraham] zijn ook werkelijk zijn kinderen. Er staat immers geschreven: ‘Alleen de nakomelingen van Yitz’chaq [Isaak] zullen gelden als jouw nageslacht.’”

    Niet voor alle lichamelijke nakomelingen van Av’raham geldt dat voor hen de belofte van Adonai van toepassing is, want in B’reshit [Genesis] 17:19-21 (Willibrord-vertaling) zegt de Eeuwige tegen Av’raham: “Uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en u zult hem Yitz’chaq noemen. Met hem en met zijn nakomelingen zal Ik Mijn verbond sluiten, een altijd-durend verbond. Maar ook uw verzoek betreffende Ish’ma’el verhoor Ik. Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaarheid geven en hem zeer talrijk maken. Twaalf vorsten zal hij verwekken en een groot volk zal Ik van hem maken. Maar Mijn verbond zal Ik sluiten met Yitz’chaq, die Sara het volgend jaar op deze tijd zal baren.” En in B’reshit [Genesis] 21:12 (NBV) zegt de Eeuwige tegen Av’raham: “Je hoeft je niet bezwaard te voelen vanwege de jongen of je slavin. Alles wat Sara je vraagt moet je doen, want alleen de nakomelingen van Yitz’chaq zullen gelden als jouw nageslacht!” Hiermee wordt aangetoond dat slechts Israël G’ds uitverkoren volk zal zijn!

    Vers 8: “Dat wil zeggen: ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van G’d, maar gelden als nageslacht van Av’raham op grond van G’ds belofte.

    Met name op deze tekst is de vervangingsleer gebaseerd, want men denkt daarin te lezen dat de gelovige heidenen het geestelijke nageslacht van Av’raham zijn en dat de Kerk het “nieuwe Israël” of het “geestelijk Israël” geworden is, dat in de plaats van het “ongelovige, natuurlijke Israël” is gekomen. Om de vervangingsleer op grond van de Bijbel te poneren gebruiken zij het argument: Een ieder die gelooft in Jezus Christus is een zoon van Abraham”, want in Galaten 3:29 lezen wij: "Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen." Uit deze tekst blijkt dus volgens hen dat de ware kinderen van Av’raham dus niet gebonden zijn aan etnische afkomst, maar geestelijke kinderen van hem zijn. Wel, daar zet ik toch wel wat kanttekeningen bij. Door geloof kan inderdaad een ieder een zoon van Av’raham worden, dat klopt wel, maar dat sluit het fysieke zoonschap van het Joodse volk niet uit. Israël, dat wil zeggen het gelovige deel van de fysieke nakomelingen van Av’raham, Yitz’chaq en Ya’aqov, had, heeft en zal altijd een belangrijke plaats innemen in G’ds heils-plan, want Israël is nog steeds G’ds uitverkoren volk en dat zal het ook altijd blijven.

    Lees meer...   (1 reactie)
    Bijbelstudie over
    DE HEBREEËNBRIEF/
    HA’IGERET AL-HA’IV’RIM
    Deel 1: Hebreeën 2:2, 3:3 en 7:18-19

    Regelmatig krijg ik mailtjes met allerlei vragen over Bijbelse onderwerpen, die ik doorgaans via persoon-lijke e-mails beantwoord. Een enkele keer is de inhoud van de vraag alsook mijn reactie daarop echter van dien aard, dat ik naar aanleiding daarvan een hele Bijbelstudie aan dat onderwerp besteed, zoals destijds met de vraag over de drempelspring-ers. Normaliter kies ik namelijk nooit zelf naar eigen goeddunken de onderwerpen voor mijn Bijbelstudies die ik op mijn website plaats, maar vraag de Eeuwige om een onderwerp op mijn hart te leggen of om mij een teken te geven welk onderwerp ik moet behandelen. Dat had ik destijds ook gedaan met betrekking tot de Bijbelstudie nummer 089 en toen ik dat bewuste mailtje kreeg heeft de Eeuwige mij laten weten dat ‘de drempel’ het onderwerp van die Bijbel-studie zou worden. Heel bijzonder! Dat is ook nu weer het geval bij de totstandkoming van deze studie nummer 108. Een week of drie geleden vond ik een Duitstalig berichtje met bijlage in mijn mailbox, dat afkomstig was uit Zwitserland. Deze broeder zat met een aantal ogenschijnlijke tegenstrijdigheden in de Hebreeënbrief in zijn maag die hem ertoe leiden om zich af te vragen of deze brief überhaupt wel in de Bijbel thuishoort omdat deze volgens hem op talrijke punten in tegenspraak zou zijn met de Tora. In een bijliggende PDF heeft hij mij een hele waslijst van teksten voorgelegd waar hij moeite mee heeft en die hij van vragen en kritische kanttekeningen voorzag, waar ik nader op in moest gaan. Natuurlijk schud ik mijn antwoorden niet zo maar uit de mouw en had ik tijd nodig om het in gebed te brengen en de teksten nauwkeurig te bestuderen zowel in de context waarin ze geschreven waren alsook in de grondtekst en daarna diverse vertalingen met elkaar te vergelijken. Het resultaat hiervan was een 26 pagina’s tellend worddocument, dat ik deze broeder inmiddels als PDF heb toegezonden. Al gauw werd het mij duide-lijk, dat dit de basis zou vormen voor een reeks Bijbelstudies over de Hebreeënbrief, waarin ik ook eerdere vragen van andere mensen en mijn antwoor-den daarop, zal verwerken omdat de Hebreeënbrief bij heel wat mensen toch wel wat vraagtekens oproept. Zo ontstond bij onze Zwitserse broeder de sterke indruk dat deze ‘auteurloze’ brief gebaseerd zou zijn op de vervangingstheologie. Wat dat betreft kon ik hem wel geruststellen, want van vervangings-theologie kan hier absoluut geen sprake zijn omdat er uit de context en de schrijfstijl duidelijk blijkt, dat de schrijver een Jood moet zijn geweest. Ook de talrijke citaten uit de Tora en zijn kennis met betrekking tot de offerrituelen wijzen in deze richting. Bovendien zouden de Joodse lezers de aan hen gerichte brief beslist niet geaccepteerd hebben als de auteur een nietjood was geweest die dan ook nog het bestaans-recht van het Jodendom ter discussie gesteld zou hebben. Verder ontstond bij onze Zwitserse broeder de indruk dat de schrijver van de Hebreeënbrief tot doel had het Jodendom te kleineren om op deze wijze te laten zien dat het christendom beter zou zijn dan het Jodendom. Ook daarin kon ik hem met een gerust hart laten weten dat dit helemaal niet het geval is. Zowel de afzender alsook de ontvangers van deze brief waren geen christenen, maar Messiasbelijdende Joden, want het christendom bestond in die tijd helemaal nog niet! Om deze reden is de bewering dat de auteur zijn lezers ervan wilde overtuigen dat het christendom beter dan het Jodendom zou zijn volstrekt onmogelijk. Als er überhaupt sprake is van een vergelijking dan sowieso alleen maar tussen het Messiasbelijdende Jodendom en het rabbijnse Jodendom. Onze broeder wees mij erop dat de Joden in Berea dagelijks de Schriften nagingen om te verifiëren om de dingen die Sha’ul [Paulus] en Silas verkondigden, ook zo waren. (Handelingen 17:11). Dat zouden ze volgens hem ook gedaan hebben met betrekking tot de Hebreeënbrief als die aan hen gericht was. Toch zou dat naar het Bijbelse principe nog door een tweede getuige bevestigd moeten zijn, maar zij hadden volgens hem destijds toch alleen maar het Oude Testament? Hij vraagt zich dus af hoe ze dan de betrouwbaarheid van deze leerstellingen konden controleren. Wel, dat de Joden in Berea ‘slechts’ de TeNaCH gehad zouden hebben om de vraagstukken betreffende de wetten en inzettingen te verifiëren, klopt niet helemaal. Daartoe stonden de Joden toen en nu ook de Talmud met de Mishna en Gemara alsook vele andere rabbijnse Geschriften waaronder de Tosefta en de Midrash ter beschikking. Het is vanouds in het Jodendom gebruikelijk om in discussies en vragen met betrekking tot de Tora deze op schrift gestelde uitleggingen en toelichtingen van de oude rabbijnen te raadplegen. Dat moet dus ook het geval geweest zijn met de Hebreeënbrief. Onze Zwitserse broeder vraagt zich dus af hoe de Joden in Berea gereageerd zouden hebben als er iemand naar hen toe was gekomen om hen datgene te onder-wijzen wat in de Hebreeënbrief staat beschreven. Zouden ze hem wel met open armen hebben ontvangen of zouden ze hem gestenigd hebben? Ik ben van mening dat ze dan ook alle rabbijnen hadden moeten stenigen, want ook hun leerstellingen voldoen niet altijd aan de letterlijke inhoud van de Tora. Laten we nu gaan kijken welke teksten in de Hebreeënbrief bij deze broeder en ook andere lezers zoveel vragen oproepen. Deze teksten zal ik standaard uit de NBG-vertaling citeren, maar er voor de duidelijkheid ook andere vertalingen naastleggen.

    Hoofdstuk 2, vers 2:
     “Want indien het woord, door bemiddeling van engelen gesproken, van kracht is gebleken, en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtmatige vergelding heeft ontvangen…”

    “Want als het door engelen gesproken woord al zo veel rechtskracht bezat dat op elke overtreding en ongehoorzaamheid een rechtmatige straf volgde…”  (Nieuwe Bijbelvertaling).

    “Want als het door engelen gesproken woord zo’n gezag had dat elke overtreding of ongehoorzaamheid haar rechtmatige vergelding ontving…”  (Willibrordvertaling).

    “De boodschap die eens door tussenkomst van engelen is bekendgemaakt, was van een zo grote waarde dat iedereen die zich niets van haar aantrok en niet naar haar luisterde, zijn verdiende straf kreeg.” (Groot Nieuws Bijbel).

    Vraag: Waar haalt de schrijver van de Hebreeënbrief het vandaan dat het woord, met inbegrip van G’ds wetten door tussenkomst van engelen aan ons mensen is bekendgemaakt? Hoorde Moshe op de berg Sinaï rechtstreeks de stem van G’d, of waren het engelen die met hem spraken? En zo ja, waar staat dat dan? Zijn er ook nog andere Bijbelteksten waar engelen in dit verband worden genoemd?

    Antwoord: Dat hier met betrekking tot de wetgeving op de berg Sinaï over engelen gesproken wordt, komt rechtstreeks uit de Joodse traditie en was de ontvangers van de Hebreeënbrief dus zonder meer bekend. In totaal zijn er inderdaad nog drie andere teksten met deze strekking. In Handelingen 7:38 zei Stefanus in zijn verdedigingsrede vlak voordat hij gestenigd werd: “Deze is het, die in de vergadering in de woestijn met de engel was, die tot hem sprak op de Sinaï en met onze vaderen en hij ontving levende woorden om die u te geven.” (NBG-vertaling). “Hij was het die, toen het volk in de woestijn bijeen was, als bemiddelaar optrad tussen onze voorouders en de engel die op de berg Sinaï tegen hem sprak, hij was het die de levenbrengende woorden ontving om ze aan ons door te geven.” (Nieuwe Bijbelvertaling). “Hij is het die in de gemeenschap in de woestijn bij onze vaderen was en bij de engel die op de berg Sinaï met hem sprak; hij ontving woorden van leven om ze aan ons te geven.” (Willibrordvertaling). “Hij is het ook die, toen het hele volk daar in de woestijn was, bemiddelde tussen de engel die tot hem sprak op de berg Sinaï en onze voorouders. Hij heeft van hem woorden gehoord die levend maken, om ze aan ons door te geven.”  (Groot Nieuws Bijbel). Enkele verzen verderop, in Handelingen 7:53, voegde Stefanus daar nog aan toe: “…gij, die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen, doch haar niet hebt gehouden.” (NBG-vertaling). “…u die de wet ontvangen hebt door tussenkomst van de engelen, maar er niet naar hebt geleefd.” (Nieuwe Bijbelvertaling). “…u die door tussenkomst van engelen de wet hebt ontvangen, maar die niet onderhoudt.” (Willibrordvertaling). “…u, die de wet gekregen hebt van de engelen maar er niet naar geleefd hebt.” (Groot Nieuws Bijbel). Ook Sha’ul [Paulus] noemt in Galaten 3:19 engelen met betrek-king tot de wetgeving: “Waartoe dient dan de wet? Om de overtredingen te doen blijken is zij erbij gevoegd, totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg, en zij is op last van G’d door engelen in de hand van een middelaar gegeven.” (NBG-vertaling). “Waartoe is dan de wet? Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand des middelaars.” (Statenvertaling). “Waarom dan toch de wet? De wet is later ingevoerd om ons bewust te maken van de zonde, in de tijd dat de nakomeling aan wie de belofte was gedaan nog komen moest. Ze werd door engelen aan een bemiddelaar gegeven.” (Nieuwe Bijbelvertaling). “Waartoe dient dan de wet? Die is erbij gekomen met het oog op de overtredingen, tot de komst van het nageslacht op wie de belofte betrekking heeft. Ze is uitgevaardigd door engelen door tussenkomst van een middelaar.”  (Willibrordvertaling).

    Vraag: Wat zou nu de ware reden geweest zijn wat de verzamelde Joden ertoe dreef om Stefanus te stenigen? Was het zijn beschuldiging dat ze de wet niet hebben gehouden? Dat ze de wet niet hebben nageleefd en G’ds geboden en inzettingen niet hebben gevolgd? Dat wisten ze maar al te goed, want dat hebben de profeten hen al voldoende voorgehouden! Of vormde juist de bewering, dat de wet van engelen afkomstig was, de aanleiding tot de steniging?

    Antwoord: De uitspraak van Stefanus, dat wij de wet door tussenkomst van engelen hebben ontvangen, en dat het een engel was die met Moshe sprak op de berg Sinaï kan helemaal niet de aanzet geweest zijn die de verzamelde Joden tot zijn steniging dreef, want anders hadden ze zoals gezegd ook hun eigen rabbijnen moeten stenigen, want zij onderwezen in de synagogen namelijk precies hetzelfde. Dit wordt ook bevestigd door een aantal christelijke bijbeldeskun-digen. Zo staat er in de Stuttgarter familiebijbel m.b.t. Hebreeën 2:2 het volgende commentaar: "Volgens de opvatting van de schriftgeleerden vond het contact tussen G’d en Mozes bij de wetgeving plaats door de bemiddeling van een engel." In een soortgelijk commentaar lezen wij in de Duitse Bijbel-vertaling van Hamp, Stenzel en Kürzinger: "Reeds in de overdracht van de wet door engelen, zoals de Joodse theologie veronderstelt, en door de bemiddeling van Mozes ..." Stefanus citeerde dus gewoon de oude rabbijnen zoals iedere Jood het zou doen bij een poging om Torateksten uit te leggen.

    Vraag: Kan daadwerkelijk vanuit de Tora aangetoond worden, dat G’d door tussenkomst van engelen Zijn geboden en inzettingen aan de mensen heeft gegeven? Is deze leer, dat engelen de wet van G’d hebben overgebracht, terug te vinden in de TeNaCH?

    Antwoord: Niet in het oorspronkelijke Hebreeuwse, maar wel in de Griekse vertaling van de TeNaCH, de Septuaginta, die door 70 rabbijnen in Alexandrië werd samengesteld en kortweg bekend staat als LXX. In de Tora staat weliswaar geen directe verwijzing naar de betrokkenheid van engelen bij de wetgeving, maar een indirecte verwijzing vinden wij wel in Sh’mot [Exodus] 19:18 en D’varim [Deuteronomium] 4:11-12 waarin staat, dat de verschijning van de Eeuwige aan Moshe op de berg Sinaï begeleid werd door winden en vuurvlammen, verschijningsvormen van engelen, zoals in Tehilim [Psalmen] 104:4 wordt beschreven: “Hij maakt Zijn engelen tot hulpvaardige geesten, Zijn dienaren tot vlammend vuur.” (Herziene Statenvertaling). “Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.”  (Statenver-taling, Jongbloed-editie). “Gij maakt de winden tot uwe Engelen, en de vuurvlammen tot uwe dienaars.”  (Lutherbijbel). In de Griekse vertaling van D’varim [Deuteronomium] 33:2 wordt de aanwezigheid van tienduizenden engelen bij de wetgeving op de berg Sinaï vermeld in de Talmud heeft Moshe zelfs een verhitte discussie met de engelen: “Rabbi Yehoshua, de zoon van Levi, heeft gezegd: Nadat de B’nei Yis’ra’el de Tien Woorden hadden gehoord en Moshe weer naar beneden was gegaan, werd hij door HaShem opnieuw naar boven geroepen om de stenen tafelen, waarop de Tien Woorden stonden geschreven, in ontvangst te nemen. Toen Moshe naar de hoogte opsteeg, begonnen de engelen te klagen bij de Heilige-gezegend-zij-Hij: “Heer van het heelal,” jammerden zij, “wat doet die aardbewoner in ons midden?” Hij sprak tot hen: “Hij komt de Tora in ontvangst nemen!” Zij zeiden echter: “Moet de verborgen kostbaarheid, die Gij voor 974 generaties voor de schepping verzegeld hebt gehouden, nu overhandigd worden aan de stervelingen? Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet? (Tehilim [Psalmen] 8:5). Eeuwige, onze Heer, hoe machtig is Uw naam op heel de aarde. U die aan de hemel Uw luister toont!” (Tehilim [Psalmen] 8:2). De Heilige-gezegend-zij-Hij sprak tot Moshe: “Antwoord hen!” Maar Moshe antwoordde Hem: “Heer van het heelal, ik ben bang dat ik door de adem van hun mond zal verschroeien!” Hij sprak tot hem: “Klamp je vast aan Mijn troon en antwoord hen, want er staat geschreven: Hij bedekt de aanblik van Zijn troon door daarover zijn wolken uit te spreiden!” (Iyov [Job] 26:9). Toen sprak Moshe tot de engelen: “Er staat geschreven: ‘Ik ben de Eeuwige, uw G’d, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb!’ Waar waren jullie in Egypte? Waren jullie soms slaven van de farao? Wederom staat er geschreven: ‘Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben!’ Leven jullie soms tussen volkeren die afgoderij bedrijven? Ook staat er geschreven: ‘Gij zult de naam van de Eeuwige, uw G’d, niet ijdel gebruiken!’ Sluiten jullie soms handelsovereenkomsten af waarbij je moet zweren? En er staat geschreven: ‘Gedenk de Shabatdag dat gij die heiligt!’ Werken jullie soms waardoor jullie Shabatrust nodig hebben? Wederom, wat staat er geschreven? ‘Eer uw vader en uw moeder!’ Hebben jullie soms ouders? De Tora zegt: “Gij zult niet doodslaan!” Is in de hemel soms bloedvergieten? Het zegt ook: ‘Gij zult niet echtbreken!’ Zijn jullie soms getrouwd waardoor jullie deze waarschuwing nodig hebben? Ook zegt de Tora: ‘Gij zult niet stelen!’ Is hier in de Hemel soms goud of zilver om te stelen? Eveneens zegt de Tora: ‘Gij zult niets begeren dat van uw naaste is!’ Is er soms jaloezie en nijd in jullie midden? Bezitten jullie soms yotser hara [slechte neigingen], zoals de menselijke wezens? Hoe zullen de Tien Woorden dan betrekking op jullie kunnen hebben? De engelen gaven toe dat Moshe gelijk had en allen werden zijn vrienden!”  (armg Gemara Shabat 88b). Dit Talmudcitaat klinkt weliswaar niet erg geloofwaardig, toont echter wel duidelijk aan dat de in Hebreeën 2:2 vermelde opvatting dat de Eeuwige bij de wetgeving door engelen tot Moshe gesproken heeft, uit de Joodse traditie afkomstig is.

    Hoofdstuk 3, vers 3:
     “Want Hij is zoveel groter heerlijkheid dan Mozes waardig gekeurd, als de bouwmeester hoger eer geniet dan het huis.”

    “Jezus echter werd groter eer waardig geacht dan Mozes, zoals de bouwer van een huis meer eer krijgt dan het huis zelf.” (Nieuwe Bijbelvertaling).

    “Hij heeft groter eer verdiend dan Mozes, voorzover namelijk de bouwer meer waard is dan het huis dat hij bouwt.” (Willibrordvertaling).

    “Maar Jezus is een grotere eer waardig dan Mozes, omdat de bouwer van het huis meer eer verdient dan het huis zelf.” (Groot Nieuws Bijbel).

    Vraag: Ik wil Yeshua de nodige eer niet onthouden, maar verlaagt wat Hebreeën 3:3 hier zegt, niet Moshe en daarmee ook het Jodendom? In het laatste boek van de Tora staat, dat Mozes zelf spreekt over een profeet die zijn zal zoals hij en dat Israël naar hem moet luisteren. In de Tora is er geen aanwijzing dat deze profeet - die dus inderdaad de Messias is - hoger zou zijn dan Mozes zelf, maar dat hij aan hem gelijk zou zijn, met hetzelfde gezag.

    Antwoord: Dat Hebreeën 3:3 Moshe en daarmee ook het Jodendom zou verlagen is volstrekt onmogelijk! Geen enkele Joodse schriftgeleerde zou Moshe en het jodendom ooit omlaag willen halen, maar allemaal zijn het er wel over eens dat de Mashiach hoger is dan Moshe, die slechts een sterfelijk mens was. Het tekstgedeelte waarin Moshe over de komende profeet gesproken heeft, vinden wij in D’varim [Deuterono-mium] 18:15. Daar staat inderdaad: “Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Eeuwige, uw G’d, u verwekken; naar Hem zult gij luis-teren.” De toevoeging "zoals ik het ben" heeft alleen betrekking op het gezamenlijke ambt van de profeet en niet op de persoon zelf. Natuurlijk is de Mashiach ook een profeet, maar niet alleen dat. Hij is veel meer dan alleen een profeet. Hij is ook de zoon van G’d! Hij is ook de Koning der koningen en Hij heeft de Naam boven alle namen, wat van Moshe niet gezegd kan worden! In B’mid’bar [Numeri] 12:7 zei de Eeuwige, dat Hij aan Moshe Zijn hele huis heeft toevertrouwd, maar van Yeshua heeft Hij gezegd: "Dit is Mijn geliefde Zoon in Wie Ik Mijn welbehagen heb!" Ziet u het verschil?
    Lees meer...   (1 reactie)
    Bijbelstudie over
    GOG EN MAGOG - GOG UMAGOG
    Ezechiël 38 en 39
     
    In onze vorige Bijbelstudie kwamen wij tot de conclusie dat de wereld volgens de Bijbel zeer zeker niet in het jaar 2012 zal vergaan, maar dat het best mogelijk kan zijn dat er in dit jaar een aantal ingrijpende gebeurtenissen kunnen plaats vinden, die aan de komst van de Antichrist en dus aan het begin van de laatste 7 jaren voor de wederkomst van Yeshua vooraf zullen gaan en door Yeshua zelf alsook door de profeten zijn voorspeld. Een van deze profeten was Ezechiël. Hij voorspelde een grootschalige oorlog tegen Israël alsook een grote aardbeving. Het gevolg daarvan zal een hongersnood zijn en een financiële chaos, en het zal juist de nasleep van deze rampen zijn, die de Antichrist op de voorgrond zal brengen. Zodra wij deze dingen om ons heen zien gebeuren, zullen wij weten dat de Antichrist klaar staat om als de grote redder in de nood en oplosser van alle problemen op het toneel te verschijnen. Daarom moeten wij waakzaam zijn en het nieuws goed in de gaten houden. De eerstvolgende oorlog tegen Israël kan dus het startsein betekenen voor de op één na laatste etappe voor de finish. Deze oorlog wordt heel gedetailleerd beschreven in Yechez’q’el [Ezechiël] 38 en 39. Om de betrouwbaarheid van deze profetie te kunnen testen wil ik u adviseren om eerst de beide daaraan voorafgaande hoofdstukken aandachtig te lezen omdat de voorzegging van deze grote oorlog namelijk in een duidelijke chronologische opsomming van een aantal gebeurtenissen staat, die inmiddels reeds plaatsgevonden hebben alsook van een aantal gebeurtenissen die daarna plaats zullen vinden. De hoofdstukken 36 en 37 spreken namelijk van het herstel van het land Israël en de terugkeer van de Israëlieten uit de verstrooiing in hun eigen vaderland
    Daarna wordt de oorlog in de hoofdstukken 38 en 39 beschreven en vanaf hoofdstuk 40 volgt de herbouw van de tempel en het herstel van de eredienst, wat gerealiseerd zal worden door het verdrag tussen de Antichrist en de leiders van Israël. In een overeen-komstige volgorde wordt eerst het materiële herstel van de Israël als natie in het beloofde land en daarna de geestelijke wedergeboorte van het volk in hoofd-stuk 37 aan de profeet geopenbaard in een visioen. In de hoofdstukken 40 tot en met 48 spreekt Ezechiël over een nieuwe tempel en een nieuwe eredienst. In de daar tussenliggende beide hoofdstukken 38 en 39 wijst hij er echter nadrukkelijk op, dat na het materiële herstel van Israël als natie, maar voor de geestelijke wedergeboorte, dit kleine, door G’d uitverkoren landje, zal worden aangevallen door een machtige vijand uit het noorden en zijn bondgenoten. Wie is deze vijand en wie zijn diens bondgenoten? In onze vorige Bijbelstudie hadden we het over de recente oorlogsdreiging vanuit Iran, die wij beslist serieus moeten nemen, maar volgens deze profetie in Yechez’q’el [Ezechiël] 38 en 39 vormt Iran echter niet het hoofdgevaar, want daar wordt over een andere vijand gesproken. Iran zal echter wel als belangrijke bondgenoot deel uitmaken van een omvangrijke alliantie die tegen Israël ten strijde zal trekken en daarom is het van groot belang voor ons om de desbetreffende hoofdstukken vers voor vers nauwkeurig te bestuderen en te analyseren, want Ezechiël zegt zeer interessante dingen over deze invasie. Ik citeer de teksten uit de Tanach in de nieuwe vertaling. Ter verduidelijking zal ik hier en daar ook wel andere vertalingen ernaast leggen.
    Verzen 1 t/m 3: “De Eeuwige richtte zich tot mij: Mensenkind, richt je blik op Gog, de oppervorst van Meshech [Mesech] en Tuval [Tubal], in het land Magog, en profeteer tegen hem. Zeg: Dit zegt de Eeuwige G’d: Gog, oppervorst van Meshech [Mesek] en Tuval [Tubal], Ik zal je straffen!”
    Wie is deze oppervorst Gog? En wie zijn Meshech en Tuval? Waarom zegt de Eeuwige dat Hij hem zal straffen? Waarvoor wil Hij hem straffen? En waar ligt het land Magog waarover hier gesproken wordt? Om degenen die haShem hier bedoelt te kunnen identificeren moeten wij terug gaan naar B’reshit [Genesis] hoofdstuk 10, waar de nakomelingen van Shem [Sem], Cham en Yefet [Jafet], de zonen van Noach worden vermeld. Hier vinden wij de door Ezechiël genoemde namen terug. Yefet was de derde zoon. In vers 2 lezen wij: “De zonen van Yefet waren Gomer, Magog, Madai, Yavan, Tuval, Meshech en Tiras
    Magog, Tuval en Meshech waren dus kleinkinderen van Noach. Zij vestigden zich ten noorden van de Zwarte Zee en oostwaarts. Daarom beschouwen veel Joodse en christelijke Bijbelgeleerden een aantal volken van de voormalige Sovjetunie als zijnde de volken waarover in Yechez’q’el [Ezechiël] 38:1-3 wordt gesproken. Magog was volgens B’reshit [Genesis] 10:2 de tweede zoon van Yefet [Jafet]. Zijn nakomelingen namen bezit van het land ten noorden van de Kaukasus. De bekende Joodse geschiedschrij-ver Josephus Flavius heeft reeds in het begin van onze jaartelling geschreven dat de nakomelingen van Magog, die door de Grieken Scythen werden genoemd, zich ten noorden van de berg Ararat in de zuidelijke Kaukasus vestigden, dus in het huidige Rusland. (Antiquitatum Judaicarum I, 6:1). De nakomelingen van zijn broers Meshech en Tuval hebben zich eveneens gevestigd in wat nu in Rusland is. Bijbelverklaarders zijn unaniem van mening, dat Meshech ofwel Mesek de historische naam is die voor Moskou staat, de hoofdstad van het Europese deel van Rusland, terwijl Tuval ofwel Tubal identiek zou zijn aan de hoofdstad van het Aziatische deel van Rusland, Tobolsk. Op zich is dat zo gek nog niet, want inderdaad zijn Moskou in het westen en Tobolsk in het oosten hier duidelijk herkenbaar. De eerder geciteerde historicus Josephus Flavius schreef, dat de volken die in zijn tijd als de Moskevi en de Tobelieten bekend stonden en in de streken ten noorden dan het Kaukasusgebergte leefden, daadwerkelijk van respectievelijk Mesek en Tubal afstamden. Ook Herodotus, een Griekse filosoof uit de vijfde eeuw voor Christus, zou de inwoners van Meshech reeds hebben geïdentificeerd met een volk dat de Mosko-vieten werd genoemd. Volgens de Joodse geleerde Wilhelm Gesenius, die in het begin van de negen-tiende eeuw leefde, was Meshech de stichter van het barbarenvolk Moschi, dat in het Moskovisch gebergte woonde. Gesenius verklaarde verder, dat de Griekse versie Moschi van de oorspronkelijk Hebreeuwse naam Meshech, de basis heeft gevormd voor de huidige naam Moskva. Maar dat is nog niet alles. Een andere heenwijzing naar Rusland vinden wij in het Hebreeuwse woord Rosh, dat in de grondtekst van Yechez’q’el [Ezechiël] 38:1-3. Deze verzen luiden als volgt:

    ויהי דבר־יהוה אלי לאמר׃
    בן־אדם שׂים פניך אל־גוג ארץ המגוג נשׂיא ראשׁ משׁך ותבל והנבא עליו׃
    ואמרת כה אמר אדני יהוה הנני אליך גוג נשׂיא ראשׁ משׁך ותבל׃

     

    Vay’hi d’var Adonai elai lemor: Ben Adam sim paneicha el Gog eretz haMagog N’si Rosh Meshech v’Tuval v’hinave alaiv. V’amar’ta ko amar Adonai haShem hineni eleicha Gog N’si Rosh Meshech v’Tuval.
     
    Tot twee keer aan toe staat hier: Gog N’si Rosh Mes-hech v’Tuval, hetgeen in de nieuwe Bijbelvertaling wordt weergegeven met ‘Gog, oppervorst van Mesek en Tubal’, in de NBG-vertaling met ‘Gog, grootvorst van Mesek en Tubal’ en in de Statenvertaling met ‘Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal’. Het woord Nasi betekent ‘vorst’ en Rosh betekent ‘hoofd’, ‘begin’ en ‘aanvoerder’. Vandaar dat de combinatie van de beide woorden Nasi en Rosh doorgaans ver-taald wordt met ‘oppervorst’ of ‘grootvorst’. Volgens sommige Schriftgeleerden kan Rosh hier echter ook worden losgekoppeld van Nasi en gebruikt worden als eigennaam, dus niet als equivalent van het woord ‘hoofd’ of ‘aanvoerder’. Dat hebben destijds de 70 rabbijnen gedaan, die de TenaCH in het Grieks vertaald hadden en in navolging van de Septuaginta staat in o.a. de Leidse Vertaling: “Mensenkind, vestig uw oog op Gog in het land van de vorst van Ros, Mesech en Tubal.” Ook de Duitse geleerde Dr. Keil kwam na een zeer zorgvuldige grammaticale analyse tot de conclusie, dat Rosh in dit geval moet worden vertaald als een eigennaam, dus als Ros, want reeds Byzantijnse schrijvers spraken diverse keren van een volk dat zij Ros noemden. De Joodse geleerde Wilhelm Gesenius schreef in zijn Hebreeuwse Lexicon: “Ros was een aanduiding voor de stammen die in die tijd leefden ten noorden van het Taurusge-bergte, in de buurt van de Wolga.” Op deze wijze kunnen wij ervan uitgaan dat de klankverwantschap van Ros, Mesek en Tubal met Rusland, Moskou en Tobolsk niet op een toeval berust, maar historisch en wetenschappelijk kan worden aangetoond. Wij weten nu over welk land en over welke volken in de verzen 1 t/m 3 wordt gesproken, maar wij weten nog niets over de identiteit van Gog, de vorst waarover Ezechiël het hier heeft.
    Wie is deze man?
    Het enige wat wij over hem weten is dat hij de heerser zal zijn over dat immens grote en uitgestrekte land in het uiterste noorden en dat hij blijkbaar een onbeschrijflijke haat tegen G’ds volk Israël moet hebben, maar let op: hij is NIET de Antichrist, want hij zal reeds ten onder gaan voor de komst van de Antichrist zoals we in de volgende verzen zullen zien. In de loop der tijden hebben velen geprobeerd Gog te identificeren met toenmalige machthebbers in Rusland zoals o.a. de Tsaar en Stalin. Nu is ons oog gericht op een nieuwe kandidaat, die hiervoor eventueel in aanmerking zou kunnen komen: Vladimir Putin! De herverkiezing van de ex-KGB’er Vladimir Putin, die weer als machtigste man in het Kremlin zit nadat hij op 4 maart 2012 met ruim 64 procent van de stemmen de zege had behaald, roept nog steeds vragen op. Meteen al op de eerste dag na de verkiezingen, waarbij er volgens internationale OVSE-waarnemers wederom sprake geweest zou zijn van massale stembusfraude, heeft Putin tijdens groot-scheepse volksprotesten de belangrijkste oppositie-leiders laten oppakken. Dit herinnert ons aan het neerslaan van de grootschalige protesten in Iran als gevolg van de frauduleuze presidentsverkiezingen in 2009, waarbij eveneens de populaire kopstukken van de toenmalige protestbeweging werden opgepakt en waarvan velen nog tot op heden achter de tralies zitten, terwijl de oppositionele media de mond is gesnoerd. Vergelijkbare taferelen doen zich nu ook in Rusland voor. Reeds in de weken voor de omstreden verkiezingen stroomden tienduizenden Russen samen om te demonstreren tegen het autoritaire bewind van Putin, waarbij er volgens zijn critici geen sprake meer is van een vrije pers en evenmin van een werkelijke democratie. Daar komt nog bij dat hij al aangekondigd heeft onmiddellijk te beginnen met het verzwakte Russische militaire apparaat weer op te bouwen met de investering van 772 miljard dollar. Men kan zich natuurlijk afvragen waarvoor dat nodig is, want het lijkt mij meer voor de hand liggend om de verzwakte economie te versterken en de armoede in eigen land te bestrijden in plaats van zo veel geld aan wapens te besteden. Ezechiël 38 blijkt een antwoord te geven op de vraag waarom de nieuwe president van Rusland het zo belangrijk vindt om een sterk leger te hebben terwijl de koude oorlog allang afgelopen is en zijn land tegenwoordig niet meer geconfronteerd wordt met ernstige bedreiging-en voor zijn nationale veiligheid. Heel opmerkelijk zijn hierbij ook Putin’s inspanningen om zijn allianties met de islamitische wereld te versterken. Zo blijft hij Bashar al-Assad, die bezig is zijn eigen volk uit te roeien, onverminderd de hand boven het hoofd houden en is nu ook heel close met het nieuwe bewind in Teheran. Het is weliswaar op het moment dat ik deze studie schrijf nog te vroeg om te zeggen dat wij al aangekomen zijn bij de vervulling van Ezechiël 38 en 39, want Putin heeft Israël immers nog niet recht-streeks bedreigd en heeft nog geen oproep gedaan om Israël aan te vallen, maar hij steunt inmiddels wel alle vijanden van Israël op diplomatiek, financieel en militair gebied. Hij heeft voor miljarden dollars aan wapens verkocht aan o.a. Iran, Syrië, Libië, Algerije en het islamitische deel van Sudan. Hoe dan ook, Putin doet zijn uiterste best om Rusland, dat in de laatste decennia niet meer zo veel voorstelde, weer in volle glorie te laten herrijzen en de politieke en militaire macht te herwinnen en te herbevestigen. Velen zijn derhalve van mening dat Rusland weer terug is bij af en dat Putin zich nu ontwikkelt als een nieuwe Sovjetleider. Deze zorgwekkende ontwikkeling hoeft ons echter niet te verbazen, want zij staat in één lijn met de Bijbelse profetieën voor de eindtijd. Weet u, toen het communisme destijds als gevolg van de perestrojka werd afgeschaft en de Unie van de socialistische Sovjetrepublieken uiteenviel, waren velen van mening, dat de uitleg die o.a. Hal Lindsay en Tim LaHaye in de jaren tachtig van de vorige eeuw over de identiteit van Gog en Magog gaven, achterhaald zou zijn omdat er in Rusland nu sprake zou zijn van echte democratie en vrijheid van menings-uiting, maar niets is minder waar. Ja, natuurlijk is die tijd er wel geweest want anders zouden nooit zo veel Russische Joden in de gelegenheid geweest zijn om naar Israël te emigreren, maar het ziet er naar uit dat er spoedig een einde zal komen aan al deze vrij-heden. Desondanks durf ik de vraag of Putin dezelfde Russische leider is die in de profetie van Ezechiël Gog genoemd wordt, niet ronduit met ‘ja!’ te beantwoor-den. Het is volgens mij op dit moment nog te vroeg om tot deze conclusie te mogen komen, maar hij is in elk geval zeer zeker ‘Gog-achtig’, om hert maar zo te zeggen. Dus wat dat betreft mogen wij deze mogelijk-heid beslist niet uitsluiten, maar wij moeten wel waakzaam zijn en het nieuws goed in de gaten houden. Wij gaan nu verder naar de volgende verzen om te kijken wat de profeet Ezechiël nog meer te zeggen heeft over de oorlogsplannen van Gog tegen Israël en over de identiteit van zijn bondgenoten die hij voor deze invasie gaat optrommelen.
    Verzen 4 t/m 7: “Ik kom je halen, Ik sla haken door je kaak en laat je wegtrekken met heel je leger, met je paarden en ruiters, met je schitterende krijgers, met heel die menigte zwaardvechters, bewapend met kleine en grote schilden; en dan nog de soldaten uit Paras [Perzië], Kush [Nubië] en Put [Libië], met hun schilden en helmen, en Gomer met al zijn troepen, Beit Togarma [het huis van Togarma] uit het uiterste noorden met al zijn troepen: heel veel volken zijn het! Bereid je voor, maak je gereed om die hele menigte die zich bij je heeft aangesloten aan te voeren.”
     
    Uit vers 4 blijkt, dat het initiatief voor deze oorlog eigenlijk uitgaat van de Eeuwige zelf omdat de aanval op Israël in G’ds plan ligt zoals destijds in Egypte ook het geval was met de houding van de Farao tegenover de Israëlieten. De Eeuwige maakt gebruik van de hebzucht en de sterke expansiedrift van Gog om voorgoed met hem af te rekenen. U zult nu misschien denken dat Gog eigenlijk niets te verwijten valt, want als hij door de Eeuwige zelf wordt aangezet om Israël aan te vallen, dan draagt hij daarvoor toch niet de verantwoordelijkheid? Toch wel! Hij is alles behalve onschuldig. Niet voor niets staat in vers 3, dat de Eeuwige hem zal straffen! Waarvoor? Dat staat er niet, maar als de Eeuwige zo boos is dat Hij Gog zo hard gaat straffen, dan zal hij wel heel erge dingen op zijn geweten moeten hebben. Als wij ervan uitgaan dat Magog Rusland is en wij ons even voor ogen halen hoe de Joden door de eeuwen heen door de Russen werden behandeld met als hoogtepunten de wrede pogroms en de strafkampen in Siberië, dan kunnen wij ons daar wel iets bij voorstellen. Ik denk dat Gog zich wel op de ene of andere manier ervan bewust moet zijn, dat Israël geen makkelijke prooi zal zijn en een machtige Beschermer moet hebben, want waarom zou hij anders in zijn strijd tegen zo een piepklein landje de hulp nodig hebben van zoveel machtige bondgenoten terwijl hij zelf over een van de grootste en sterkste legers ter wereld beschikt? Hebt u daar wel eens bij stil gestaan?
    Wie zijn de bondgenoten Paras, Kush, Put, Gomer en Beit Togarma, die straks onder het persoonlijke opperbevel van Gog komen te staan? Wij zullen de bondgenoten een voor een even de revue laten passeren en nader onder de loep nemen. Paras is de eerste, die in dit rijtje genoemd wordt, en dat lijkt mij niet meer dan logisch, want Paras is de Hebreeuwse benaming voor Perzië, dat tegenwoordig Iran heet. Dat is het land dat op dit moment de meeste baat zou hebben bij een grootscheepse aanval op Israël. Daarbij moeten wij ons echter wel van bewust zijn, dat dit alleen maar geldt voor de machthebbers in Teheran, maar niet voor het gewone volk. Het Iraanse volk heeft over het algemeen namelijk geen gevoelens van haat of vijandschap ten opzichte van de Israëli’s, want we moeten niet vergeten dat Israël en het toenmalige Perzië altijd uitstekende vriendschappelijke betrekkingen met elkaar hebben onderhouden totdat de strenge Ayatollah’s in 1979 de macht hebben overgenomen door de islamitische revolutie. Tot op heden koesteren veel Iraniërs warme gevoelens voor de Joden in tegenstelling tot veel gewone burgers in Rusland en andere Oost-Europese landen, die vanouds een antisemitische houding vertonen. Iran is in elk geval de eerstgenoemde en veruit belangrijkste bondgenoot van Rusland om een grootscheepse aanval op Israël te kunnen realiseren. De tweede bondgenoot is Kush, doorgaans vertaald met Ethiopië en in de nieuwe vertaling met Nubië. Beide namen geven echter slechts onvoldoende de oorspronkelijke omvang en dus de ware identiteit van deze bondgenoot aan. Kush was volgens B’reshit [Genesis] 10:6 de oudste zoon van Cham, en dus een kleinzoon van Noach. De nakomelingen van Kush vestigden zich ten zuiden van Egypte en verspreidden zich over de rest van Afrika. Alle Afrikanen met uitzondering van de Noordafrikanen stammen dus af van Kush en niet alleen de Ethiopiërs. Daarom vind ik het enigszins misleidend dat Kush in de Nederlandstalige Bijbels doorgaans als Ethiopië en Kushieten met Ethiopiërs vertaald wordt. Natuurlijk bestond de bevolking van het huidige Ethiopië in Bijbelse tijden uit Kushieten, maar niet alleen in dat land, maar ook in de omring-ende landen zoals bij voorbeeld het huidige Somalië en Sudan en eerlijk gezegd lijkt het mij eerder voor de hand liggend dat deze twee islamitische landen een bondgenootschap met Rusland zullen aangaan in een oorlog tegen Israël dan het christelijke Ethiopië. De derde bondgenoot is Put, doorgaans vertaald met Libië, maar ook bij de Puteërs is het niet zo eenvoudig om hun juiste identiteit vast te stellen. Volgens B’reshit [Genesis] 10:6 was Put de derde zoon van Cham en dus het jongere broertje van Kush. Zijn nakomelingen vestigden zich ten westen van Egypte en verspreidden zich van daar uit over de rest van Noord-Afrika. Libië is uiteraard het westelijke buurland van Egypte en vanzelfsprekend behoren de Libiërs tot de Putieten, maar niet alleen zij. Ook de inwoners van Tunesië, Algerije en Marokko maken deel uit van Put en daarom vind ik ook de vertaling van Put met Libië misleidend en kom tot de conclusie dat wij onder de derde bondgenoot Put beslist meer moeten verstaan dan alleen maar het huidige Libië en met het oog op de politieke ontwikkelingen in deze regio kunnen we er eigenlijk van uit gaan dat het voornamelijk de landen van de zogenaamde Arabische lente betreft, die een golf van haat tegen Israël teweeg gebracht heeft. De vierde bondgenoot is Gomer met al zijn troepen. Gomer was volgens B’reshit [Genesis] 10:2 de oudste zoon van Yefet [Jafet] en dus een kleinzoon van Noach en oudere broer van de eerder genoemde Magog, Meshech [Mesek] en Tuval [Tubal]. Er zijn archeologische aanwijzingen, dat de nakomelingen van Gomer zich ten noorden van de Zwarte Zee in Rusland gevestigd hadden en zich vervolgens zuid- en westwaarts verspreidden naar het uitgestrekte gebied van het tegenwoordige Oost-Europa, dat zich decennialang in de Russische invloedsfeer bevond. Wij kunnen derhalve onder ‘Gomer en al zijn troepen’ globaal de volken achter het voormalige IJzeren Gordijn verstaan. De laatste bondgenoot van Gog, die in Ezechiël 38:6 genoemd wordt, is Beit Togarma ofwel het huis van Togarma. Volgens B’reshit [Genesis] 10:3 was Togarma de derde zoon van Gomer, maar dat hij als bondgenoot van Gog apart genoemd wordt terwijl dat met de overige zonen van Gomer niet het geval is, zal waarschijnlijk zijn oorzaak vinden in het feit, dat zijn nakomelingen zich in een gebied hebben gevestigd, dat ver vandaan ligt van dat van zijn broers. Op grond van archeologische bewijzen vinden wij een deel van Togarma’s nageslacht terug in de Turkomaanse stammen. Deze Turkistani zijn etnische Turken en daarom ligt het voor de hand dat men ook de inwoners van het huidige Turkije kan rekenen tot de nakomelingen van Togarma. Het ‘huis van Togarma’ kunnen wij derhalve gedeeltelijk identifi-ceren met het historische Turkestan in Centraal-Azië, dat nu de voormalige Sovjetrepublieken Uzbekistan, Turkmenistan, Tadzjikistan, Kazachstan en Kirgizië omvat. Togarma wordt echter door de Armeniers beschouwd als de grondlegger van hun volk, want enkele der zonen van Togarma stichtten Armenië, zoals de Armeniërs zelf tegenwoordig beweren. Armenië ligt ten zuidoosten van de Zwarte Zee en overlapt de oostelijke grens van Turkije. Volgens sommige geleerden is Togarma waarschijnlijk ook de oorsprong geweest van de Kozakken en andere volken uit het oostelijk deel van Rusland. Ezechiël sluit zijn opsomming van Ruslands bondgenoten af met de woorden: “Heel veel volken zijn het!” Daaruit kunnen wij concluderen dat de vijf genoemde namen slechts verzamelbegrippen waren voor een groter aantal van volken en er derhalve sprake is van een onbeschrijflijk grote internationale en multiculturele troepenmacht die zijn krachten bundelt om één van de kleinste landen aan te vallen: Israël!
    Wat moeten de Russen toch verschrikkelijk bang zijn voor dit kleine landje als ze zoveel bondgenoten moeten optrommelen om hen hierbij te helpen. Toch ondanks hun grote overmacht zal het voor hen uitlopen op een fiasco.
    Verzen 8 en 9: “Over lange tijd, in de verre toekomst, zul je bevel krijgen om op te trekken tegen een land dat zich nog maar net van de oorlog hersteld heeft, tegen een volk dat uit vele volken weer is samengebracht op de bergen van Israël, die lange tijd verlaten zijn geweest. Teruggekeerd leeft het daar zonder zorgen. Met je troepen en al je bondgenoten zul je optrekken als een stormwind, als een wolk die het land overdekt.”
    Deze profetie van Ezechiël bevat een aantal aan-wijzingen die duidelijk aangeven op welke tijd deze betrekking heeft. Ten eerste noemt de Eeuwige een bepaald tijdstip: ‘over lange tijd, in de verre toe-komst’. In andere vertalingen wordt het omschreven als ‘in de toekomende jaren’ of ‘in de laatste jaren’. Het gaat hier dus om de tijd kort voor de komst van de Antichrist. De tweede aanwijzing over het tijdstip waarop deze invasie zal plaats vinden zien wij in de beschrijving van de omstandigheden waarin Israël op dat moment zal verkeren. Gog en zijn bondgenoten zullen volgens de verzen 8 en 9 namelijk optrekken tegen een land dat zich juist hersteld heeft van de oorlog en wiens bewoners uit vele volken bijeenge-bracht zijn en nu veilig op de bergen van Israël wonen in steden, die eens volledig verwoest waren en lange tijd verlaten zijn geweest. Ezechiël’s beschrij-ving van de omstandigheden in Israël op het moment waarop een geallieerd leger vanuit het noorden in een bliksemoorlog zal aanvallen, lijkt precies op de omstandigheden in het hedendaagse Israël dat zich inderdaad hersteld heeft van de pogroms, de holo-caust en diverse oorlogen en waarvan de bevolking daadwerkelijk vanuit de hele wereld teruggekeerd is om zich te vestigen in de ooit verwoeste steden van hun voorouders. Juist op het moment dat ze zich veilig zullen voelen en daar in gerustheid wonen, zullen zij vanuit het noorden worden aangevallen door Gog en zijn bondgenoten met een militaire macht die groter zal zijn dan de wereld ooit gezien heeft!
    Verzen 10 t/m 12: “Dit zegt de Eeuwige G’d: Als het zover is, zul je boze plannen uitdenken. Je denkt: Dat land van niet-ommuurde steden zal ik aanvallen; ik zal optrekken tegen die argeloze mensen die zo onbezorgd leven in hun steden zonder muren, grendels of poorten. Je gaat erheen om te plunderen, te roven en buit binnen te halen, om de puinhopen die weer bewoond worden aan te vallen. Daar woont een volk dat uit vele volken bijeen is gekomen, dat vee en bezit verworven heeft en nu de navel van de wereld bewoont.”
    Ook deze beide verzen laten glashelder zien dat de profetie zijn vervulling nooit had kunnen krijgen in de tijd waarin de profeet leefde en ook niet in de eeuwen daarna, want het was in zijn tijd ondenkbaar wat Ezechiël schreef. Niet-ommuurde steden bestonden vroeger helemaal niet! Alle steden hadden namelijk muren, grendels en poorten, waar ter wereld dan ook, of nou in het Midden-Oosten was, in Azië, Afrika of Europa, overal dienden de stadsmuren om de bewoners tegen vijandige legers te beschermen. Dit is dus een profetie die door de mensen uit Ezechiëls dagen niet begrepen kon worden en daarmee aangeeft, aan dat de invasie in een verre toekomst zal plaatsvinden in een tijd waarin stads-muren geen enkele rol meer spelen bij de verdediging van een stad. Voor de lezers van nu is het echter een duidelijke beschrijving van het hedendaagse Israël, want er wordt nogmaals vermeld dat het volk dat daar woont bijeen gekomen is uit vele volken en uit verre landen en dat de steden waarvan de ruines eeuwenlang door het woestijnzand bedekt waren weer herbouwd en bewoond zijn. In vergelijking met vroeger bestaat er voor Israël op dit moment inder-daad een voorlopige toestand van relatieve vrede en ongekende welvaart zodat de Israelis daadwerkelijk argeloos en onbezorgd leven, want als je nu op een terrasje in het centrum van Tel Aviv zit of op het strand van Netanya, dan heb je niet het gevoel dat je in het Midden-Oosten bent, maar ergens in Zuid-Europa. Deze grootscheepse invasie zal dus een verrassingsaanval zijn die men niet van tevoren verwacht zal hebben. Het Israëlische leger is wel waakzaam ten opzichte van Hamas en Hizbollah, maar een aanval vanuit Rusland verwacht men In Jeruzalem echt niet, en toch weten wij vanuit deze profetie dat die aanval wel degelijk plaats zal vinden en misschien wel eerder dan we denken.
    Vers 13: “De mensen uit Sheva [Seba] en D’dan [Dedan], de handelaars en heersers uit Tar’shish [Tarsis] zullen tegen je zeggen: Ben je gekomen om te plunderen en te roven? Heb je die hele menigte bijeengebracht om buit binnen te halen? Om goud en zilver weg te graaien, om vee en goederen mee te nemen, om alles te plunderen en te roven?”
    Uit vers 13 blijkt echter, dat er ook nog landen zullen zijn, die deze laffe overval van Gog met zijn reusach-tige legermacht op dit kleine landje aan de Middel-landse Zee zullen veroordelen en daarover hun afkeer zullen uitspreken. Welke landen zullen dat zijn? Als eersten worden hier de inwoners van Sheva [Sheba] en Dedan genoemd, en dat is nogal zeer opmerkelijk omdat het hierbij namelijk om Arabieren gaat. Sheva, dat in de meeste Bijbelvertalingen Sheba of Seba genoemd wordt en in het Arabisch Saba’ heet, bevindt zich immers in het huidige Yemen en Dedan, dat tegenwoordig Al-'Ula heet, in het noorden van het huidige Saoedi-Arabië. Sheva, het rijk van de Sabeërs, dreef handel in kruiden, wierook, goud en edelstenen en is vooral bekend door Makeba, de koningin van Sheba, die Sh’lomo haMelech [koning Salomo] in Jeruzalem bezocht om zijn wijsheid op de proef te stellen, waarmee de Eeuwige hem gezegend heeft (M’lachim alef [1 Koningen] 10:1-13). Het land en volk van Saba’ bevond zich in de tijd van Ezechiël niet alleen in Zuid-Arabië, maar ook in het huidige Ethiopië, hetgeen voor mij een duidelijk bewijs is dat Ethiopië geen deel uitmaakt van Kush, dat samen met Gog tegen Israël ten strijde zal trekken, maar deze invasie juist zal veroordelen. De Dedanieten waren als volk gekenmerkt door hun karavaanhandel en volgens Yechez’q’el [Ezechiël] 27:15-23 waren zowel de kooplieden van Dedan alsook de kooplieden van Sheva belangrijke handelspartners van Israël. Opmerkelijk is hierbij, dat in de verzen 13 en 14 van Tuval, Meshech en Togarma hetzelfde gezegd wordt. Hoe dan ook, aan de hand van hoofdstuk 38:13 kunnen wij concluderen, dat Saoedi-Arabië en Ethiopië zich niet bij de alliantie van Gog zullen aansluiten, maar deze rooftocht juist met scherpe bewoording zullen veroordelen evenals ook Tar’shish [Tarsis] zal doen. Volgens de Bijbel was dat één van de kustlanden aan de Middellandse Zee ten westen van Israël, maar de juiste identiteit is niet meer met zekerheid te achterhalen. Omdat er in diverse Bijbelteksten vermeld staat, dat vanuit Tarsis zilver, ijzer, tin en lood naar Israël werd ingevoerd, gaan sommige geleerden ervan uit, dat de oorsprong van dit handelsvolk, dat talrijke eilanden en kuststreken in de Middellandse Zee koloniseerde, in Spanje zou liggen, dat rijk is aan metalen. Volgens hen kan de hoofdstad van Tarsis daarom geïdentificeerd worden met de oude handelsstad Tartessos, die in de tegenwoordige Spaanse autonome regio Andalusië aan de monding van de Guadalquivir lag, voorbij de zuilen van Hercules. Andere geleerden denken daarentegen eerder aan een havenstad op Sardinië omdat de kooplieden van Tarsis zeevaarders waren of Tarsus in Cilicië, dat een gemengde Griekse en Joodse bevolking had. Misschien moeten we Tar’shish [Tarsis] helemaal niet letterlijk nemen, maar is daar wellicht heel West-Europa mee bedoeld? Hoe dan ook, deze tekst geeft wel aan dat er ook volken zullen zijn die de invasie niet goedkeuren en scherp veroordelen. Maar verder dan een officieel protest gaan ze niet, want er staat nergens geschreven dat zij Israël met militaire middelen zullen steunen. Dus wat dat betreft staat Israël er toch alleen voor… nou ja, alleen? Nee, niet echt! Israël heeft toch wel één bondgenoot, een hele sterke zelfs, maar daar zal Gog nog wel gauw achter komen.
    Verzen 14 t/m 16: “Profeteer daarom, mensenkind, zeg tegen Gog: Dit zegt de Eeuwige G’d: Wanneer Mijn volk Israël een onbezorgd bestaan leidt, zal dat jou bekend worden. Dan komen jij en je vele bondgenoten uit je woonplaats in het uiterste noorden, al die mannen te paard, die grote menigte, dat talrijke leger. Als een wolk die het land overdekt zul je tegen Mijn volk Israël optrekken. Eens zal ik je naar Mijn land brengen, en als ik alle volken door jou, Gog, laat zien dat Ik heilig ben, zullen ze beseffen wie Ik ben.”
    Deze drie verzen geven doorslaggevende aanwijzingen over het tijdstip van de invasie, over de geografische ligging van het land Magog ten opzichte van Israël alsook voor de motivatie van de Eeuwige om het toe te laten dat Gog Zijn land Israël zal aanvallen. De invasie zal plaats vinden als de Israëlieten een onbezorgd leven leiden. Zo lang de Israëlieten in hun eigen land wonen hebben ze nooit een onbezorgd leven geleid. Vanaf het moment dat Yehoshua [Jozua] de Jordaan overgestoken is om het land in bezit te nemen tot aan de laatste Libanonoorlog en de Gaza-oorlog heeft G’ds volk nooit vrede gekend. Altijd was er oorlog, altijd waren er aanslagen en altijd waren er raketbeschietingen. Nu pas is het betrekkelijk rustig en nu schijnt men in Israël daadwerkelijk een onbezorgd bestaan te leiden. Maar dan zullen plotseling geheel onverwachts de vijandelijke legers het land binnenvallen. Door driemaal te verklaren (38:6 en 15 en in 39:2) dat Gog en zijn bondgenoten uit hun woonplaats in het uiterste noorden zullen komen legt Ezechiël grote nadruk op het feit, dat het hier niet om directe buurlanden gaat. De Groot Nieuws Bijbel vertaalt het met “het hoge noorden” en de NBG-vertaling met “het verre noorden” om daarmee aan te duiden dat daarmee in elk geval niet de noordelijke buurlanden Libanon en Syrië mee bedoeld kunnen zijn. Er is maar één land dat in het ‘uiterste noorden’ ligt ten opzichte van Israël: Rusland! En zodra de Russische troepen Israël’s noordelijke grens zullen overschrijden, dan zal de Eeuwige met de vreselijke dingen die Hij met hen zal doen aan de hele wereld Zijn macht laten zien en zij zullen beseffen dat Hij de G’d van Israël is!
    Verzen 17 t/m 22: “Dit zegt de Eeuwige G’d: Ben jij de man van wie Ik in het verleden, jarenlang, bij monde van de profeten van Israël, Mijn dienaren, gezegd heb dat ik hem zou sturen om de Israëlieten aan te vallen? Op de dag dat Gog het land van Israël aanvalt - spreekt de Eeuwige G’d - zal Mijn woede oplaaien. In Mijn hartstocht, in het vuur van Mijn toorn zeg Ik: Op die dag zal een zware aardbeving het land van Israël treffen. De vissen in de zee, de vogels aan de hemel, de wilde dieren, alles wat op het land rondkruipt en alle mensen op aarde zullen voor Mij beven. Bergen zullen wegzinken, bergwanden neerstorten, stadsmuren in puin vallen. Op al Mijn bergen zal Ik het zwaard tegen Gog oproepen - spreekt de Eeuwige G’d - en zijn mannen zullen elkaar met hun zwaard bestrijden. Ik zal Gog straffen met de pest en de dood, Ik laat slagregens, hagelstenen, zwavel en vuur neerkomen op hem, op zijn troepen en al zijn bondgenoten.”
    Wat valt ons hierbij op? Komt het Israëlische leger in actie om zijn land te verdedigen? Nee! De Eeuwige zelf zal ten strijde trekken tegen de vijandelijke legers die tegen Israël oprukken! Wordt er gesproken over Israëlische slachtoffers? Nee! Niet een! Maar alle Russische troepen en hun bondgenoten worden letterlijk verpletterd! Het zal net zo zijn als bij de tocht door de schelfzee. De Israëlieten werden door het water niet aangetast, maar het hele Egyptische leger was verdronken! De rechtvaardige toorn van de Eeuwige zal in alle hevigheid losbarsten als het ogen-blik aanbreekt dat Israël wordt aangevallen door Gog. Deze invasie zal de Eeuwige ziedend maken van woede en Zijn grimmigheid zal opstijgen in Zijn neus. In het vuur van Zijn verbolgenheid zal Hij Israël nog op diezelfde dag treffen met een zware aardbeving die de sterke legers van de vijand zal vermorzelen. Rots-wanden zullen afbreken, bergen zullen ineenstorten en geen muur zal overeind blijven. Met verschrikke-lijke rampen zal de Eeuwige Gog de schrik op het lijf jagen en alle levende wezens zullen huiveren van angst voor de G’d van Israël! Niets tast het zelfver-trouwen en het veiligheidsgevoel sterker aan dan een aardbeving. De verwarring zal zo groot zijn dat de soldaten in de legers van Gog en zijn bondgenoten in paniek elkaar zullen aanvallen. Ze kunnen geen onderscheid meer zien tussen vriend en vijand en daarom zullen hun tanks door hun eigen mensen worden opgeblazen en zullen zij hun eigen vliegtuigen neerhalen! Hier zullen dezelfde taferelen plaats vinden die wij reeds in Shof’tim [Richteren] 7:19-22 tegen kwamen waarin de machtige legers van Israël’s vijanden zodanig door haShem in de war werd gebracht, dat de soldaten elkaar ombrachten en de overlevenden in vrees en paniek haastig wegvluchtten waardoor de Israëlieten een grote overwinning behaalden zonder zelf te hoeven vechten. Die geschiedenis zal zich zeker herhalen, maar daar zal het niet bij blijven! Vuur en zwavel zal de Eeuwige op de troepen van Gog en zijn vele bondgenoten laten neer regenen, onvoorstelbare stortbuien en enorme hagelstenen zullen hen teisteren. De Eeuwige zal met hen in het gericht treden door ziekten, pest en bloed! Hij zal onder hen een slachting aanrichten die zijn weerga niet kent! Zo zal de G’d van Israël Zijn grote macht vertonen en aan alle volken der aarde laten zien wat er gebeurt als iemand aan Zijn oogappel komt, want in Z’char’ya [Zacharia] 2:8 staat geschreven dat de Eeuwige onder Zijn vuist zal verpletteren, die Zijn oogappel aanraken!
    Vers 23: “Ik zal Mijn grootheid en Mijn heiligheid tonen en Mij aan vele volken bekendmaken. Ze zullen beseffen dat Ik de Eeuwige ben!”
    Deze laffe overval van Gog en zijn bondgenoten zal een vernietigend machtsvertoon van de Eeuwige tot gevolg hebben zoals we in de voorgaande verzen hebben gelezen en alle volken zullen getuige zijn van het gericht dat Hij zal voltrekken. Door de eeuwen hebben velen zich afgevraagd: Zullen ook de gelovigen deze aankomende oorlog meemaken? Vanzelfsprekend! Wij zullen het live op de televisie of op het Internet kunnen volgen. De hele wereld zal getuige zijn van G’ds machtsvertoon! Al deze dingen zullen namelijk reeds vóór de grote verdrukking geschieden en dus ook vóór de wegname, en dat is ook logisch, want naar aanleiding van deze geweldige manifestatie van de Eeuwige is er voor ons straks nog heel veel werk aan de winkel. Miljoenen mensen zullen met eigen ogen zien dat G’d echt bestaat en velen zullen op de knieën gaan om de naam van de Eeuwige aan te roepen en Yeshua aannemen als Heer en Verlosser. Ik ben ervan overtuigd, dat wij allen op dat moment de belangrijke taak zullen hebben om nazorg te verlenen, want wat zal er met de nieuwe bekeerlingen gebeuren? Natuurlijk zullen er allerlei sekten en kerken op hen afkomen om hen te indoctri-neren met hun leerstellingen en om deze reden is het van groot belang om hen in de juiste leer te onder-wijzen en om hen te leren om G’ds geboden en inzettingen naarstig te onderhouden. Hun beslissing om Yeshua in hun hart toe te laten en Hem als hun persoonlijke Redder te aanvaarden is slechts het begin. Onze liefde en zorg voor pasbekeerde mensen is ontzettend belangrijk, want hun geestelijke groei en hun ontwikkeling tot vruchtdragende gelovigen hangt geheel af van de juiste informatie die hen wordt aangeboden en de hoeveelheid aan individuele zorg en begeleiding alsook van onze gebeden. Het winnen van nieuwe zielen voor Yeshua en hun groei en verdere ontwikkeling moet een voortdurend harts-verlangen voor ons zijn. Om dat te kunnen realiseren moeten wij er eerst voor zorgen dat wij zelf volwassen en standvastig zijn in ons eigen geloofsleven en over voldoende Bijbelkennis beschikken en ervan doordrongen zijn dat het absoluut noodzakelijk is om ons beschikbaar te stellen voor het verlenen van goede nazorg, overdracht van kennis en hen te leren om alles te onderhouden wat Yeshua ons bevolen heeft, zoals Hij zelf gezegd heeft in Matityahu [Mattheüs] 28:19. Hou er rekening mee dat de oogst weliswaar groot zal zijn, maar dat de oogsttijd niet lang zal duren omdat de Antichrist in de tussentijd al staat te popelen om zich te openbaren door gebruik te maken van de ontstane chaos op te treden als de nieuwe wereldleider. Wij hebben dus niet meer zo veel tijd, laten wij die dus nuttig besteden!
    Hoofdstuk 39, verzen 1 t/m 8: “Mensenkind, profeteer tegen Gog, zeg: Dit zegt de Eeuwige G’d: Ik zal je straffen, Gog, oppervorst van Meshech [Mesech] en Tuval [Tubal]. Ik kom je halen, Ik sleep je mee, Ik laat je uit het uiterste noorden komen en breng je naar de bergen van Israël. Daar sla Ik je boog uit je linkerhand en je pijlen uit je rechterhand. Op de bergen van Israël zul je sneuvelen, met al je troepen en je bondgenoten, en daar geef Ik je ten prooi aan alle soorten roofvogels en aan de wilde dieren. Ook in het open veld zul je sneuvelen. Ik heb gesproken - spreekt de Eeuwige G’d. Magog zal Ik in vlammen doen opgaan, net als de kustbewoners die zich veilig wanen. Ze zullen weten dat Ik de Eeuwige ben. Mijn heilige naam zal Ik aan Mijn volk Israël bekendmaken, Ik zal Mijn heilige naam niet langer laten ontwijden, en de andere volken zullen beseffen dat ik de Eeuwige ben, heilig in Israël. Het komt, het zal gebeuren! - spreekt de Eeuwige G’d. Dat zal de dag zijn waarvan Ik gesproken heb.”
    De eerste 8 verzen van hoofdstuk 39 vormen eigenlijk een korte samenvatting van het gehele voorgaande hoofdstuk. De belangrijkste uitspraken worden herhaald en verder aangescherpt. Wij moeten ‘Gog in Magog’ uit deze profetie van Ezechiël overigens niet verwarren met ‘Gog en Magog’ uit het Openbaring 20:8. De eerstgenoemde Gog, die uit het verre noorden komt, zal reeds minimaal zeven jaar vóór het begin van het duizendjarig Vrederijk ten onder gaan en vernietigd worden, terwijl de laatstgenoemde Gog en Magog, die uit de afgrond omhoog komen en ALLE g’ddeloze machten onder aanvoering van de satan zèlf vertegenwoordigen, pas ná het duizendjarig Vrederijk op het toneel zullen verschijnen om de volkeren te verleiden en de laatste oorlog te voeren tegen de heiligen en tegen de stad die G’d liefheeft. Terwijl de eerste Gog zal vallen door het zwaard (Ezechiël 38:21-22), zal de tweede Gog verslonden worden door vuur uit de hemel (Openbaring 20:9). Maar zo ver is het nog lang niet en daarom beperken wij ons in deze studie tot de Gog uit Ezechiël. Niet alleen deze aartsvijand van Israël en zijn gigantische legermacht zullen door de Eeuwige totaal worden vernietigd, maar ook Rusland zelf zal worden verwoest door een vuurzee die ook de bewoners van de kustlanden zal verteren, die met Gog sympathiseren. En als u goed opgelet hebt, dan zal dat allemaal op één enkele dag gebeuren! De grootscheepse invasie waar misschien wel vele maanden van voorbereiding aan voorafgaan zal binnen één enkele dag afgelopen zijn. In vers 8 zegt de Eeuwige: “Wat Ik heb aangekondigd gaat gebeur-en! Dit zal de dag zijn waarvan Ik gesproken heb!”
     
    Damascus
    Ongetwijfeld was het u al opgevallen, dat juist één van de belangrijkste aartsvijanden van Israël, Syrië, niet genoemd wordt in de lijst van bondgenoten die samen met Rusland en Iran zullen deelnemen aan het offensief tegen Israël. Hoe kan dat nou? Wat zou de reden kunnen zijn, dat uitgerekend het land dat het meest in aanmerking komt als coalitiepartner in deze alliantie ontbreekt? Het lijkt mij niet voor de hand liggend dat Syrië in deze oorlog een neutrale houding zal aannemen of zelfs opeens met Israël bevriend zou zijn. Geen sprake van! Maar welke reden zou er dan zijn waarom Syrië met geen enkel woord in Ezechiël 38 en 39 vermeld wordt? Ik kan slechts één mogelijke oorzaak bedenken: het zou nog wel eens kunnen dat Syrië tegen die tijd helemaal niet meer bestaat! Deze suggestie lijkt op het eerste gezicht misschien wel heel erg ongeloofwaardig, maar toch is dat exact wat er in de Bijbel staat! Talrijke onderzoekers van bijbelse profetieën zijn tot de conclusie gekomen dat het ont-breken van Syrië als bondgenoot van Gog eenvoudig te verklaren zou zijn door het feit dat Damascus al in de beginfase van de oorlog zal zijn uitgeschakeld. In mijn vorige Bijbelstudie heb ik er op gewezen dat de grote verdrukking zal worden voorafgegaan door de hierboven uitgebreid behandelde bliksemoorlog van Gog tegen Israël, maar deze invasie kan op haar beurt zelf ook weer worden voorafgegaan door een andere oorlog die de vernietiging van Damascus en Aroër tot gevolg zal hebben. Dit scenario wordt gedetailleerd beschreven in een profetie van Jesaja: “Zie, Damascus houdt op een stad te zijn, het zal een puinhoop worden, een ruïne. De steden van Aroër zullen verlaten worden, ze zullen voor de kudden zijn. Die zullen daar neerliggen, en niemand zal ze schrik aanjagen. Dan zal de vesting uit Efraïm weggedaan worden, en het koninkrijk uit Damascus, en ook de rest van de Syriërs zal verdwijnen. Het zal hun vergaan als de luister van de Israëlieten, spreekt de Eeuwige Tz’vaot (Yeshayahu [Jesaja] 17:1-3). Net zo als de tien stammen van Israël destijds verdwenen zijn zullen ook de Syriërs verdwijnen. Dat wil niet zeggen dat ze dan allemaal dood zijn, maar als apart volk zullen ze niet meer bestaan. De stad Damascus, in het Hebreeuws Dameseq en in het Arabisch Dimashq genaamd, zal weggevaagd worden en in een puinhoop veranderen evenals de omliggende steden. Dat zou natuurlijk een gevolg kunnen zijn van een burger-oorlog, want op dit moment zijn ze in Syrië al druk bezig om elkaar onderling af te maken, maar sommige bijbeluitleggers denken hierbij aan een nucleaire aanval door het Israëlische leger. Dat lijkt mij echter niet geloofwaardig omdat de Syrische hoofdstad slechts op een steenworp afstand van Israël verwijderd ligt en de vrijgekomen radioactieve straling echt niet bij de grens zou stoppen. Het Israëlische leger zou nooit zo gek zijn om de eigen bevolking bloot te stellen aan de nucleaire fall-out, die zeer zeker in het vruchtbare Galilea neer zou vallen. Ik denk daarom eerder aan een verwoesting door conventionele raketten. Israël beschikt momenteel over geavanceerde wapens, die een stad als Damascus in een oogwenk kunnen vernietigen. Stel dat Syrië zou besluiten om langeafstandsraketten op het noorden van Israël af te vuren met de bedoeling om de zeehaven van Haifa uit te schakelen, dan zou Israël als reactie een defensieve tegenaanval kunnen lanceren. De verwoesting van Damascus als gevolg van een dergelijke aanval zou dan inderdaad de gebeurtenis kunnen zijn die beschreven wordt door Jesaja en de voorloper van de invasie van Gog, die vlak daarna zal plaats vinden. Jesaja 17 wordt namelijk afgesloten met een passage die door vele schriftgeleerden wordt gelijkgesteld aan Ezechiël 38 en 39. In deze context lezen wij de episode die volgt op de vernietiging van Damascus in de vertaling van Het Boek: “Wee de legers, die in de richting van G’ds land denderen! Al bulderen zij als grote golven, die zich op het strand storten, G’d zal hun het zwijgen opleggen. Zij worden uiteengejaagd als kaf, dat door de wind wordt weggeblazen, als opwaaiend stof in een storm. ’s Avonds voelt Israël zich nog bedreigd, maar de volgende morgen zijn haar vijanden dood! Dat is de verdiende loon van hen, die het volk van G’d uitplun-deren en vernietigen!” (Yeshayahu [Jesaja] 17:12-14). De benadrukking van het denderende en bulderende geluid van de oprukkende legers in Jesaja’s beschrij-ving van de invasie doet ons onmiddellijk denken aan het geluid van tanks, trucks en pantserwagens. De vergelijking met grote golven zegt ook iets over de hoeveelheid soldaten die het kleine landje dreigt te overspoelen. Ezechiël gebruikte een soortgelijke bewoording in zijn beschrijving van dezelfde gebeurtenis: “Met je troepen en al je bondgenoten zul je optrekken als een stormwind, als een wolk die het land overdekt!”  (Yechez’q’el [Ezechiël] 38:9). Hoe groot deze legermacht ook mag zijn, zo snel zal ze toch weggevaagd worden! Binnen één dag! Ezechiël heeft het meerdere keren over ‘deze dag’ en Jesaja spreekt van een avond en een ochtend. In deze zeer korte periode zal de Eeuwige zelf de vijand van Israël vernietigen. En zo zeker als Ezechiël 36 over het herstel van het land in vervulling ging, en zo zeker als Ezechiël 37 over de terugkeer van de Israëlieten uit de verstrooiing in vervulling ging, zo zeker zullen ook Ezechiël 38 en 39 in vervulling gaan. Laten wij derhalve Rusland en zijn bondgenoten goed in de gaten houden en ons de woorden van de Eeuwige ter harte nemen: “Zo zal Ik Mijn heilige naam bekend-maken onder Mijn volk Israël. Ik zal niet langer toe-laten dat het wordt beledigd. En ook de volken zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, de Heilige van Israël! Die dag van het oordeel komt eraan; alles zal gebeuren zoals Ik heb aangekondigd. - Zo zal Ik Mijn heerlijk-heid aan de volken tonen: allen zullen zien hoe Ik Gog straf en zij zullen weten dat Ik het heb gedaan! Vanaf die tijd zal het volk Israël weten dat Ik, de Eeuwige, zijn G’d ben!” (Yechez’q’el [Ezechiël] 39:7-8 en 21-22)

    Werner Stauder

    Lees meer...
    Bijbelstudie over
    DE TWEE GETUIGEN - HASH’NEI HA’EDAI
    Deze studie is gebaseerd op mijn preek voor de viering van Yom haBikurim op zondag 8 april 2012
     
    Vandaag is het Yom haBikurim, de Dag van de Eerstelingen, waarop wij met blijdschap de opstanding van Yeshua haMashiach mogen herdenken. Enkele dagen geleden zaten wij hier in dezelfde zaal om op de Seideravond niet alleen de bevrijding van onze voorouders uit de slavernij in Egypte te herdenken, maar ook om onze eigen bevrijding te vieren uit de slavernij van de zonde door het bloed van Yeshua. Beide feesten zijn nauw met elkaar verbonden en het ene kan niet zonder het andere. Daarom vind ik het jammer dat er bijna elk jaar heel wat minder mensen naar de viering van Yom haBikurim komen dan naar de Seiderviering. Zonder Zijn opstanding zou het offer van Yeshua aan het kruis op Golgotha tevergeefs geweest zijn, maar doordat Hij de dood heeft overwonnen geeft Hij ons niet alleen vergeving voor onze zonden, maar ook de mogelijkheid om het eeuwige leven te ontvangen als wij ervoor kiezen Hem te volgen en daarom is de viering van Zijn opstandingsdag naar mijn mening even belangrijk als de Seiderviering. Doordat Yeshua de straf op zich genomen heeft die wij verdiend hadden en Zijn bloed gevloeid is voor onze overtredingen, mogen wij iedere dag opnieuw voor G’ds troon verschijnen om onze zonden aan de Eeuwige te belijden en Hem nederig om vergeving te vragen door een beroep te doen op het offer van Yeshua. We moeten ons hierbij echter wel heel goed van bewust zijn waar wij mee bezig zijn. We moeten ons er wel heel goed realiseren dat Yeshua ondraag-lijke pijnen heeft geleden toen Hij vele uren lang op een onbeschrijflijke wrede wijze gemarteld werd en dat Hij voor uw en voor mijn zonden geleden heeft terwijl Hijzelf onschuldig was. Beseft u dat wel? Hoe voelt het om aan te moeten zien hoe iemand anders keihard gestraft wordt voor iets dat hij niet gedaan heeft en waarvan u weet dat uzelf de dader was? Het is niet eerlijk om een ander te laten opdraaien voor uw fouten en overtredingen. Maar Hij wilde het zelf! Hij heeft het zelf aangeboden en wij mogen daar dankbaar gebruik van maken met de bedoeling om voortaan ons best te doen om niet weer de fout in te gaan, want het kan natuurlijk niet zo zijn dat we er maar op los leven met de gedachte in ons achterhoofd dat we na iedere zonde gewoon om vergeving kunnen vragen en dan zit het weer goed. Nee, zo werkt het echt niet! Als wij namelijk zo redeneren, dan maken wij het kostbare bloed van Yeshua tot een goedkoop wegwerpproduct en dat mag nooit gebeuren! Natuurlijk mogen we iedere dag opnieuw om vergeving vragen voor onze zonden, want zolang wij als stervelingen hier op aarde wonen, blijven wij zondigen, of wij willen of niet, maar het is wel de bedoeling om onze zonden tot een minimum te beperken en ernaar te streven om zo rein mogelijk te leven. U kent allen het verhaal van de overspelige vrouw in Yochanan [Johannes] 7:53-8:11. De Joden hadden volgens de voorschriften van de Tora niet alleen het volste recht, maar zelfs de plicht om deze vrouw te stenigen, want op overspel stond immers de doodstraf en in dit geval is zij zelfs op heterdaad betrapt. Zelfs de beste advocaat zou geen poot hebben om op te staan om haar te kunnen vrijpleiten. Ook Yeshua heeft haar niet vrijgepleit, want Hij wist maar al te goied wat zij gedaan had. Maar Hij draaide de rollen om. Natuurlijk had zij de doodstraf verdiend, maar degene die deze straf zou uitvoeren moest uiteraard zelf wel onberispelijk zijn, want niemand heeft het recht om over een ander te oordelen als men zelf ook genoeg op zijn kerfstok heeft. Het zou erg hypocriet zijn als de ene wetsovertreder een vonnis voltrekt over een andere wetsovertreder voor het overtreden van de wet. Kunt u mij volgen? Yeshua heeft gezegd: “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt, want met het oordeel, waarmede gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden. Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet? Hoe kunt gij dan tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter uit uw oog wegdoen, terwijl, zie, de balk in uw oog is? Huichelaars! Doe eerst de balk uit uw oog weg, dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen.” (Matityahu [Matthéüs] 7:1-5). Degenen die over anderen oordelen moeten eerst maar in de spiegel kijken en bij zichzelf te rade gaan of zij zich wel houden aan alle 613 geboden en verboden van de Tora. Houden zij wel altijd de Shabat? Eten ze wel altijd kosher? Letten ze in de supermarkt op de ingrediënten van de producten die ze kopen? Zijn ze wel consequent in het vieren van Rosh Chodesh en de Bijbelse feestdagen? En zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Daarom zei Yeshua tegen degenen die de overspelige vrouw wilden stenigen: “Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst een steen naar haar.” Door hoeveel mensen werd de vrouw vervolgens gestenigd? Tien? Vijf? Niet één! Zij gingen namelijk één voor één weg, nadat ze dit gehoord hadden. Waarom? Omdat Yeshua maar al te goed wist dat iedereen gezondigd heeft. De één met dit, de ander met dat, maar niemand gaat vrijuit, want er staat geschreven: "Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van G’d!" (Romeinen 3:23). Tegenwoordig zou het volgens mij toch wel slecht afgelopen zijn met de overspelige vrouw, want nu zijn er talrijke gelovigen die van zichzelf denken dat zij geen zondaars meer zijn. Met deze verkeerde gedachte houden zij echter niet alleen anderen, maar ook zichzelf voor de gek, en wat nog erger is: zij houden daarmee ook de Eeuwige voor de gek, want Hij zegt in Zijn Woord dat zij leugenaars zijn en dat zij ook Hem daarmee tot een leugenaar maken. Yochanan [Johannes] schrijft hierover: “Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en Zijn woord is in ons niet!” (Yochanan alef [1 Johannes] 1:8-10). Allen die de overspelige vrouw wilden stenigen, hebben zich dit blijkbaar heel goed gerealiseerd en dropen af zonder ook maar één enkele steen te gooien. De enige die geen zonde had was Yeshua. Hij had dus het volste recht om de doodstraf te voltrekken, maar deed Hij dat ook? Nee, Hij deed het niet! Hij zei wel tegen haar: “Ga heen, zondig van nu af niet meer.” Hij zei niet dat ze op de oude voet mocht doorgaan. Nee, Hij gaf haar een nieuwe kans, maar dan wel met de bedoeling om dezelfde fout niet opnieuw te doen. Leefde deze vrouw daarna dan als een heilige en heeft ze daarna echt nooit meer gezondigd? Ik denk van niet. Natuurlijk zal ze daarna zo nu en dan nog wel een zonde gepleegd hebben, maar ik ben er wel van overtuigd dat ze nooit meer overspel gepleegd heeft. Yeshua gaf haar een nieuwe kans en zo geeft de Eeuwige ook ons steeds weer nieuwe kansen, maar het houdt een keer op. Er zijn ook zonden die nooit vergeven worden. Daar heb ik een aparte bijbelstudie over geschreven, namelijk studie nr. 100 over het lasteren tegen de Heilige Geest. Een zonde die de Eeuwige nooit vergeeft is afgoderij! Je kunt niet de G’d van Israël dienen en een afgod! Je moet een keuze maken, want de Eeuwige is een naijverige, jaloerse G’d. De Israëlieten gingen daarmee verschrikkelijk de fout in! Je zou toch denken dat je nooit meer aan de G’d van Israël zou twijfelen als je zoveel wonderen en tekenen had gezien als de Israëlieten in Egypte. Wat haShem allemaal deed om Zijn volk vrij te krijgen en hoe Hij ze na hun uittocht op wonderlijke wijze beschermd had tegen het machtige Egyptische leger en hen veilig door de schelfzee liet trekken, dat zou toch meer dan voldoende reden zijn om volledig op Hem te blijven vertrouwen, maar in plaats daarvan bouwden zij het gouden kalf om het te vereren en te aanbidden. Dat is een zonde die nooit en te nimmer vergeven zal worden door haShem! Niet één van hen die zich daaraan schuldig gemaakt hebben, heeft het overleefd! Dus ook Zijn vergevingsgezindheid heeft haar grenzen. Laten we ons daar goed van bewust zijn! Alle andere zonden daarentegen kunnen vergeven worden als wij de Eeuwige daar oprecht om vragen, en dat moeten we echt elke dag opnieuw doen, want ook al doen we nog zo ons best om niet te zondigen, toch wil het om de ene of andere reden niet altijd lukken en vaak zonder het zelf te beseffen gaan we steeds weer de fout in. Het is net zoals met de goede voornemens op de oudejaarsavond. Bijna iedereen heeft dan goede voornemens voor het nieuwe jaar, maar als men dan een jaar later vraagt wat daarvan terecht is gekomen, dan moet men tot zijn schande bekennen dat het helaas niet met alles gelukt is en dus heeft men weer dezelfde goede voornemens voor het nieuwe jaar als de vorige keer. Zo gaat dat jaar voor jaar. Herkent u dit? En zo is dat ook met de zonde. Mogen wij ons daarom maar daarin berusten? Wordt het zondigen daarmee oogluikend toegestaan? Nee! Natuurlijk niet! Natuurlijk moeten wij ons uiterste best doen om niet te zondigen. Natuurlijk moeten wij al datgene vermijden waarvan wij weten dat wij daarin zwak zijn. Natuurlijk moeten wij ernaar streven om G’ds geboden en inzettingen na te leven. Daarom bidden wij dagelijks in de Amida, die ook deel uitmaakt van de liturgie voor Yom haBikurim: “Stel mijn hart open voor Uw Tora en laat mij ernaar streven Uw geboden op te volgen.” Gehoorzaamheid moet ons antwoord zijn op de bevrijding die wij mogen vieren op de Seideravond en op Yom haBikurim. Het is onmogelijk om uit Egypte te trekken zolang wij Egypte nog in ons hebben. Pas als wij dat loslaten zullen wij waarlijk vrij zijn en uit de derde beker kunnen drinken, waarvan Yeshua gezegd heeft: “Drinkt allen daaruit, want dit is het bloed van Mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden!”  (Matityahu [Matthéüs] 26:28).
     
    De komst van Eliyahu
    Zoals ik tijdens de Seiderviering reeds heb uitgelegd staat er in de traditionele Joodse gezinnen behalve de vier kleine bekers met wijn ook nog één grote beker op de Seidertafel. Deze vijfde beker is de beker voor Eliyahu haNavi [de profeet Elia], want er staat geschreven: “Zie, Ik zend u de profeet Eliyahu, voor-dat de grote en geduchte dag van Adonai komt.”  (Mal’achi [Maleachi] 3:23 (NBG-vertaling 4:5). Met de Sederavond begint Leil-haShimorim, de heilige nacht van G’ddelijke Bescherming, die eens de Nacht der Verlossing was. Wat zou het natuurlijker zijn, dan dat de profeet Eliyahu juist in die nacht zou komen? Daarom verwacht men elk jaar opnieuw tegen het einde van de Seiderviering de terugkeer van Eliyahu om de spoedige komst van de Mashiach aan te kondigen. De wijn staat klaar voor hem en hij kan zo aanschuiven, want volgens de traditie is de deur voor hem door de kinderen inmiddels al wagen-wijd opengezet! Wij als Messiasbelijdende gelovigen hoeven dit echter niet te doen omdat wij de komst van de Mashiach namelijk eerder verwachten dan die van Eliyahu. Ik heb het hierbij echter niet over de officiële komst van de Mashiach in Zijn volle glorie en majesteit op de wolken aan het einde van de laatste 7 jaar, maar over de komst van Yeshua in stilte om ons 3 ½ jaar eerder op te halen en naar een veilige schuilplaats te brengen bij het begin van de grote verdrukking. Het zou zelfs best nog wel eens kunnen dat onze wegname en de komst van Eliyahu op hetzelfde tijdstip gebeuren, of misschien vlak achter elkaar, maar ik ben er wel van overtuigd, dat beide gebeurtenissen tegen het einde van één en dezelfde Seiderviering zullen plaatsvinden. Welke Seiderviering? Wanneer? In welk jaar? Dat weten we niet. Maar hoe kunnen we dan wel weten dat het met Pesach zal gebeuren en niet op een willekeurig ander tijdstip? Wel, dat kunnen wij weten als wij de Geschriften nauwgezet bestuderen! Hoewel Yeshua ons in Mt 24:36 nadrukkelijk waarschuwt tegen elke poging om 'dag en uur' te berekenen, dus het exacte tijdstip van Zijn komst, geeft Hij ons toch zelfs meer dan één hint om aan de hand van bepaalde voortek-enen te kunnen zien wanneer de tijd van Zijn komst nabij is. Als Yeshua spreekt over de tekenen der tijden, dan wijst Hij op iets, waarvan allen op de hoogte kunnen zijn, namelijk de periode waarin Zijn komst zal plaatsvinden! Zoals de lente haarkenmerken heeft, zo zal ook de tijd van Zijn wederkomst haar kenmerken hebben. Het is dan ook beslist geen toeval dat Yeshua in dit verband behalve rampen, oorlogen, liefdeloosheid, vervolging en wetsverachting ook de kenmerken van de jaargetijden noemt, want in het Joodse denken staan deze in nauw verband met de 'gezette tijden', dus de bijbelse feestdagen, die de Eeuwige in Zijn wet heeft vastgelegd en waarvan Hij heel nauwkeurig aan Moshe heeft gezegd op welk tijdstip en in welke jaargetijden zij gevierd moeten worden! Zo valt Pesach in de lente en Rosh haShana in het najaar, dus een half jaar later, en het zijn met name deze twee feestdagen, die door ons als 'tekenen der tijden' gezien kunnen worden. Naast het wijzen op de kenmerken van de jaargetijden gaf Yeshua ons ook het advies om met betrekking op de eindtijdge-beurtenissen de profeet Daniël te raadplegen. Daar lezen wij: “En tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is. En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is” ( Dani’el [Daniël] 9:26b-27). Als wij de sleutel voor het ontsluiten van de eindtijdprofetieën hanteren, die wij in Yechez’qel [Ezechiël] 4:6 en in Bamidbar [Numeri] 14:34 vinden, namelijk dat 1 dag gelijk staat aan 1 jaar, dan omvat de door Daniël genoemde week een periode van 7 jaar. Door de komst van de “gruwel der verwoesting” op de helft van de jaarweek, wordt deze verdeeld in twee periodes van elk 3½ jaar, te weten de kleine en de grote verdrukking. En met name over deze laatste 3½ jaar heeft Yeshua het in Matthéüs 24! Talrijke teksten uit Daniël en Openbaring spreken over deze periode van 3½ jaar, die gelijk staat aan 42 maanden of 1260 dagen en ook wel genoemd wordt: een tijd, tijden en een halve tijd: “En mij werd een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de tempel G’ds en het altaar en hen, die daarin aanbidden. Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet; want hij is aan de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeënveertig maand-en lang. En Ik zal Mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang.” (Chizayon [Openbaring] 11:1-3). “En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door G’d bereid, opdat zij daar twaalf-honderd zestig dagen onderhouden zou worden. - En toen de draak zag, dat hij op de aarde was geworpen, vervolgde hij de vrouw, die het mannelijke kind gebaard had. En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven om naar de woestijn te vliegen, naar haar plaats, waar zij onderhouden wordt buiten het gezicht van de slang, een tijd en tijden en een halve tijd. - En de draak werd toornig op de vrouw en ging heen om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van G’d bewaren en het getuigenis van Yeshua hebben.” (Chizayon [Openbaring] 12:6, 13-14 en 17). “Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen des Allerhoogsten te gronde richten; hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen, en zij zullen in zijn macht gegeven worden voor een tijd, tijden en een halve tijd.” (Dani’el [Daniël] 6:25). “En hem werd een mond gegeven, die grote woorden en g’dslasteringen spreekt; en hem werd macht gegeven dit tweeënveertig maand-en lang te doen.” (Chizayon [Openbaring] 13:5).
    Als er in de Bijbel in beeldspraak gesproken wordt over een vrouw, dan wordt daar altijd Israël mee bedoeld. De vrouw, die vervolgd wordt en zich gedurende 1260 dagen, dat is 42 maanden, 3½ jaar ofwel een tijd, tijden en een halve tijd in de woestijn zal verbergen, kan derhalve alleen maar het gelovige deel van Israël zijn. De Messiasbelijdende Joden worden door de Eeuwige zelf op arendsvleugelen in veiligheid gebracht. En hoe zit het dan met de gelovigen uit de volken? Horen zij er dan niet bij? Jazeker! Maar uitsluitend die gelovigen uit de volken, die als “wilde loten geënt zijn op de edele olijfboom Israël’’ (zie Romeinen 11), die de Joodse identiteit van de Gemeente en haar Verlosser erkennen en zich houden aan G’ds geboden en inzettingen.
     
    De twee getuigen
    Als wij in Openbaring 12:6 en 14 dus lezen dat de Gemeente zich gedurende 3 ½ jaar in een veilige schuilplaats zal bevinden terwijl er in Openbaring 11:3 staat, dat de twee getuigen gedurende diezelfde 3 ½ jaar in Jeruzalem zullen profeteren, dan kan het niet anders zijn, dan dat de wegname van de Gemeen-te en de komst van de twee getuigen op hetzelfde tijd-stip zal moeten plaatsvinden. En als wij ervan uitgaan dat Yeshua twee keer zal komen, namelijk eerst heel ongemerkt in stilte om Zijn gemeente in veiligheid te brengen en 3½ jaar later om de vijanden van Zijn volk te verdelgen en Zijn koningschap op aarde te aanvaarden, dan zullen er voor beide keren ook duidelíjke tekenen in de Bijbel te vinden zijn die in verband gebracht kunnen worden met Pesach en Rosh haShana, en Hij gaf aan ons allen de opdracht, op deze tekenen acht te slaan! Zo zou voor iemand die goed op de hoogte is van de bijbelse feestdagen het blazen van de Shofar tijdens Rosh haShana en Yom Kipur een teken kunnen zijn voor de komst van de Mashiach op de wolken en de opstanding der doden omdat dit volgens de geschriften zal geschieden bij het blazen van een Shofar (Mt. 24:31, Opb. 11:15, 1 Kor. 15:52, 1 Tess. 4:16). Ook voor het juiste tijdstip van Zijn eerdere komst om de Zijnen in veiligheid te brengen gaf Yeshua ons een duidelijke aanwijzing: "Want lk zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam van Adonai!" (Mt. 23:39, Lc 13:35). Wanneer zal dit dan worden gezegd? Zoals wij enkele dagen geleden op de Seideravond hebben gezien en gehoord, vormen deze woorden uit Psalm 118:26, in het Hebreeuws "Baruch haba b'Shem Adonai" een vast onderdeel van het Halel, de lofzang ter afsluiting van de Seider-viering van Pesach! Tussen Pesach en Rosh haShana ligt precies een half jaar en als de wederkomst van Yeshua en de opstanding van de doden bij het blazen van de laatste Shofar aan het einde van de zeven jaar met Rosh haShana zal plaatsvinden dat zal de weg-name van de gemeente evenals de komst van de twee getuigen 3 ½ jaar eerder met Pesach geschieden. Dat lijkt mij wel voor de hand liggend. Maar wie zijn deze twee getuigen? Op deze vraag geeft de Bijbel geen rechtstreeks antwoord, want in het betreffende stuk in Openbaringen 11 worden hun namen niet genoemd. Op grond van het verhaal over de verheerlijking van Yeshua op de berg Tavor [Tabor] in Matityahu [Matthéüs] 17:1-8 en Lucas 9:28-36 zijn er wel velen van overtuigd, dat deze twee getuigen Moshe [Mozes] en Eliyahu [Elia] moeten zijn, omdat zij als vertegen-woordigers van de wet en de profeten daar samen in heerlijkheid verschenen en met Yeshua spraken. Moshe [Mozes], de leider van de eerste exodus en Eliyahu [Elia], de voorbode van de Messiaanse exodus, spraken op de berg der verheerlijking met Yeshua over Zijn eigen exodus, die Hij in Jeruzalem zou volbrengen! Daarom wordt Moshe door velen als een van de twee getuigen genoemd en daar zit natuur-lijk wel een bepaalde logica in, want als hij samen met Eliyahu aan Yeshua en de daarbij aanwezige discipelen kon verschijnen, dan zou hij ook samen met Eliyahu als profeet kunnen optreden in de tijd van de grote verdrukking. Maar dat lijkt mij persoonlijk onmogelijk, want dan zou hij namelijk volgens Openbaring 11:7 voor de tweede keer moeten sterven. In tegenstelling tot Eliyahu is Moshe immers al gestorven hetgeen in het laatste hoofdstuk van de Tora geschreven staat: “Toen stierf Moshe, de knecht van Adonai, aldaar in het land Moav, volgens het woord van de Eeuwige. En Hij begroef hem in een dal in het land Moav, tegenover Beit-Pe’or, en niemand heeft zijn graf geweten tot op de huidige dag. Moshe was honderd twintig jaar oud, toen hij stierf…”  (D’varim [Deuteronomium] 34:5-7).
    Lees meer...
    De Maaltijd des Heren

    Op (erev) 14 Abib 

     

    avondmaal-1

     

    De Maaltijd des Heren
    Op donderdagavond 5 maart 2012 gedenken wij om 20.00 uur de meest belangrijke inzetting welke door Jezus is geboden aan zijn discipelen. Op deze avond heeft naar alle waar-schijnlijkheid de meest geheiligde gebeurtenis plaatsgevonden in Gods kalenderjaar, omdat dit de gedenkavond is ter gelegenheid van de dood van onze Heer en Heiland Jezus Christus. Wij houden deze dienst ter gedachtenis aan Christus’ dood. De volgende teksten leggen de oorsprong van deze dienst uit, en de plechtigheden ervan.

    Lucas 22:7-14De dag der ongezuurde broden kwam, waarop het Pascha moest geslacht worden. 8 En hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen, maakt het Pascha voor ons gereed, opdat wij het kunnen eten. 9 En zij zeiden tot hem: Waar wilt gij, dat wij het gereed maken? 10 Hij zeide tot hen: Zie, wanneer gij de stad inkomt, zal u een man tegenkomen, die een kruik water draagt. Volgt hem in het huis, dat hij binnengaat, 11 en zegt dan tot de heer van dat huis: De Meester zegt u: Waar is het vertrek, waar ik met mijn discipelen het Pascha kan eten? 12 En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, van alles voorzien: maakt het daar gereed. 13 En zij gingen heen en vonden het zoals hij hun gezegd had, en zij maakten het Pascha gereed. 14 En toen het uur aangebroken was, ging hij aanliggen en de apostelen met hem. 15 En hij zeide tot hen: Ik heb vurig begeerd dit Pascha met u te eten, eer ik lijd. 16 Want ik zeg u, dat ik het voorzeker niet meer eten zal, voordat het vervuld is in het Koninkrijk Gods.

    1 Korintiërs 11:23-26Want zelf heb ik bij overlevering van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb, dat de Here Jezus in de nacht, waarin hij werd overgeleverd, een brood nam, 24 de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. 25 Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. 26 Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat hij komt.

    Deze nacht verkondigt de dood des Heren, totdat hij komt: als een verordening aan de Christenen opgelegd.

    Johannes 6:53-54 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. 54 Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en ik zal hem opwekken ten jongsten dage.

    Het hele hoofdstuk Johannes 6 is een opeenhoping van symboliek die leidt tot de voorbereiding en het Pascha. Er is een bijzondere betekenis in iedere zin van Johannes 6 en hoe iedereen voorbereid wordt voor zijn roeping en zijn plaatsing tussen de uitverkorenen.

    Er zijn drie elementen voor eeuwig leven. Deze elementen worden normaal met de Maaltijd des Heren niet behandeld. De eerste twee elementen komen uit Johannes 17:3.

    • Eerst, Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt
    • Het tweede element van eeuwig leven is geloof in Jezus Christus door kennis van de enige waarachtige God.
    • Het derde element van eeuwig leven is deelname aan het Pascha en het eten en drinken van het lichaam en bloed van Jezus Christus (Johannes 6:53-43).

    Dit zijn de drie elementen die u nodig heeft om eeuwig leven te hebben. Al deze drie elementen worden toegekend op gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid aan de enige waarachtige God is het houden van Zijn geboden. Dat is een noodzakelijk vereiste voor het behoud van de Heilige Geest. Zonder de Heilige Geest kunt u het Koninkrijk van God niet binnengaan en dus eeuwig leven hebben. Met deze drie elementen wordt van u verlangd, dat u deelneemt uit gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid aan dit feest betekent het houden van de wetten en inzettingen die Christus ingesteld heeft voor de deelname aan het Pascha. Wanneer u niet deelneemt aan deze plechtigheid, heeft u geen deel aan Jezus Christus.

    De afsluiting van de Maaltijd des Heren is de voetwassing. De daad om elkaars voeten te wassen was een normaal voorkomende praktijk in Jezus’ tijd. Mensen droegen schoeisel dat hen blootstelde aan het vuil van de omgeving. Zij hadden open sandalen. Het waren uitstekende wandelschoenen, zoals wij weten. Mensen droegen sandalen omdat zij koel waren en goedkoop en gemakkelijk te maken, maar men kreeg er wel vuile voeten in. Normaal werd voetwassing gedaan als een daad van gastvrijheid door een gastheer, bij de aankomst van een gast. Normaal hadden de mensen al gebaad, maar zij moesten door de straten lopen. Dus zij moesten zich op hun gemak voelen. Het was de taak van de laagste bediende om de voeten te wassen. De gast werd voorzien van een handdoek en een kruik met water. Dit vond normaal plaats bij aankomst of voor het begin van een maaltijd, of eerder, of terwijl de gasten aan tafel gingen aanliggen. De afkeer van deze taak is een beeld van het feit dat niemand ervan houdt om slaafse werkzaamheden noodzakelijkerwijs voor andere mensen te doen.

    Het is een daad van liefde om andere mensen te dienen, maar deze wereld is gebaseerd op mensen die niet werkelijk van elkaar houden. Mensen vernederen gewoonlijk zichzelf niet en verhogen ook andere mensen niet. Het vereist een bijzonder instelling welke door de Heilige Geest wordt mogelijk gemaakt. Het is een teken van de uitverkorenen (of de dienaren van Jezus Christus) wanneer zij zich werkelijk verheugen in het dienen van andere mensen; dat zij het eerbetoon aan de broeders als voor zichzelf beschouwen en zij de ander hoger achten dan zichzelf. Deze wijze van dienstbetoon is niet duidelijk naar voren springend in de ordening die opgezet is door de ‘god van deze wereld’. De ‘god van deze wereld’ heeft een ordening opgezet die gestoeld is op macht, rangorde en voorrang als bij de dieren. Alle dieren hebben een pikorde. De pikorde bepaalt, waar zij eten, en wat hun maatschappelijke status is, en hoe goed of zij behandeld worden. Dat hoort zo niet bij ons te zijn. Wij mogen niet op deze wijze denken. De hele voetwassing is niet zomaar dienstbetoon. Het symboliseert het afleggen van uw eigen ik. Wij zien dit door het afleggen van de klederen en het omgorden door Christus met een doek. Het gehele gebeuren was de symboliek dat Christus letterlijk zijn status, kleding en voorkomen aflegde.

    Gods Geest kan nauwelijks bewegen in een mens die niet bereid is om zijn leven af te leggen voor zijn broeder. Wij hebben gezien dat de christelijke gemeente hoge mate het niveau bereikt heeft van aanzien des persoons, dat zij zichzelf niet voor de ander willen opofferen. De Heilige Geest is van velen weggenomen. Christus stelde deze plechtigheid in voor zijn volgelingen als een voorbeeld van offeren. We zullen de fysieke- en de geestelijke betekenis van de voetwassing bekijken. Judaïsme ziet terug naar het Pascha en beschouwd het in fysieke zin. Wij zien het Pascha zowel in fysiek als geestelijk betekenis. Christus wist dat hij verraden zou worden en dat hij zijn leven zou moeten afleggen.

    Johannes 13:1-5En voor het Paasfeest(Pascha), toen Jezus wist, dat zijn ure gekomen was om uit deze wereld over te gaan tot de Vader, heeft hij de zijnen, die hij in de wereld liefhad, liefgehad tot het einde. 2 En onder de maaltijd, toen de duivel reeds Judas, Simons zoon Iskariot, in het hart had gegeven hem te verraden, 3 stond hij, wetende, dat de Vader hem alles in handen had gegeven en dat hij van God uitgegaan was en tot God heenging, van de maaltijd op, 4 en hij legde zijn klederen af en nam een linnen doek en omgordde zich daarmede. 5 Daarna deed hij water in het bekken en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met de doek, waarmede hij omgord was.

    Het afleggen van zijn klederen was een beeld van het afleggen van zijn leven. Want door zijn leven af te leggen heeft hij ons allen gewassen. De allereerste les in de voetwassing is die van zelfopoffering en nederigheid. Jezus’ houding was van iemand, die bereid was zijn leven af te leggen voor de mensheid, bereid om zijn leven af te leggen voor een ieder van ons persoonlijk, als vriend. En zo behoren ook wij bereid te zijn om ons leven af te leggen voor elkaar.

    Johannes 13:6-8Hij kwam dan bij Simon Petrus. Deze zeide tot hem: Here, wilt Gij mij de voeten wassen? 7 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het later verstaan. 8 Petrus zeide tot hem: Gij zult mijn voeten niet wassen in eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Indien ik u niet was, hebt gij geen deel aan mij.

    Wij kennen allen waarschijnlijk deze woorden wel uit ons hoofd. Petrus wilde niet dat Jezus zijn voeten waste en wel om een hele goede reden. Petrus wilde een Koning Messias. Hij begreep de Verzoendag niet. Hij begreep niet waarom de Hogepriester eerst binnenging in linnen klederen om te verzoenen en te offeren. Vervolgens kleedde deze zich om in een nieuw stel klederen. Hij begreep niet dat er tweemaal een Messias zou zijn: één die nederig gekleed was in gewone linnen kleding en een ander die gekleed zou zijn in de statie van een Koning. Hij wilde iemand die zou heersen, zoals Darius of de Caesar. Hij wilde dat Jezus Christus zou zitten op de troon van de Caesars en deze wereld net zo onrecht-vaardig zou regeren als de Caesars gedaan hebben, maar dan vanuit Jeruzalem. Hij wilde een voorrecht op dezelfde manier als de Romeinen voorrecht hadden. Dat is de houding achter de opmerkingen van Petrus. Dat zat er bij Petrus achter, toen hij zei gij zult mijn voeten niet wassen. Hij zei dat om-dat het betekende dat wij dienaren zouden worden. Hij dacht mogelijk: Ik ga er voor zorgen dat de Romeinen mijn voeten wassen. Daaraan dacht Petrus. Christus wist dat. Daarom onttrok Christus zich aan de menigte na het wonder van Johannes 6. Ook zij wilden hem tot Koning Messias maken. Christus zei tijdens de Maaltijd des Heren dat hij onder hen was als iemand die dient.

    Petrus was nog niet bekeerd. Niet één van zijn discipelen aan deze maaltijd was bekeerd, zelfs niet één. Zij waren gedoopt, maar niet bekeerd. Christus vertelde hen dat later. Hij zei tegen Petrus als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen. (Lukas 22:32) Petrus was niet bekeerd, totdat hij de Heilige Geest met Pinksteren ontvangen had. Satan had verlangd hem te ziften als de tarwe (Lukas 22:31) voordat dit zou gebeuren zoals Christus hem voorzegd had tijdens de Maaltijd des Heren. Niemand van deze mensen had de Heilige Geest tot aan Pinksteren. Zij waren gedoopt maar er had een tijd gelegen tussen dat zij gedoopt werden en de Heilige Geest ontvingen. Ons werden de handen opgelegd om de Heilige Geest te ontvangen, maar wij kregen het niet in dezelfde kracht als zij met Pinksteren. Onze is als een mosterdzaadje. Echter, deze mensen waren nog niet bekeerd. Wij kunnen dat zien door wat Petrus doet. De werkelijk les is dat Petrus niet zijn leven wilde afleggen en dienen. Hij wilde de heidenen niet dienen. Hij was Jood. Wij moeten iedereen dienen.

    Wij moeten toelaten dat onze voeten gewassen worden, als een symbool dat ons leven gewassen is door Christus op een blijvende grondslag, wanneer wij deel aan hem willen hebben in het Koninkrijk, en feitelijk alles doen wat hij doet. Indien wij dat doen, zullen wij het Koninkrijk beërven net als hij. Petrus begreep de noodzaak van de daad, maar niet de betekenis ervan.

    Johannes 13:9-11Simon Petrus zeide tot hem: Here, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd! 10 Jezus zeide tot hem: Wie gebaad heeft, behoeft zich alleen de voeten te laten wassen, want hij is geheel rein; en gijlieden zijt rein, doch niet allen. 11 Want hij wist, wie hem verraden zou; daarom zeide hij: Gij zijt niet allen rein.

    De betekenis is dat wanneer u niet bereid bent te werken en u te onderwerpen en deel te worden van het lichaam, zult u nauwelijks iets van de rijkdommen van het Koninkrijk ontvangen. Maar Petrus zei tot hem Here, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd! Met andere woorden hij wilde er niet buiten vallen. Hij werd vermaand en ook werd hij berispt voor zijn houding. Hij wilde alles gewassen hebben omdat hij de symboliek van de voetwassing niet begreep. Hij begreep niet dat hij eens en voor altijd gedoopt was. Ook begreep hij het toen niet omdat de volle betekenis van Christus’ dood en offer nog niet had plaatsge-vonden, hoewel hij het uit de Schriften had kunnen begrijpen.

    Iedereen die deel gehad heeft in de bediening van de doop was rein door de doop vanwege de dood van Christus die zou komen. De voetwassing is een jaarlijkse herinnering. Op dezelfde manier waarop de gasten, die uitgenodigd waren voor het bruiloftsmaal van het Lam, gereinigd waren (zij waren gebaad door de doop). Aan hen werden klederen gegeven. Deze klederen waren vlekkeloos omdat deze gereinigd waren (in het bloed van Christus). Alleen hun voeten waren door het reizen door de wereld, bevuild en moesten ieder jaar weer opnieuw symbolisch gereinigd worden.

    Dus met de voetwassing reinigt u symbolisch ieder jaar uw voeten. Geestelijk gezien reinigen wij het fundament van ons geestelijk lichaam. Wij brengen ons zelf weer terug in een plaats met Christus zo dat wij voorbereid op kunnen gaan naar het volgende jaar (met onze accu weer opgeladen als u dat liever hebt) om de taak uit te voeren die ons gegeven is. Dus worden onze klederen rein gehouden. Wij worden rein gehouden omdat maar een deel van ons (symbolisch onze voeten) vuil geworden is. Zo worden wij weer opnieuw gereinigd.

    In de bediening van de doop werden de zonden weggenomen en zouden zij weggenomen worden. Dit was een moeilijk te begrijpen gebeuren omdat Christus nog niet gestorven was en deze mannen ook nog niet waren bekeerd. Wat zij deden was een ordening vestigen die door ons begrepen zou kunnen worden, zodat wij terug konden gaan en alles onderzoeken wat zij deden. Wij zouden weten wat de afloop en symboliek van dat alles was. Daarom zei hij tegen hen gij hebt gebaad en gijlieden zijt rein. Wij hoeven niet ieder jaar opnieuw gedoopt te worden. Alles wat wij moeten doen is onze voeten ieder jaar laten wassen. Wanneer deze symbolische vernieuwing niet goed genoeg geweest zou zijn, dan zouden wij iedere twaalf maanden weer gedoopt moeten worden om de cyclus te herhalen, of er zou geen betekenis zijn in hetgeen gedaan werd tijdens de Maaltijd des Heren. Dit alles wordt gedaan om ons te vernieuwen en ons in een toestand van zelfonderzoek en verzoening met God te brengen.

    De Gemeente van Korinte viel omdat zij niet zichzelf brachten in een staat van zelfonderzoek van hun verhouding tot God. Zij bereidden zich niet voor om dit maal te gebruiken, deze maaltijd en het Pascha (op de meest gedenkwaardige avond). Zij bereidden zichzelf niet voor om die tijd te nemen. Wanneer zij Deuteronomium 16 gehoorzaamd hadden, of gewoon van de dienst geweten hadden, zouden zij niet in de situatie gekomen zijn, waarbij zij dit in een dronkemansbende zouden veranderden, maar dat gebeurde wel.

    Hier zien wij ook het feit, uit de volgorde van de doop, dat Judas Iskariot gedoopt was. Nu werden ook Judas Iskariot’s voeten gewassen. De volgorde van de maaltijd was brood, wijn en de voetwassing aan het einde. Judas Iskariot nam deel aan de hele bediening en dat is iets voor ons om over na te denken. Judas Iskariot was gedoopt, hij had deel aan het lichaam en bloed van Jezus Christus, hij had deel aan de voetwassing, en toch liet Judas Iskariot toe om bezeten en gebruikt te worden door Satan, omdat zijn motieven verkeerd waren.

    De motieven van Petrus waren voortgekomen uit de overheer-sende ideeën van Satan in de wereld. Hij beschouwde zijn leven vanuit een hierarchische structuur. Maar hij kon snel de dwaling ervan inzien; Judas Iskariot niet. Op gelijke wijze wilden andere discipelen aan Christus linker- en rechterzijde zitten. Maar het was niet aan Christus om dit te geven maar aan de Vader. God had de zetels aan Christus linker- en rechterzijde toegekend, omdat zij bijzondere ambten zijn, waarvan Hij wil dat ze ingenomen worden in de wederop-richting en verzoening van alle dingen.

    Judas kon niet gereinigd worden en wij zullen deze Judas voortdurend zien. De Leidse Vertaling laat zien dat toegelaten wordt, dat binnen de Gemeente van Filadelfia enigen van de synagoge van Satan geplaatst werden. Zie, ik stel in uw hand eenigen van hen die tot de Synagoge van Satan behoren, die zeggen Joden te zijn en het niet zijn, maar zij liegen het. Dat is een heel ander beeld. Er zijn mensen uitgezocht, die Satan binnen de Gemeente van Filadelfia plaatst. Wij moeten onze gedachten richten op de hier achter liggende gedachten. Zij hebben alle geestelijke betekenis. Wij zijn geen Joden. Wij denken niet in fysieke termen. Wij zijn geestelijke leden van de stam Juda. Wij zijn burgers en bijwoner van de natie Israël. Daar ligt een groot verschil. Wij zijn geestelijk gezien Joden.

    Wij moeten alleen onze voeten laten wassen, omdat wij eenmaal gebaad zijn in het water van de doop en zo eens voor altijd gereinigd zijn. Alleen bij de Maaltijd des Heren dienen wij elkanders voeten te wassen. Ieder jaar lopen wij, geestelijk gesproken, zonden op, wanneer wij op de weg des levens wandelen, en daarom moet het verbond van onze doop opnieuw in herinnering gebracht worden. Wij moeten opnieuw gewassen worden. Wij aanvaarden symbolisch dit opnieuw wassen wanneer wij de voetwassing ondergaan.

    Johannes 13:12-17Toen hij dan hun voeten gewassen had en zijn klederen aangedaan en weder plaats genomen had, zeide hij tot hen: Begrijpt gij wat ik u gedaan heb? 13 Gij noemt mij Meester en Here, en gij zegt dat terecht, want ik ben het. 14 Indien nu ik, uw Here en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen; 15 want ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk ik u gedaan heb. 16 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. 17 Indien gij dit weet, zalig zijt gij, als gij het doet.

    Hier tracht Jezus aan de discipelen de symboliek uit te leggen omdat zij de volgorde niet kenden zoals wij. Maar deze woorden zijn hier neergeschreven opdat wij zouden verstaan dat er een symboliek was, die zij hadden moeten weten. Uit het begrip dat de Meester en Here de voeten gewassen heeft behoort ook gij elkanders voeten te wassen was toen een gebod van Christus. Het gedachtegoed hierachter moest voor altijd bestendigd worden om in onze gedachten te bevestigen hoe wij elkaar moeten dienen.

    Het probleem met velen ons in de twintigste eeuw is dat alles zo prestatiegericht is geworden, dat het moeilijk is om jezelf voortdurend lager te stellen dan andere mensen. De prestatiedrang van onze samenleving is alles beheersend geworden. Mensen worden geleerd om op ieder niveau te wedijveren. Mensen worden geleerd dat zij ongeschikt zijn als zij niet op bepaalde niveaus presteren. Daarom is er een hoge mate van zelfmoord onder onze jongeren. Ook is er vooral bij de jonge mensen in Japan een hoge mate van zelf-moord, voornamelijk veroorzaakt door het prestatiegericht zijn van hun samenleving. Zij worden gedwongen om concurre-rend te denken. Zij moeten beter zijn. Zij moeten presteren. Zij moeten naar de Universiteit gaan en zij moeten een graad halen. Hun samenleving duldt geen mensen die niet slagen. Dit komt nu doordat het begrip van beloning voor inspanning uit evenwicht is geraakt.

    Jezus zegt in vers 16 Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. Dit nu is het begrip waarop hij de nadruk legt, zijn eigen plaats onder God, zodat wij allen zouden begrijpen dat niemand van ons groter is en wij niet de verwachting hebben van de gevallen engelen om het van God over te nemen. Wij wassen elkanders voeten om elkaar te tonen dat wij in zelfonderzoek onze eigen plaats ontwikkelen en onze eigen geestelijke verhouding met Jezus Christus. Daarom zullen wij, in navolging van de opdracht van Jezus en zijn voorbeeld, elkanders voeten wassen.

    De symboliek van de voetwassing is tweeledig. Aanvankelijk was het in fysieke vorm, en in 1 Korintiërs 10, te beginnen in vers 1, zult u begrijpen dat het fysieke behoud van ons volk ons ten voorbeeld gedaan was, om ons voor te bereiden op deze tweede fase van ons behoud. Door de doop hebben wij deel aan de Heilige Geest die voor Israël niet toegankelijk was, totdat Christus gekomen was.

    1 Korintiërs 10:1-13Want ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee heengingen, 2 allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee, 3 allen hetzelfde geeste-lijke voedsel aten, 4 en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus. 5 En toch heeft God in het merendeel van hen geen welgevallen gehad, want zij werden neergeveld in de woestijn. 6 Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied, opdat wij geen lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij die hadden. 7 Wordt ook geen afgodendienaars zoals sommig-en van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zette zich neder om te eten en te drinken, en zij stonden op om te dansen. 8 En laten wij geen hoererij plegen, zoals sommig-en van hen deden, en er vielen op een dag drieëntwintig-duizend. 9 En laten wij de Here niet verzoeken, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de slangen. 10 En mort niet, zoals sommigen van hen deden, en zij kwamen om door de verderfengel. 11 Dit is hun overkomen tot een voorbeeld voor ons en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is. 12 Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. 13 Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.

    Vers 6 zou bij ons de alarmklokken in ons hoofd moeten doen luiden. Zij zagen de grote daden. Wanneer iemand van ons daar geweest was, zou hij verbaasd hebben gestaan voor de machtige daden die God gedaan heeft met Israël, toen Hij hen uitleidde onder Mozes tijdens die tocht, de uittocht en alle plagen. Als wij deze gebeurtenissen meegemaakt zouden hebben, zouden wij verbaasd gestaan hebben over de macht van God. Het zou vast in ons geheugen gegrift zijn. Maar zij stemden niet hun gedachten af op God. Eén van de redenen was dat zij niet de Heilige Geest hadden. Het betekent niet dat wij ook maar iets beter zijn in enig opzicht dan dat zij waren, behalve dat God ons heeft uitgekozen om zijn Heilige Geest in ons te doen wonen, om onze vleselijke begeerten te overwinnen en onze eigen problemen. Dat proces is een heel ernstig zaak.

    Vers 7 gaat verder met de problemen, die hij zag, namelijk afgoderij. Vers 11 laat zien dat het hen overkomen was ter waarschuwing. Het was niet een waarschuwing voor hen die gedood werden. Zij zijn dood. Zij werden gedood. Het werd als een waarschuwing aan de rest van Israël gegeven, en het was een veelbetekenende waarschuwing. En het was een waarschuwing voor ons. Vers 12 e.v. laat zien dat ieder van ons verzocht wordt, maar God geeft u geen verzoeking die buiten uw vermogen ligt en dat u aankan, en Hij geeft u altijd een uitweg wanneer u beproefd wordt. Met andere woorden, er is altijd een deur. Er is altijd een omstandigheid waarbij u zelf kunt kiezen uit twee mogelijkheden en u doet de keuze.

    Er staat geschreven: Het volk zette zich neder om te eten en te drinken, en zij stonden op om te dansen, waarbij de kenmerken van de overspelige praktijken uit die tijd worden weergegeven. God is een naijverig God en Hij duldt geen afgoderij. De achterliggende gedachte van overspel is een zonde van de geest. Deze is de zonde, waarbij het volk zijn eigen God de rug toekeerde. Overspel is de fysieke zonde van afgoderij. God scheidt zich van Israël vanwege afgoderij. God stuurt Israël de woestijn in en straft haar vanwege deze zonden.

    Door het plegen van overspel gaven deze mensen al vooraf een beeld van de beproeving van Christus en de uitverkorenen om Christus te beproeven waarop velen verdelgd werden. Zij gaven op een vleselijk niveau de hogere geestelijke problemen weer, die wij onder ogen moeten zien. Dus zijn alle dingen gewoon om ons voor te bereiden en te tonen wat ons doel moet zijn en welke maatstaven wij zouden stellen. Dit laat u de minimum hoogte van de lat zien bij hoogspringen, maar ons wordt een polsstok gegeven. Wij springen niet tegen de lat, wij gaan er overheen met de polsstok omdat wij de Heilige Geest hebben en deze mensen niet. Wij hebben hogere maatstaven. Soms kunnen de uitverkorenen niet eens voldoen aan de eenvoudige maatstaven van de heidenen, die geen van allen de Heilige Geest hebben.

    1 Korintiërs 10:14-20Daarom dan, mijn geliefden, ont-vlucht de afgoderij! 15 Ik spreek immers tot verstandige mensen; beoordeelt dan zelf, wat ik zeg. 16 Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus? 17 Omdat het een brood is, zijn wij, hoe velen ook, een lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood. 18 Ziet, hoe het gaat bij het Israël naar het vlees: hebben niet zij, die de offers eten, gemeenschap met het altaar? 19 Wat wil ik hiermede dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is? 20 Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan boze geesten en niet aan God en ik wil niet, dat gij in gemeenschap komt met de boze geesten.

    Dit nu is een heel belangrijk begrip. Het offer op het altaar bepaalt, wat u bent, wie u aanbidt en met wie u aanbidt. Het altaar waarnaar u gaat bepaalt welke God u aanbidt en wij moeten beseffen dat dit het belangrijkste is. U kunt niet ongestraft voor het altaar van een valse god verschijnen. De straf is de dood.

    De Exodus en het Pascha laten de val van de gevallen mensen en engelen zien en de gevolgen van het plaatsen van andere goden (elohim) voor God onze Vader. Er is slechts één waarachtige God en die is God de Vader: en Jezus Christus is Zijn zoon.

    1 Korintiërs 10:21-22Gij kunt niet de beker des Heren drinken en de beker der boze geesten, gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben en aan de tafel der boze geesten. 22 Of willen wij de Here tot naijver wekken? Zijn wij soms sterker dan Hij?

    Er is geen mengelmoes. Wanneer u de leer van de Antichrist voortbrengt en een valse tafel, brengt u een valse god voort. De deelname aan de tafel der boze geesten is verboden. Deelname daaraan heeft betrekking op zowel geven als nemen. U kunt geen tienden of offeranden geven aan of ontvangen van valse goden. Ze zijn duidelijk in overtreding met de geboden in Handelingen 15:19-29; 21:25-26; 1 Korintiërs 8:1-13; 10:13-33, in het bijzonder vers 21; 2 Korintiërs 6:16; 1 Tessalonicenzen 1:9-10; 1 Johannes 5:20-21 (wat zegt dat er slechts één waarachtige God is en Jezus Christus Zijn zoon is) en Openbaring 2:14, 20. Het is ons zelfs niet geoorloofd om geld van mensen aan te nemen die in dienst zijn van de organisatie van een valse god. Wanneer u niet weet of het vlees is gewijd aan valse of vreemde goden, kunt u het zonder meer eten, omdat u het eet in onwetend-heid tot de eer van God. Maar wanneer u de oorsprong weet, heeft u geen keuze.

    Er is slechts één brood, het lichaam van Christus, dat ons tot één lichaam maakt, door deel te hebben aan dit ene brood. Er is slechts één beker, de beker des Heren. Verlagen wij Christus door te zeggen dat er slechts één waarachtige God is? Nee, dat doen wij niet. Christus is onze Heer en Meester, en Hij leeft in mij zoals God in mij leeft en hij leeft in u allen, zoals u allen verlost zijt van de dood.

    Door deze symboliek zijn wij apart gezet. De eerste Exodus was om ons uit Egypte te leiden en de natie Israël te vestigen, zodat er een plaats gevestigd kon worden waar God Zijn plan door Zijn profeten kon openbaren.

    Jeremia 31:31-34Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. 32 Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des HEREN. 33 Maar dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des HEREN: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. 34 Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.

    Wij zullen groeien door de Heilige Geest tot het punt waar wij allen God zullen kennen. Daarom is God het hoofd van Christus en het hoofd van iedere man is Christus. Omdat wij de Heilige Geest hebben, kennen wij God, een ieder van ons. Dat is de vervulling van de Schrift van Jeremia. Daarom kan een dienaar zichzelf niet plaatsen tussen iemand van ons en Jezus Christus. Geen dienaar kan tegen u zeggen dat u geen bepaalde handeling behoeft te verrichten die vastgelegd is in de Bijbel en u vrijwaren van uw verantwoordelijkheid. Geen oudste heeft de macht om de wet te verkleinen; niemand van ons kan dit.

    Het verbond dat gesloten moest worden, vereiste het offer van bloed.

    Matteüs 26:26-28En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam. 27 En hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. 28 Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.

    Christus sloot dus een verbond met ons; maar dat verbond vereiste, als alle verbonden, de storting van bloed. Hij werd aangesteld tot onze Hogepriester volgens Hebreeën.

    Hebreeën 8:3Want iedere hogepriester treedt op om gaven en offers te brengen, en om die reden was het noodzakelijk, dat ook deze iets had om te offeren.

    De hogepriester ging het Heilige der Heiligen binnen voor het bloedoffer. De symboliek leidde tot of verwees naar Christus’ offer als bloedoffer. Christus als hoofd had alleen zichzelf om te offeren. Geen ander offer zou toereikend geweest zijn, noch zou het de wijze aangetoond hebben waarop God denkt, en hoe Hij wilde dat wij zouden denken.

    1 Korintiërs 10:24Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is.

    Dit is het zelfde denken wanneer wij terugkomen op de voetwassing. De aansporing was door Christus, waarbij Christus niet zichzelf zocht, maar ons welzijn; de dingen die van ons waren, en om dat te doen, ging hij het offer aan, waarbij hij zijn leven als een voorbeeld voor ons aflegde, zodat wij ons leven voor elkaar zouden moeten afleggen.

    Johannes 6:58Dit is het brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.

    Manna was het prototype, het voorbeeld voor ons, dat wij het brood van Jezus Christus zouden eten. Het brood kwam uit de hemel. Het gaf het beeld weer, dat wij niets konden doen of maken dat voldoende zou zijn. Het was door Christus en zijn offer dat wij de mogelijkheid zouden verkrijgen om Zonen Gods te worden.

    Markus 14:22En terwijl zij aten, nam hij een brood, sprak de zegen uit, brak het, gaf het hun en zeide: Neemt, dit is mijn lichaam.

    Het verbond genoemd Jeremia 31:31 ziet niet vooruit naar een toekomstig verbond. Dat verbond kon alleen in deze tijd geweest zijn, en gevestigd op een voortdurende grondslag.

    Lukas 24:39Ziet mijn handen en mijn voeten, dat ik het zelf ben; betast mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat ik heb.

    Daarom kon het bloed van Christus slechts eenmalig zijn. Toen Christus opgevaren was kon er geen offer meer zijn, omdat hij een geestelijk lichaam zou zijn. Er kon geen verdere fase zijn waarop het verbond kon worden ingevoerd.

    Lees meer...
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl