W.E.N. HART VOL VUUR
World-Evangeisation-Network.
    Recente Tweets
    Abonneren
    Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!
    Laatste reacties

    Bijbelstudie over PESACH - PASEN

    “Dit zijn de feesttijden van Adonai, heilige samenkom-sten, die gij uitroepen zult op de daarvoor bepaalde tijd. In de eerste maand (dat is de maand Aviv ofwel Nisan), op de veertiende der maand, in de avondsche-mering, is het Pesach [Pascha] voor de Eeuwige. En op de vijftiende dag van deze maand is het Chag haMatzot [feest der ongezuurde broden] voor de Eeuwige, zeven dagen zult gij Matzot [ongezuurde broden] eten. Op de eerste dag zult gij een heilige samenkomst hebben; dan zult gij generlei slaafse arbeid verrichten. Gij zult de Eeuwige een vuuroffer brengen gedurende zeven dag-en; op de zevende dag zal er een heilige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten. En de Eeuwige sprak tot Moshe [Mozes]: Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij komt in het land dat Ik u geef, en de oogst daarvan binnenhaalt, dan zult gij de eerstelingsgarve van uw oogst naar de priester brengen, en hij zal de garve voor het aange-zicht van de Eeuwige bewegen, opdat gij welgevallig zijt; daags na de Shabat [sabbat] zal de Kohen [priester] die bewegen. Gij zult op de dag waarop gij de garve beweegt, een gaaf eenjarig schaap de Eeuwige ten brandoffer bereiden, met als bijbehorend spijsoffer twee tienden fijn meel, met olie aangemaakt, ten vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige, en als bijbehorend plengoffer een vierde hin wijn. Tot op die dag zult gij geen brood, geen geroosterd of vers koren eten, totdat gij de offergave van uw G’d gebracht hebt: het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen.” (Vayiq’ra [Leviticus] 23:4-14).

    Instelling van Pesach

    “En de Eeuwige zeide tot Moshe [Mozes] en tot Aharon [Aäron] in het land Mitzrayim [Egypte]: Deze maand (Nisan) zal u het begin der maanden zijn; zij zal u de eerste der maanden van het jaar zijn. Spreekt tot de gehele vergadering van Israël als volgt: op de tiende van deze maand zal ieder voor zich een stuk kleinvee nemen, familiesgewijs, één stuk kleinvee per gezin. Maar indien een gezin te klein is voor een stuk kleinvee, dan zullen hij en de naaste buurman van zijn gezin er een nemen, naar het aantal personen; gij zult bij het stuk kleinvee rekenen met ieders behoefte. Een gaaf, mannelijk, eenjarig stuk kleinvee moet gij nemen; gij kunt dit nemen van de schapen of van de geiten. En gij zult het bewaren tot de veertiende dag van deze maand; dan zal de gehele vergadering der gemeente van Israël het slachten in de avondscheme-ring. Vervolgens zal men van het bloed nemen en dit strijken aan de beide deurposten en de bovendorpel, aan die huizen, waarin men het eet. Het vlees zullen zij dezelfde nacht eten; zij zullen het eten op het vuur gebraden, met ongezuurde broden, benevens bittere kruiden. Rauw of gaar gekookt in water zult gij het niet eten; slechts op het vuur gebraden met kop, schenkels en ingewanden. Gij zult daarvan niets overlaten tot de morgen; wat ervan overblijft tot de morgen, dat zult gij met vuur verbranden. En aldus zult gij het eten: uw lendenen omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand; overhaast zult gij het eten; het is een Pesach voor de Eeuwige. Want Ik zal in deze nacht het land Egypte doortrekken en alle eerstgeborenen, zowel van mens als dier, in het land Egypte slaan en aan alle goden van Egypte zal Ik gerichten oefenen, Ik, de Eeuwige. En het bloed zal u dienen als een teken aan de huizen, waar gij zijt, en wanneer Ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij. Aldus zal er geen verdervende plaag onder u zijn, wanneer Ik het land Egypte sla. En deze dag zal u een gedenkdag zijn, gij zult hem vieren als een feest voor de Eeuwige; in uw geslachten zult gij hem als een altoosdurende inzetting vieren. Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten; dadelijk op de eerste dag zult gij het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want ieder die iets gezuurds eet, van de eerste tot de zevende dag, zo iemand zal uit Israël worden uitgeroeid. Zowel op de eerste als op de zevende dag zult gij een heilige samenkomst hebben; generlei arbeid zal daarop verricht worden; slechts wat door ieder gegeten wordt, alleen dat mag door u bereid worden. Onderhoudt dan het feest der ongezuurde broden, want op deze zelfde dag leid Ik uw legerscharen uit het land Egypte. Daarom moet gij deze dag onderhouden in uw geslachten als een altoosdurende inzetting. In de eerste maand, op de veertiende dag der maand, des avonds, zult gij ongezuurde broden eten, tot aan de eenen-twintigste dag der maand, des avonds. Zeven dagen zal er geen zuurdeeg in uw huizen gevonden worden, want ieder, die iets gezuurds eet, zo iemand zal uit de ver-gadering van Israël worden uitgeroeid, hetzij hij een vreemdeling, hetzij hij in het land geboren is. Niets wat gezuurd is, zult gij eten; gij zult in al uw woonplaatsen ongezuurde broden eten. Toen ontbood Moshe al de oudsten van Israël en zeide tot hen: Trekt heen, haalt kleinvee voor uw geslachten en slacht het Pesach. Daarna zult gij een bundel hysop nemen en in het bloed in een schaal dopen, en van het bloed in die schaal strijken aan de bovendorpel en aan de beide deurposten; niemand van u zal de deur van zijn huis uitgaan tot de morgen. En de Eeuwige zal Egypte doortrekken om het te slaan; wanneer Hij dan het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten ziet, dan zal de Eeuwige die deur voorbij gaan en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan. Gij zult dit voorschrift houden als een altoos-durende inzetting voor u en uw zonen. En wanneer gij komt in het land dat de Eeuwige u geven zal, gelijk Hij gezegd heeft, zult gij deze dienst onderhouden. En wanneer uw zonen tot u zeggen: Wat betekent deze dienst van u, dan zult gij zeggen: Het is een Zevach-Pesach [Paasoffer] voor de Eeuwige, die in Egypte aan de huizen der Israëlieten voorbijging, toen Hij de Egyptenaren sloeg, maar onze huizen spaarde. Toen knielde het volk en boog zich neer. En de Israëlieten gingen heen en deden dit; zoals de Eeuwige Moshe en Aharon geboden had, zo deden zij.” (Sh’mot [Exodus] 12:1-28)

    Verandering door de Kerk

    Door alle generaties heen vieren de Joden ieder jaar Pesach om de uittocht uit Egypte onder leiding van Moshe [Mozes] te herdenken. Het is een bevrijdings-feest, want het volk der Israëlieten werd door de Eeuwige bevrijd uit de slavernij. Voor de messiasbe-lijdende Joden heeft Pesach echter een diepere betekenis gekregen, want door Zijn offer op Golgotha en Zijn opstanding heeft Yeshua ons bevrijd uit de slavernij van de zonde. Dit gebeurde tijdens Pesach, en daarom is het met Pesach eigenlijk dubbel feest! Het is dan ook droevig, dat de niet-joodse christenen hun Paasfeest op een ander tijdstip vieren dan G’d daarvoor heeft voorgeschreven. Dat ze zich daarvoor beroepen op de gregoriaanse kalender mag geen excuus zijn. Ook bij het hanteren van een andere kalender kan men ervoor zorgen, dat het feest even-goed op het juiste tijdstip wordt gevierd. Als er in G’ds Woord staat, dat de Sederavond ofwel het Avondmaal op de 14e Nisan (toen op een woensdag-avond) en daarna het zeven dagen durende feest der ongezuurde broden inclusief Yom haBikurim [de Dag de Eerstelingen], waarop de opstanding van Yeshua heeft plaatsgevonden, op de dag na de eerste Shabat gevierd moet worden, waarom doet men dat dan niet? In Sh’mot[Exodus]12:14 zegt de Eeuwige beslist niet vrijblijvend: “En deze dag zal u een gedenkdag zijn, gij zult hem vieren als een feest voor de Eeuwige; in uw geslachten zult gij hem als een altoosdurende inzetting vieren”. - Het woordje “altoosdurende” wil dus zeggen: voor altijd! Er is nooit door Yeshua of wie dan ook gezegd, dat dit afgeschaft zou zijn en dat we zelf mogen bepalen wanneer wij Zijn lijden en opstanding mogen herdenken. En het is ook een goedkoop excuus om te zeggen, dat men de Joodse kalender niet kent en derhalve niet weet, wanneer 14 Nisan is. In vrijwel elke goede agenda staan de Joodse feestdagen duidelijk vermeld onder de datum van de ‘gewone’ tijdrekening. Men kan daar dus precies zien op welke dagen de Joden in gehoorzaam-heid aan G’d de door Hem voorgeschreven feestdag-en vieren. Maar hoe komt het, dat christenen hard-nekkig en soms zelfs tegen beter weten in hùn feest-dagen op een ander tijdstip vieren, en afhankelijk van het kalenderjaar soms wel met wéken verschil? Gelukkig zijn er ook jaren waarin er ze toevallig gelijk vallen, maar toch!

    Het feest van Ishtar

    Het blijft helaas een feit, dat het “LaatsteAvondmaal” door de christenen op de “Witte Donderdag” wordt herdacht, terwijl de Sederavond op woensdagavond werd gehouden en het sterven van Yeshua op de “Goede Vrijdag”, terwijl dit op donderdagnamiddag heeft plaatsgevonden. Zijn opstanding uit het graf viert de Kerk reeds vanaf de derde eeuw niet op de eerste zondag die in de week van de ongezuurde broden valt, maar op de heidense feestdag ter ere van de lentegodin Astartes ofwel Ishtar. De Engelse naam ‘Easter’ voor Pasen berust dus op de naam ‘Ishtar’. De Germaanse naam voor deze godin der vruchtbaar-heid is ‘Ostara’, vandaar dat Pasen in het Duits ‘Ostern’ heet. De paaseieren, paastakjes en de paas-haas hebben derhalve alles met de vruchtbaarheids-cultus van deze lentegodin te maken, maar beslist niets met de opstanding van Yeshua! De Kerk, die in de vierde eeuw het Paasfeest bewust heeft losgekop-peld van het bijbelse Pesach, geeft dus niet alleen met de gekozen datum, maar zelfs ook met de naamgeving en inhoudelijkheid alle eer aan Ishtar ofwel Astartes, terwijl reeds Sh’mu’el haNavi [de profeet Samuël] daarvoor heeft gewaarschuwd: “Toen zeide Sh’mu’el tot het gehele huis Israëls: Indien gij u met uw gehele hart tot de Eeuwige bekeert, doet dan de vreemde goden en de Astartes uit uw midden weg en richt uw hart op de Eeuwige en dient Hem alleen; dan zal Hij u redden uit de macht der Filistijnen. Daarop deden de Israëlieten de Baäls en de Astartes weg en dienden de Eeuwige alleen.” (Sh’mu’el alef [1 Samuël] 7:3-4). De Israëlieten gaven gehoor aan deze oproep, de Kerk niet! Israël heeft Ishtar weggedaan, de Kerk heeft haar binnengehaald! Interessant detail is overigens, dat Ishtar tevens de godin van de prostitutie was...

    Koninginnedag

    Gelukkig hangt ons behoud niet alleen van het wel of niet houden van feestdagen af, maar van het geloof in Yeshua op de eerste plaats. Maar àls we de door G’d ingestelde feestdagen herdenken - en Yeshua heeft ons opgedragen de wil van Zijn Vader te doen, - laten we het dan wèl doen op het tijdstip, dat de Eeuwige daarvoor heeft bepaald! Als men daarbij op technis-che problemen stuit, wil ik gaarne verwijzen naar de in Nederland zo populaire Koninginnedag. Ook al wordt dit op 30 april uitbundig gevierd, toch zijn er nog genoeg mensen die erbij stil blijven staan, dat de koningin eigenlijk op 31 januari jarig is. Er is niemand die loopt te verkondigen, dat hare majesteit koningin Beatrix op 30 april jarig zou zijn. Dat doet de Kerk aangaande Yeshua wel, niet alleen met Pasen, maar ook met alle andere feestdagen inclusief Kerstmis! Het jaar 5759, waarin ik deze bijbelstudie schreef, was echter buitengewoon fascinerend, omdat het één van de jaren was, dat de periode waarin Yeshua zich heeft geofferd, gelijk liep met de Romein-se kalender en we derhalve al de gebeurtenissen van toen dag voor dag en uur voor uur konden reconstru-eren (zie bijliggend schema). Deze reconstructie geeft ons de mogelijkheid om allerlei vragen te beantwoor-den, die door de eeuwenlange kerktraditie zijn ont-staan. De Kerk heeft zich onvoldoende gerealiseerd, dat Yeshua en Zijn Sh’lichim [apostelen] belijdende Joden waren en dat ook B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] deel uitmaakt van de Joodse heilige geschriften en dat een zekere kennis van het Jodendom een eerste vereiste is voor het verstaan van de B’sora tova [het Evangelie].

    Goede Vrijdag

    Een vraag die velen bezighoudt is hoe het zit met de Goede Vrijdag als sterfdag van Yeshua. Een eenvoudig rekensommetje geeft aan dat het niet kàn kloppen. Volgens alle vier evangeliën is Yeshua ten derden dage opgestaan uit de dood. Als Hij op vrijdag gestorven zou zijn om drie uur in de namiddag, dan zou Hij maar twéé nachten en slechts één hele dag in het graf hebben gelegen, want op vrijdagavond begint de nieuwe dag reeds om zes uur volgens de Joodse tijdrekening. De opstanding op zondagochtend zou dan logischerwijze ten tweeden dage plaats hebben gevonden, wat echter duidelijk in strijd is met zowel de evangeliën alsook met de profetieën. Het is zo overduidelijk dat dit niet kan, en toch week de Kerk in vrijwel al haar denominaties van katholiek via protestants naar evangelisch toe geen duimbreed af van het dogma van de Goede Vrijdag! Hoe kan dat nou? Kunnen ze allemaal niet tot drie tellen? Men beroept zich op het feit, dat op dezelfde avond na het sterven van Yeshua de Shabat zou beginnen en men weet (of denkt te weten), dat èlke Shabat op vrijdag-avond begint. Dus gaat men er automatisch van uit, dat de kruisiging ook op een vrijdag gebeurd moet zijn. En zo is de dwaalleer van de Goede Vrijdag de wereld in gekomen. Het getuigt ten overvloede van het gebrek aan kennis van de door Yeshua zelf gepraktiseerde Joodse rituelen en gebruiken. De evangelist Yochanan [Johannes] maakt immers niet voor niets melding van het feit dat de op de kruisiging van Yeshua volgende Shabat groot was: “De Yehudim [Joden] dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op Shabat aan het kruis mochten blijven (want de dag van die Shabat was groot) vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden”. (Yochanan [Johannes] 19:31). Wat wordt ermee bedoeld, dat de Shabat groot was? Over welke dag hebben wij het eigenlijk? Yeshua is gearresteerd na de sedermaaltijd en is gestorven op 14 Nisan, tijdens Pesach. De dag, die drie uur later zou beginnen, is dus 15 Nisan, de dag van de onge-zuurde broden: Yom haMatzot, en tevens de eerste van het zeven dagen durende feest. Destijds werden Pesach en Yom haMatzot nog door de meeste Joden met uitzondering van de Farizeeën en de Sadduceeën als twee afzonderlijke feesten gevierd, maar tegen-woordig vormen zij één geheel. In Vayiq’ra [Leviticus] 23:7 lezen we dat op de eerste dag van het feest der ongezuurde broden, dus 15 Nisan, niet gewerkt mag worden en er een heilige samenkomst moet worden gehouden. Hetzelfde geldt overigens ook voor 21 Nisan: “En op de vijftiende dag van deze maand is het feest der ongezuurde broden voor de Eeuwige, zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten. Op de eerste dag zult gij een heilige samenkomst hebben; dan zult gij generlei slaafse arbeid verrichten. Gij zult de Eeuwige een vuuroffer brengen gedurende zeven dagen; op de zevende dag zal er een heilige samenkomst zijn; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten”. De eerste en zevende dag van Pesach zijn dus als het ware extra ingelaste Shabatot [meervoud van Shabat]. De dag na de kruisiging was dus zo een extra Shabat, die dan wordt gevolgd door de gewone Shabat. Het was dus geen vrijdag maar donderdag, en dat klopt ook volgens de Luach [Joodse agenda] van het jaar 5759, waarin ik deze studie schreef. Dat met de toevoeging ‘groot’ wordt aangegeven, dat het hier niet om een ‘gewone’ Shabat ging, maar om een feestdag, komt in de Engelse King Jamesvertaling van Yochanan [Johannes] 19:31 heel duidelijk naar voren: “...for that Sabbath day was a high day”. A high day - een hoogtijdag dus! De Duitse Kepplerver-taling zegt het zelfs nog duidelijker: “...weil jener Sabbat ein hohes Fest war”. Ein hohes Fest - een hoge feestdag, dus niet de gewone Shabat, die op vrijdag-avond begint! In Yochanan [Johannes] 19:14 lezen we over de sterfdag van Yeshua: “En het was Voorbe-reiding voor het Pesach” - In het Hebreeuws staat er Erev haPesach. Hier wordt duidelijk gezegd dat Pesach, zoals de Joodse leiders toen al de eerste dag van het feest der ongezuurde broden noemden, de volgende dag zou beginnen: de extra ingelaste Shabat dus en niet de gewone die een dag later was! Dit wordt ook door de Talmud bevestigt: “Aan de vooravond van Pesach is Yeshua haNotzri [Jezus de Nazarener] gehangen...” (Babylonische Talmud, traktaat over het Sanhedrin 2:43a). Dat de Farizeeën, die de huidige Joodse tradities zo sterk beïnvloedden, de Pesach Seder een avond later vierden dan Yeshua en het gewone volk, is een andere dwaling die ik in een aparte bijbelstudie zal behandelen, maar in het kader van deze studie levert deze vermelding voldoen-de bewijs dat de kruisiging nooit op vrijdagmiddag had kunnen plaats vinden.

    De schuldvraag

    Een andere vraag die velen bezig houdt, is de schuldvraag. Wie was er verantwoordelijk voor het lijden en sterven van onze Heer en Verlosser? Eeuwenlang wees de Kerk zonder te aarzelen de schuldigen aan: de Joden! “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!” Deze uitroep van de menigte, die in het evangelie van Matityahu [Matthéüs] 27:25 opgetekend staat, werd aangegrepen om te bewijzen dat tot in lengte van dagen de Joden door de dood van Yeshua zouden zijn vervloekt. De schrijver Matityahu zèlf trekt echter geen enkele zodanige conclusie en de objectieve lezer zal de geciteerde tekst ook alleen maar lezen in het kader van het verhaal over de kruisiging, niet méér en niet minder, en dan nog afgezien van het feit dat het bloed van Yeshua nooit een vloek, maar juist zegen en verlos-sing brengt!. Matityahu heeft het hier weliswaar over ‘het volk’, maar zegt in een eerder hoofdstuk (26:5) met nadruk dat de vijanden van Yeshua bang waren Hem in het openbaar te arresteren “omdat er geen opschudding zou ontstaan onder het volk”. Uit alle evangeliën blijkt zonneklaar dat Yeshua onder de Joodse volksmassa’s veel aanhangers had. De door Matityahu genoemde vijandige menigte is dus niet ‘het volk’, maar een bepaalde groepering waarvan niet eens duidelijk is of ze in halachisch opzicht überhaupt Joden genoemd mogen worden, want volgens de Halacha, de Joodse religieuze wetgeving, is het voor Joden namelijk absoluut onmogelijk om op de 14e Nisan een rechtszaak te voeren en een dood-vonnis te voltrekken, laat staan bij te wonen. Het optreden van Yeshua, dat volstrekt niet op een omverwerping maar juist op een verdieping van de Joodse G’dsdienst gericht was, heeft onder de Sof’rim [schriftgeleerden] in het geheel geen beroering gewekt, en van die zijde heeft men waarschijnlijk niet eens aanleiding gevonden, om tegen Hem op te treden. En de P’rushim [Farizeeën] hadden volstrekt geen ruzie met Hem. Hun zogenaamde ‘twistgesprek-ken’ verschilden dan ook in geen enkel opzicht van de vele heftige theologische discussies tussen rabbijnen onderling. Integendeel: regelmatig nodigden P’rushim Hem uit voor een maaltijd (zie o.a. in Lucas 7:36, 11:37 en 14:1) en er behoorden zelfs ook enkele P’rushim zoals Naq’dimon [Nicodemus] tot Zijn volgelingen. Men liet Hem daarom ook ongehinderd in de tempel prediken (Mt. 26:55, Mc 14:48 en Lc 22:53). De felle tegenstanders van Yeshua waren dus zeker geen gelovige Joden en beslist niet representa-tief voor het Joodse volk! Het waren dan ook geen religieuze maar politieke overwegingen, die de vrijz-innige Tzaduqim [Sadduceeën] en de Herodianen, die bijzonder beducht waren voor een herstel van het Davidische koningschap in de persoon van Yeshua haMashiach, er toe geleid hebben, om Zijn veroorde-ling bij Pilatus door te drijven.

    Het Sanhedrin

    Ondanks de bovenstaande argumenten is het toch een vrij algemene veronderstelling dat het Sanhedrin, de Hoge Raad der Joden, Yeshua heeft veroordeeld en aan Pilatus heeft overgeleverd om het doodvonnis ten uitvoer te laten brengen. In de evangelieverhalen over dit proces wordt tenminste de indruk gewekt, dat het voltallige Sanhedrin zich daaraan schuldig gemaakt zou hebben (Mt 26:59, Mc 15:1 en Lc 22:66). Maar was dat ook zo? Sterker nog: kòn dat wel? De schrijvers van de evangeliën bedoelden in elk geval niet een historisch relaas te geven maar wilden op de eerste plaats getuigen van het verzoenend lijden en sterven van Yeshua. In deze bijbelstudie wil ik echter proberen, om nader in te gaan op vragen waar men zonder het raadplegen van Joodse bronnen niet uit-komt. Wat weten we bijvoorbeeld van het Sanhedrin? Behalve de naam weten de meeste christenen niet veel en nog minder goeds daarover. Om meer te weten te komen over de Hoge Raad moet men het traktaat “Sanhedrin” in de Mishna raadplegen. De Hoge Raad was een Joodse bestuursinstelling en rechterlijke macht in de stad Jeruzalem en bestond in navolging van Bamid’bar [Numeri] 11:16 uit 71 (70+1) leden, onder voorzitterschap van de Kohen haGadol [hogepriester]. In het Sanhedrin waren drie groepen vertegenwoordigd:

    1. De overpriesters (het regerend comité), meest Tzaduqim [Sadduceeën], die zich niet aan de ‘mondelinge leer’ hielden.
    2. De oudsten (hoofden van voorname families).
    3. De schriftgeleerden ofwel Sof’rim. Het waren P’rushim [Farizeeën], waaronder zich ook vele priesters bevonden. Uit de kringen van de P’rushim is overigens de bekende Mishna- en Talmud-traditie ontsproten.

    Het proces

    Ook al hadden oorspronkelijk de Tzaduqim het over-wicht, later wonnen de P’rushim meer invloed in het Sanhedrin. Zo werden halachische beslissingen niet in de mond van de regerende hogepriester gelegd, wat eigenlijk voor de hand had gelegen, maar in de mond van een farizeese autoriteit. En als dit ten aanzien van halachische zaken gold, hoeveel te meer dan in het geval van een mogelijk doodvonnis, waar het juist zo sterk op aankwam op het correct hanteren van de halachische voorschriften. Juridisch was het dus onmogelijk dat Qayafa haKohen haGadol [de hogepriester Kajafas] een dergelijk doodvonnis had mogen uitspreken. Ook het feit dat Yeshua (zie Yochanan [Johannes] 18:12-27) eerst voor Chanan [Annas], de schoonvader van Qayafa werd geleid, toont wel aan dat men zich niet al te veel gelegen liet aan naleving van de regels en normen. Gezien het feit, dat Chanan al een hele tijd niet meer als hogepriester fungeerde omdat de Romeinen zich na een conflict van hem ontdeden, was er geen enkele juridische grond om Yeshua voor hem te geleiden. Daar wees Yeshua dan ook op en zei: “Waarom ondervraagt gij mij?” Yeshua erkende dus het gezag van de oude man niet. Een boze gerechtsdienaar gaf Hem daarom een klap in het gezicht, en dat was alwéér een inbreuk op de regels: het was streng verboden een verdachte te slaan! Ook nog een heel ander aspect toont aan dat de gebruikelijke vormen niet in acht werden genom-en: het tijdstip van de rechtszitting! Ten eerste was het volgens Mishna IV, hoofdstuk 4 niet toegestaan om ‘s nachts te procederen in halszaken. Men moest overdag rechtspreken en ook bij dag afsluiten. Bij vermogenszaken daarentegen mocht men overdag rechtspreken en ‘s avonds laat afsluiten. Bij vermog-enszaken deed het er ook niet toe of men overdag afsloot met een vrijspraak of een veroordeling. Maar bij halszaken mocht men bij vrijspraak op de dag zelf sluiten, op de dag erna in geval van veroordeling. Daarom sprak men geen recht in halszaken op de dag voor Shabat of voor een grote feestdag zoals in dit geval Pesach. De rechtszitting over Yeshua was duidelijk een halszaak, maar door het niet naleven van de regels moet men ervan uitgaan dat de P’rushim hierbij niet aanwezig waren. Sterker nog: Van de ‘zitting’ ten huize van de hogepriester krijgen wij de indruk van een gesloten bijeenkomst, waar men alleen maar met speciale introducties binnen kon komen (Yochanan [Johannes] 18:16). Voor halszaken was men echter verplicht gebruik te maken van de speciale ruimte voor het Sanhedrin op de Tempelberg, om precies te zijn: in een stenen zaal op de binnenste voorhof. Een halsproces ten huize van de hogepriester was binnen de farizeese traditie ondenk-baar! Het volk stond in het algemeen aan de zijde van de P’rushim. Wanneer Yeshua populair was bij het volk, dan lag het dus voor de hand dat de Tzaduqim ‘s nachts in het geheim hun slag zouden slaan “uit angst voor het volk” (Lc 22:2). Bovendien hadden de P’rushim, die deel uitmaakten van het Sanhedrin, indien ze aan de bijeenkomst bij Qayafa [Kajafas] hadden deelgenomen, zeker een strikte naleving van de regels geëist!

    De getuigen

    In Matityahu [Matthéüs] 26:59-60 lezen wij: “De overpriesters en de gehele Raad (?) trachtten een vals getuigenis tegen Yeshua te vinden om Hem ter dood te brengen, maar zij vonden er geen, hoewel er vele valse getuigen optraden”. Dit is duidelijk in strijd met het Talmud-tractaat over het Sanhedrin, hoofdstuk 4: “Op welke wijze boezemde men de getuigen in hals-zaken ontzag in? Men voerde ze binnen en boezemde ze ontzag in met deze worden: Misschien spreekt gij op grond van een vermoeden of van horen zeggen of op grond van wat gij van andere getuigen gehoord hebt, of denkt gij: wij hebben het uit de mond van een betrouwbaar man gehoord; of misschien weet gij niet, dat wij u aanstonds door nauwkeurig onderzoek op de proef zullen stellen. Weet, dat halszaken niet gelijk staan met geldzaken, want bij geldzaken kan iemand het geld teruggeven en dan strekt hem dat tot verzoening, maar in halszaken blijft de schuld voor het vergoten bloed van hem (n.l. de gedode) en van zijn mogelijke nakomelingen op hem (de valse aanklager) rusten tot het einde van de wereld. Zo vinden wij bij Qayin [Kaïn], die zijn broeder verslagen heeft, dat er in de heilige Schrift gezegd wordt: “Het meervoudige bloed (het woord voor bloed Dam staat in B’reshit [Genesis] 4:10-11 in meervoud: D’mei) van uw broeder schreit tot Mij”. Er staat niet “Dam - het bloed van uw broeder”, maar: D’mei - het meervoudige bloed van uw broeder”, namelijk zijn bloed en dat van zijn mogelijke nakomelingen... Daarom is de mens als enige geschap-en, om u te leren, dat wanneer iemand een enkele persoon vernietigt, de Schrift het hem aanrekent, alsof hij een gehele wereld vernietigd heeft, en dat, als iemand één enkele persoon in leven houdt, de Schrift het hem aanrekent, alsof hij een gehele wereld behouden heeft... Misschien zult gij echter zeggen: “Waartoe halen wij ons al die onaangenaamheid op de hals door als getuige op te treden?” Er is echter gezegd (Vayiq’ra [Leviticus] 5:1): “Wanneer hij getuige was, of het gezien heeft, of het weet, indien hij het dan niet meedeelt, zal hij zijn schuld dragen”. De Mishna zegt dus duidelijk: in het geval van valse getuigenis bij een halszaak kleeft het bloed van de onschuldig veroor-deelde met dat van diens mogelijke nageslacht aan hem tot het einde van de wereld. Volgens de Mishna in hoofdstuk 4 begint men bij halszaken bovendien niet met argumenten tot veroordeling, maar met die tot vrijspraak omdat de Tora dit zelf ook doet (vgl. Bamid’bar [Numeri] 5:19-20). Voorts wordt verklaard dat bij een halszaak, in geval men niet tot vrijspraak heeft kunnen concluderen, de zitting verdaagd wordt naar de volgende dag; de rechters dienen zich twee aan twee terug te trekken. Zij moeten gedurende de hele nacht samen studeren op de bijbelplaatsen, die materiaal bevatten dat in verband staat met de gepleegde misdaad en die licht kunnen werpen op de zaak. De volgende dag wordt het proces voortgezet. Vindt men nog steeds geen schuld, dat wordt de beklaagde vrijgelaten. Komt men echter niet tot overeenstemming, dan wordt er gestemd: bij 12 stemmen voor veroordeling en 11 voor vrijspraak wordt het Hof telkens met 2 rechters aangevuld tot een maximum van 71 tot er een meer-derheid is van 1 stem voor vrijspraak of van minstens 2 stemmen voor veroordeling. Was dit bij het proces tegen Yeshua het geval? Neen!

    Conclusie

    Welke conclusie kunnen wij hieruit trekken? Heel wat specialisten betwijfelen tegenwoordig op grond van het bovenstaande materiaal, of het college dat Yeshua veroordeelde, hiervoor zoals voorgeschreven een plenaire zitting heeft gehouden. Indien de farizeese leden van het Sanhedrin hierbij aanwezig waren geweest, hadden ze zeer zeker geëist, dat de rechten van de beklaagde in acht genomen moesten worden, zoals ze dat ook deden in het jaar 62, toen de hogepriester Ananus (ook een Sadduceeër net als Kajafas) zonder hen te verwittigen het Sanhedrin bijeenriep om Ya’aqov [Jacobus] en enkele andere messiasbelijdende Joden te veroordelen. De P’rushim toonden toen aan dat die zitting onwettig was omdat ze ervan buitengesloten waren, en bewerkstelligden dat de hogepriester onmiddellijk uit zijn functie werd ontheven. (Josephus Flavius, Antiquitates Judaicae XX, 199-203).
    - Samenvattend mogen wij dus concluderen dat de tijd (een halsproces mocht alleen maar in het begin van de week aanvangen, en dan zeker niet ‘s nachts), de locatie (het huis van de hogepriester) en de perso-nages (het ontbreken van de P’rushim) het uitermate onwaarschijnlijk maken dat het hier ging om een officiële zitting van het Sanhedrin. Het lijkt er meer op dat we hier te maken hadden met een complot, een schijnproces, waaraan een aantal hoge sadduceese gezagsdragers meegewerkt hadden. Zo heeft de Eeuwige in Zijn plan, dat al voor de grondlegging van de wereld bedacht was, een rechtszitting die juridisch gezien eigenlijk niet kon doen plaatsvinden om het verzoenend lijden en sterven van Zijn Zoon Yeshua mogelijk te maken. Hij heeft alles tot in de kleinste details doen kloppen, want toen Yeshua op woensdag-avond, 14 Nisan, aan de Sedertafel het Avondmaal instelde wist Hij reeds, dat Hij zelf het Paaslam zou zijn, dat geslacht moest worden op Golgotha. Zoals het bloed van het eerste paaslam de engel des doods aan de huizen van de Israëlieten voorbij liet gaan, brengt het bloed van het tweede Paaslam, Yeshua, ons allen redding van zonde en dood: “En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van Mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden”. (Matityahu [Matthéüs] 26:27-28). Op donderdagmiddag om 15.00 uur, nog steeds 14 Nisan, leek het alsof de wereldgeschiedenis ten einde was, toen Yeshua stierf aan het kruis. G’ds machtige hand heeft ze met Pesach opnieuw laten beginnen.

    Het Kruis

    Sommige kerkgenootschappen beweren, dat Yeshua niet aan een kruis zou zijn gespijkerd, maar aan een paal was opgehangen. Puur taalkundig gezien lijkt het erop dat zij hierin gelijk hebben omdat in de Griekse teksten van het Nieuwe Testament met betrekking op het voorwerp waaraan Yeshua ter dood is gebracht inderdaad het woordje stauros wordt gebruikt, hetgeen "paal" betekent. Welnu, het ophangen aan een paal was echter geen Romeinse straf, maar een typische executie-methode bij al de volken in het Midden-Oosten. Denk maar aan sommige verhalen in TeNaCH. Ik zal een aantal noemen: "Binnen drie dagen zal Farao uw hoofd verhogen, boven u, en u aan een paal hangen en het gevogelte zal het vlees van u afeten." (B'reshit [Genesis] 40:19). "Wanneer iemand een zonde begaat, waarop de doodstraf staat, en hij wordt ter dood gebracht en gij hangt hem aan een paal, dan zal zijn lijk gedurende de nacht niet aan de paal blijven, maar gij zult hem dezelfde dag nog begraven, want een gehangene is door G'd vervloekt en gij zult het land dat de Eeuwige, uw G'd, u als erfdeel geven zal niet verontreinigen." (D'varim [Deuteronomium] 21:22-23). "De koning van Ai spietste hij op een paal tot aan de avondstond; tegen zonsondergang gebood Y’hoshua [Jozua], dat men zijn lijk van de paal zou afnemen en men wierp het neer bij de ingang van de stadspoort; daarna richtte men boven hem een grote steenhoop op, die er is tot op de huidige dag." (Y'hoshua [Jozua] 8:29). "Voorts is door mij bevel gegeven, dat er van ieder die dit besluit overtreedt, een paal uit zijn huis zal worden gerukt, opdat hij daaraan gehangen en vastgeslagen worde, en dat daarom zijn huis tot een puinhoop zal gemaakt worden." (Ez’ra [Ezra] 6:11).- In al deze teksten (er zijn nog meer, dit zijn maar een paar voorbeelden) wordt terecht het Hebreeuwse woord haEtz gebruikt voor "de Paal", omdat het hangen aan een paal destijds een verbreide vorm van de doodstraf was bij de Israëlieten en hun buurvolk-eren. In alle Hebreeuwse uitgaven van het Nieuwe Testament (B'rit haChadasha), die ik in huis heb, kom ik het woord "haEtz" in dit verband echter nergens tegen omdat er tijdens de Romeinse overheersing in Judea niemand bevoegd was om de doodstraf te voltrekken dan de Romeinen alleen! Daarom wordt in B'rit haChadasha voor de executie van Yeshua consequent het Hebreeuwse woord haTzlav gebruikt, dat toch echt wel "het Kruis" betekent en niet “de Paal”. Er is namelijk geen enkel historisch bewijs dat Yeshua aan een paal stierf, want de Romeinse geschiedschrijving zelf wijst uit dat niet het ophangen aan een paal, maar aan een kruis destijds de gebruikelijke Romeinse straf was. Tacitus, maar vooral ook de Joodse geschiedschrijver Josephus Flavius maken hier bijvoorbeeld melding van. Zij noemen de martelpaal, die in het Grieks stauros genoemd wordt, in het Latein CRUX, dus "kruis". Zo zou b.v. Alexander Jannaeus na een farizeeën-opstand 800 van zijn tegenstanders hebben gekruisigd (Antiquitates Judaicae XIII, 380). Over andere massakruisigingen als gevolg van Joodse opstanden tegen Rome bericht Josephus in Antiqui-tates Judaicae XVII, 295 en XX, 129. De kruisiging werd door de Romeinen gezien als de meest schande-lijke doodstraf, ongehoord voor Romeinse burgers en daarom ook uitsluitend toegepast op misdadigers en tegenstanders uit onderworpen volken. Zij zullen derhalve voor de Jood Yeshua hierin geen uitzonde-ring gemaakt hebben. Volgens de gedetailleerde Romeinse verslagen geschiedde de kruisiging door ophanging aan een paal met een dwarsbalk, waaraan de handen met touwen of spijkers waren bevestigd. In Yochanan [Johannes] 20:25 lezen wij: "Maar hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen niet zie de tekenen der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in Zijn zijde, zal ik geenszins geloven" Er wordt hier inderdaad gesproken van nagels ofwel spijkers in de handen van Yeshua, en in meervoud, want er waren blijkbaar meer spijkers gebruikt bij de terechtstelling, wat alleen kan als Yeshua met gespreide armen aan de dwarsbalk van het kruis genageld werd, en niet met de handen op elkaar aan een paal zoals wij vaak zien op afbeeldingen in de Wachttoren. Daarna werd de dwarsbalk met het naakte lichaam volgens de Romeinse beschrijvingen aan de reeds gereedstaande paal omhooggetrokken en de voeten eveneens met twee spijkers hieraan bevestigd, wat ook bij Yeshua het geval was, zoals duidelijk in Lucas 24:39 geschreven staat: "Ziet Mijn handen en Mijn voeten, dat Ik het zelf ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb." Voorts was het bij de Romeinen toen gebruike-lijk, dat op weg naar de kruisiging voor de veroor-deelde uit een plankje met daarop zijn beschuldiging werd gedragen, soms werd het hem ook omgehangen. Bij de kruisiging werd dit plankje, dat in het Latijn Titulus [opschrift] heette, aan het kruis boven het hoofd bevestigd. Ook bij Yeshua was dat niet anders, zoals uit Matityahu [Matthéüs] 27:37 blijkt: "En boven Zijn hoofd brachten zij op schrift de beschuldi-ging tegen Hem aan: dit is Jezus, de Koning der Joden". Wanneer een paal zou zijn gebruikt in plaats van een kruis, dan zou het niet mogelijk geweest zijn om dit plankje boven zijn hoofd te plaatsen. In de Wachttoren wordt dan ook een opschrift boven de handen van Yeshua afgebeeld, wat dus in strijd is met Mt. 27:37. Maar wat stond er precies op de Titulus? Volgens Marcus 15:26 dit: "En het opschrift, dat de beschuldiging tegen Hem vermeldde. luidde: De Koning der Joden". In Lucas 23:38 staat het net ietsje anders: "Er was ook een opschrift boven Hem: Dit is de Koning der Joden". Het feit dat al deze beschrij-vingen niet echt eensluidend zijn zou men kunnen toeschrijven aan de afstand van het opschrift aan het kruis naar de toeschouwers. Ik zou mij best kunnen voorstellen dat de mensen die verder achterin stonden aan de voorste toeschouwers vroegen wat er eigenlijk precies op het plankje stond en het antwoord werd dan waarschijnlijk via via naar achteren doorge-geven, ieder met zijn eigen woorden. Het meest gedetailleerd vinden wij het opschrift echter in Yochanan [Johannes] 19:19-20, waar wij aldus lezen: "En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven: Jezus, de Nazoreeër, de Koning der Joden. Dit opschrift dan lazen vele der Joden, want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks." Op de Titulus stonden dus niet de initialen INRI geschreven, die we vaak op schilderijen of tekeningen tegenkomen, maar in drie talen voluit.

    Het is overigens bijzonder boeiend om het Hebreeuw-se opschrift ook even fonetisch weer te geven, want dat lezen wij als volgt: YESHUA HANOTZRI VEMELECH HAYEHUDIM! - Ziet u het ook welke beginletters daar staan? In het Hebreeuws zijn dat van rechts naar links de letters Yod, He, Vav en He: YHVH ofwel JHWH en dat geeft duidelijk aan wie Hij is! Boven het hoofd van Yeshua stond dus de vier-letterige naam van G'd aan het kruis gespijkerd!!! Wonderlijk... - Ik weet wel dat er ook andere Hebreeuwse vertalingen van het Nieuwe Testament zijn, waarin dit niet zo duidelijk naar voren komt, zoals ook in de vier Evangelieën verschillende versies van het opschrift bestaan, en ik zal daar ook echt geen twistpunt van maken, maar ik vind het toch evengoed een prachtige hint die de Eeuwige ons hier geeft!

    Een nieuw begin

    Het was onmogelijk, dat de Zoon van G’d in het graf kon blijven. Hij is opgestaan ten derden dage! Hij is waarlijk opgestaan op Yom haBikurim, de Dag der Eerstelingen! Hij leeft! Het geheimenis van de ver-zoening wordt schitterend onder woorden gebracht door de apostelen met de oproep om ons geloof en vertrouwen te vestigen “op Hem, die Yeshua, onze Heer, uit de doden opgewekt heeft, die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze recht-vaardiging.” (Romeinen 4:25). “...zo heeft G’d in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat Zijn Mashiach moest lijden. Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van ver-ademing mogen komen van het aangezicht van Adonai, en Hij de Mashiach, die voor u tevoren bestemd was, Yeshua, zende; Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan G’d gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher.” (Mif’alot [Handelingen 3:18-21). En tenslotte: “Want indien gij met uw mond belijdt, dat Yeshua Heer is, en met uw hart gelooft, dat G’d Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden!” (Romeinen 10:9).

    Ik wens u allen een vrolijk en bijzonder gezegend, maar vooral een bevrijdend paasfeest: Pesach sameach!!!

    Bron: Werner Stauder

    Lees meer...

    Bijbelstudie over het

    LOTENFEEST – PURIM

    Op de website www.verzet.org komen wij de volgende opmerkelijke passage over de executie van de Duitse oorlogsmisdadiger Julius Streicher tegen: “Net voor hij zou worden opgehangen riep Streicher uit "Heil Hitler!". Maar om een onbekende oorzaak brak het touw en Streicher tuimelde op de grond. Besloten werd om hem opnieuw op te hangen na vijftien dagen, op 16 oktober 1946. Op weg naar het schavot spuwde hij de beul in zijn gezicht en net voor hij stierf riep hij nog uit: ‘Heil Hitler! Dies ist mein Purimfest 1946! Ich gehe zu Gott! Die Bolschewisten werden eines Tages Euch auch hängen!’, spottend verwijzend naar het Joodse Purimfeest dat werd ingesteld om de verhindering van de door Haman geplande Jodenmoord te vieren, waarbij Haman uiteindelijk zelf werd opgehangen.” - Tot zover het citaat van verzet.org. Maar wat bedoelde Streicher eigenlijk hiermee en in hoeverre zei hij dit spottend verwijzend naar het Joodse Purimfeest? Dat wordt toch doorgaans eind februari of begin maart gevierd terwijl de executie van Streicher in oktober plaats vond. Wat is de link? Hoe kon hij de dag waarop hij werd opgehangen “zijn” Purimfeest noemen? Was hier soms meer aan de hand? Was hij de enige die op 16 oktober 1946 werd opgehangen en waren er nog meer overeenkomsten met de gebeurtenissen waarop het Purimfeest is gebaseerd? Om deze en vele andere vragen te kunnen beantwoorden is het noodzakelijk om eerst het Bijbelboek Ester in zijn geheel te lezen. Mocht u zelf niet over een eigen exemplaar van de Bijbel beschikken dan kunt u het ook online lezen op de website van het Nederlandse Bijbelgenootschap:
    http://www.biblija.net/biblija.cgi?m=Est&id42=1&id18=1&... en pas als we op de hoogte zijn van de Bijbelse en historische feiten kunnen we een duidelijker beeld krijgen over de Jodenvervolging in het Perzische Rijk en in het Derde Rijk, en gezien de afloop ook G’ds directe ingrijpen voor de redding en de bevrijding van Zijn uitverkoren volk, want we zullen in deze studie enkele verbazingwekkende en zelfs schokkende onthullingen tegenkomen, die rationeel niet verklaarbaar zijn.

    G'elijker beeld krijgen over G'van deze historische feiten kunnen we een

    Haman, de Jodenhater
    nog van de door Haman geplande jp een natuurlijke wijze niet verklaarbaar zijn.
    De oorsprong van het Purimfeest gaat terug naar de tijd van het boek Ester, dat meer dan 2.500 jaar geleden werd geschreven. Dit boek beschrijft een waargebeurde geschiedenis die zich in het jaar vijfhonderd voor de gewone tijdrekening afspeelde in het Perzische Rijk, het huidige Iran, en handelt over de redding van de Joden uit de handen van Haman, de eerste minister tijdens het koningschap van Achash’verosh,e nt huidigeche Rijk ezen hest gaat terug in Europa door het verhaal van Leonidas en de zeeslag bij Salamis meer bekend als Xerxes, de de zoon van Darius I en Atossa uit het huis van de Achaemenidenerxesingen. Het verhaal gaat dat koning Achash’verosh de mooiste meisjes uit het hele rijk naar zijn burcht Shushan liet brengen om een bruid te kiezen nadat hij zijn vrouw Vash’ti verstoten had. Zijn keuze viel op het Joodse meisje Hadassa, die echter haar afkomst, op advies van haar neef en pleegvader Mordechai geheim hield en daarom de Perzische naam Ester gebruikte. Het was liefde op het eerste gezicht! Op het hof had echter Haman, een directe afstammeling van Ameleq,et was liefde op het eerste gezicht! de erfvijand van het Joodse volk, een belangrijke functie en daarom moest iedereen voor hem buigen. Mordechai weigerde dit echter omdat Joden alleen voor de Eeuwige mogen buigen. Daarom had deze voorname hoveling Haman in het jaar 473 van de gewone jaartelling besloten om alle Joden uit te laten roeien die in het Perzische rijk woonden. Het lukte hem uiteindelijk om koning Achash’verosh te overreden een wet te tekenen waarin bepaald werd dat alle Joden op een bepaalde dag zouden worden gedood. Men wierp destijds het lot om na te gaan wat voor een bepaalde gebeurtenis de meest geschikte dag was. Het Hebreeuwse woord dat in de originele Ester-rol voor “lot” wordt gebruikt, is Pur, meer-voud Purim, en is afgeleid van het Akkadische woord “Pūru”. De Nederlandse vertaling van Purim is dan ook Lotenfeest. Het noodlot voor de Joden werd dus letterlijk door het lot bepaald en de dag die Haman daarvoor uitkoos viel op de 13e Adar (februari/-maart). Haman was een uitgesproken antisemiet, en wilde er koste wat het kost voor zorgen dat de koning alle Joden in zijn rijk zou uitroeien. En hier zien we dus duidelijk de overeenkomst met de in het begin van deze studie genoemde Julius jkep det met gebaseerd? st is gebaseerd? Streicher, die in 1925 het antisemitisch weekblad ‘Der Stürmer’ heeft gesticht. Hij was van meet af aan berucht om zijn patholo-gische Jodenhaat, zoals die tot uiting kwam in zijn felle artikelen in ‘Der Stürmer’. Hij schreef onder andere: "Het Joodse volk moet uitgeroeid worden met wortel en tak. Dan zal de plaag der pesten in één klap voorgoed uit Polen verdwijnen!" (september 1939), "De Jood is een duivel in mensengedaante. Het is gepast dat hij wordt uitgeroeid met wortel en tak!" (maart 1940), en: "Het Joodse gespuis zal zoals onkruid en ongedierte uitgeroeid worden, zodat het nooit meer de bloedige strijd voor vrede door de Europese volkeren kan verstoren!" (november, 1940). In de eindeloze hetze die hij tegen het Joodse volk voerde, werden zij op een hysterische wijze van alle mogelijke misdaden beschuldigd, zoals perversie, bedrog, uitbuiting, samenzwering en zelfs verraad. Bovendien vormden volgens hem de Joden een doodsbedreiging voor het Arische ras omdat door 'gemengde' huwelijken de bloedzuiverheid van het Duitse nageslacht werd aangetast. Daarom was een rigoureuze en genadeloze aanpak van het Joodse vraagstuk volgens hem echt noodzakelijk en uit nationaal zelfbehoud ook gerechtvaardigd. Streicher noemde zichzelf dan ook terecht 'De Jodenhater nummer één' en in dat opzicht lijkt Julius Streicher daadwerkelijkpzicht zien we toch wel duidelijke overeenkomsten sprekend op de Jodenhater Haman. Gelukkig werden diens plannen gedwarsboomd door de Joodse koningin Ester. Toen zij hiervan namelijk op de hoogte werd gebracht besloot zij samen met het gehele Perzische Jodendom te vasten alvorens koning Achash’verosh te benaderen om voor haar volk te pleiten. In de synagoge wordt op de vastendag die aan Purim voorafgaat Tehilim 22 gelezen als psalm voor Ester, want het Talmud-traktaat Megila 15b vertelt dat toen Ester op weg was naar haar echtgenoot om hem te smeken het decreet tegen de Joden te herroepen, zij door een kamer vol afgodsbeelden liep, en dat toen de Shechina haar verliet. Zij zou toen vertwijfeld uitgeroepen hebben: „Mijn G’d, mijn G’d, waarom hebt Gij mij verlaten!” (Tehilim [Psalmen] 22:2). Zowel de samenstellers van de Talmud alsook de huidige Joodse orthodoxie staan immers op het standpunt dat Psalm 22 geen profetisch boek is met betrekking op de Mashiach en passen vers 2 derhalve gewoon toe op Ester. Wij als Messiasbelijdende Joden weten echter dat dit juist de woorden zijn die Yeshua heeft uitgeroepen toen Hij aan het kruis hing (zie Bijbelstudie 049). Hoe dan ook, Ester vertelde haar echtgenoot dat Haman haar volk en ook haar zelf wilde laten vermoorden en zij slaagde erin de koning die haar boven alles liefhad, te overtuigen om actie te ondernemen tegen de plannen van Haman, en met succes. De koning vaardigde dan een nieuw bevel uit die bepaalde dat alle Joden iedereen die hen naar het leven stond mochten doden. Haman werd, samen met zijn tien zonen, opgeknoopt. Deze gebeurtenissen dateren uit de periode na de vernietiging van de eerste tempel en voor de bouw van de tweede tempel. Het verhaal eindigt met de zin: "Dat gebeurde op de dertiende dag van de maand Adar. Op de veertiende dag rustten zij uit en maakten die dag tot een dag van maaltijden en van vreugde.” (Ester 9:17, Willibrord-vertaling). Daarom wordt Purim sindsdien tot op heden op de 14de van de 12e maand Adar gevierd (meestal in maart), maar de feestelijkheden bij Purim gaan ook nog de volgende dag verder, die de naam Shushan Purim kreeg, want in vers 18 staat vervolgens: “De Joden in Shushan echter verzamelden zich zowel op de dertiende als op de veertiende van die maand. Zij rustten op de vijftiende dag en maakten deze tot een dag van feestmaal en vreugde!” (NBG-vertaling).
     
    De tien zonen van Haman
    In Ester 7:10 lezen wij dat Haman aan de paal werd gehangen (in sommige vertalingen staat ‘gespietst’) die hij voor Mordechai had laten klaarzetten en in Ester 9:13-14 staat dat ook de 10 zonen van Haman werden opgehangen, wier namen in de verzen 7-9 genoemd worden. Interessant is dat in de Megila elke zoon van Haman op een aparte regel vermeld wordt en op een bijzonder opvallende wijze in twee parallelle kolommen, een zeer ongebruikelijke configuratie. Eveneens opvallend is in de tweeduizend jaar oude originele Hebreeuwse versie van het boek Ester, dat in de opsomming van de tien namen van Haman’s zonen die opgehangen werden, drie letters veel kleiner geschreven staan dan normaal en een letter juist veel groter: 1. de letter Tav in Par’shan’data is klein (vers 7), 2. de letter Shin in Par’mash’ta is klein (vers 9), 3. de letter Zayin in Vay’zata is klein (vers 9), en 4. de letter Vav in Vay’zata is groot (vers 9). Jarenlang hebben geleerden zich over deze kwestie gebogen, omdat het om een gebruik ging dat door de eeuwen heen consequent is voortgezet. Een mogelijke verklaring werd uiteindelijk door onder andere de Beltzer Rebbe gevonden in de getallensymboliek, die erg belangrijk is in de Joodse traditie. Elke Hebreeuwse letter heeft een numerieke waarde: de Alef is dus gelijk aan 1, de Bet gelijk aan 2 en zo verder tot de Yod, die gelijk is aan 10. Dan gaan de daaropvolgen-de tien letters verder met cijfers van 10 zodat de Chaf gelijk is aan 20, Lamed gelijk aan 30 en zo verder tot Qof, dat gelijk is aan 100. Dan gaan de volgende paar letters verder met de cijferwaarden van 100; Resh is gelijk aan 200, Shin is gelijk aan 300 en de laatste letter, de Tav, gelijk aan 400. De grootste numerieke letter staat dus gelijk aan 400 en gaat niet verder. Combinaties van letters zijn dan gelijk aan een bepaalde numerieke waarde. In het geval van de afwijkende letters in de namen van de zonen van Haman is de Beltzer Rebbe op het idee gekomen dat er misschien jaargetallen mee bedoeld zouden kunnen zijn en daarmee rekening houdend kwam hij tot de volgende conclusie: de grote letter Vav is het Hebreeuwse teken voor het getal zes en de kleine letters Tav (400), Shin (300), en Zayin (7) vormen bij elkaar opgeteld het getal 707. Ervan uitgaande dat daarmee 707 jaren bedoeld zijn en de grote letter Vav, dus de cijfer 6, genomen wordt om te verwijzen naar het zesde millennium, samengesteld uit de jaren 5001 tot 6000, dan ontstaat er iets interessants: volgens de Joodse tijdrekening is dan namelijk het 707e jaar in het zesde millennium, dus 5707, het jaar dat volgens de gewone tijdrekening met Rosh haShana, dus in het najaar 1946 begon en ook weer met Rosh haShana in het najaar 1947 eindigde. Wat gebeurde er in die periode? Wel, 1946 is het jaar waarin 10 aartsvijanden van het Joodse volk werden opgehangen in Nürnberg, net als de 10 zonen van Haman in Shushan zo lang vóór hen. Op 16 oktober 1946 werden de veroordeelden ter dood gebracht. De doodvonnissen werden allen uitgevoerd door sergeant James C. Woods. De veroordeelden werden opgehan-gen volgens het principe van een lange val, waarna de nek brak. De bizarre uitspraak van Streicher was niet de enige overeenkomst met het Purimverhaal. In de Megille wordt ons verteld hoe Haman’s tien zonen werden opgehangen in Shushan. Een elfde kind, een dochter, had volgens de Midrash eerder zelfmoord gepleegd. Ook in Nürnberg werden slechts tien oorlogsmisdadigers daadwerkelijk opgehangen, terwijl er elf mannen waren veroordeeld tot executie door ophanging. De elfde, Hermann Göring, pleegde enkele uren voor de executie in zijn cel zelfmoord. Hij had een verborgen cyanide capsule tussen zijn tanden. De parallel met de tien zonen van Haman is dus treffend.
     
    Megilat Ester
    Het boek Ester wordt in het Hebreeuws Megilat Ester genoemd, de rol van Ester en behoort tot de laatste boeken van TeNaCH. Het is namelijk pas in de eindfase van de afsluiting van de canon hierin opgenomen. Hoewel de historiciteit van de Megille voor de geleerden van Talmud en Midrash boven iedere twijfel verheven was, is de opname in de canon desalniettemin toch wel op fel verzet van bepaalde groeperingen gestuit, wat blijkt uit het feit dat daaraan een hele Masech’ta [tractaat] in de Mishna is gewijd. In Megila 7a vinden wij namelijk een hele discussie over het al dan niet verontreinigd worden van de handen door Megilat Ester. Pas rond het jaar 100 van de gewone jaartelling hebben de rabbijnen te Yamnia een definitieve beslissing genomen. Naast de Tora kennen wij in TeNaCH vijf rollen, de z.g. Chamesh Megilot, maar wanneer we over dé Megila spreken, dan bedoelen we daar altijd Megilat Ester mee, die in de synagoge alleen met Purim wordt gelezen. Hierin verschilt deze rol van de anderen, die weliswaar ook jaarlijks in de sjoel worden gelezen, maar waarvan de inhoud van de rol echter geen betrekking heeft op de feestdag waarop hij wordt gelezen. Zo leest men Shir haShirim [Hooglied] met Pesach [Pasen], Rut met Shavuot [Wekenfeest], Eicha [Klaagliederen] met Tisha b'Av [Verwoesting van de Tempel] en tlhq Qohelet [Prediker] met Sukot [Loofhuttenfeest].
     
    Halffeest
    Voor de Joden bestaan er twee soorten feesten, namelijk de pelgrimsfeesten Pesach [Pasen], Shavuot [Wekenfeest] en Sukot [Loofhuttenfeest] en de hoge feestdagen Rosh haShana [het Joodse Nieuwjaar] en Yom Kipur [Grote Verzoendag], alsook de halffeesten zoals Chanuka en Purim, die zo genoemd worden omdat er dan in tegenstelling tot de andere wel gewerkt mag worden. Bovendien zijn Chanuka en Purim de enige feesten die niet in de Tora genoemd worden omdat zij pas in latere eeuwen zijn ontstaan. Hoewel Purim dus slechts een halffeest is en het verhaal niet eens in Israel speelt is het Lotenfeest toch wel erg populair geworden en wordt volop gevierd, zelfs door Joden die helemaal niet gelovig zijn. De bekende Joodse wijsgeer Maimonides heeft eens gezegd, dat als alle feestdagen zouden worden afgeschaft, Purim toch zou blijven bestaan (Hil’chot Megila 2, Halacha 18).
     
    Buitensporig drankgebruik
    Purim is één van de heerlijkste en vrolijkste feesten in de Joodse feesttraditie, waarbij zelfs de rabbijnse voorschriften oproepen om niet alleen vrolijk, maar zelfs dronken te zijn. Dat betekent in de praktijk dat ook de streng religieuze Joden, die doorgaans vrij weinig alcohol drinken, zich met Purim wel eens durven te bezatten. Het Purimfeest spoort zelfs op de Yeshiva de meest serieuze Torastudenten aan om zoveel wijn te drinken dat ook zij het verschil tussen de gezegende Mordechai, de held van het Purimver-haal en de slechte Haman, de Jodenhater, niet meer weten (Ad d’lo yada). De koschere slijterijen moeten dus extra veel inslaan voor het Purimfeest, aangezien de Joden waar ter wereld ook zich op deze dag allen goed lam drinken, zoals de Babylonische Talmud zegt: „Het is de plicht des mensen, zich met Purim dermate te bedrinken, dat men niet meer tussen ‘Vervloekt zij Haman’ en ‘Gezegend zij Mordechai’ kan onderscheiden!” (Megila 7b) oftewel, tot men niet meer het verschil weet tussen de vijand en je eigen volk. Hierdoor kan men dus niet tot haat of geweld uitvallen jegens de vijand en daardoor is het feest van de overwinning dus ook een feest van verzoening of vergeving. Men kan deze rabbijnse inzetting uite-raard letterlijk nemen, en velen doen dat maar al te graag, toch anderzijds wordt er ook niemand toe gedwongen en dat kan ook niet omdat het geen Bijbelse opdracht is om zich te bezatten. Maar Bijbels of niet, Purim is en blijft voor de vrome Joden een vrolijke dag, die met veel alcoholgebruik wordt gevierd. Hierover zijn ons talrijke Jiddische anekdotes, moppen, liederen en spreekwoorden bekend. Ik zal u daar twee voorbeelden van geven: “Moische Kasew hot sich Purim hibsch ongetrunken, un gehndig aheim spät noch der Sude, is er zugekummen zu der Stell fun sein Stub, aniedergefalln un eingeschlofn bis fartog. In der Frih,wenn sein Weib hot geeffnt die Tir, hot sie dersehn, wie er liegt halb schikerlech. Dos Weib hot ihm ongehoibn sidlen: ‘Nu, un as Purim, darf men sich asoi ontrinken, as men soll nischt konnen treffn aheim?’ Der Kasew hot sich nischt farloirn un geäntfert: ‘Seh nor, wos far a massldike Froi du bist! In Midber hobn die jidische Froien gedarft sein weit hinter die Gezeltn, kedej zu gefinnen Mann. Un do liegt dir der Mann gleich bei der Tir!” [Moshe, de slager, heeft op het Purimfeest aardig gedronken, en op de terugweg, laat na het feestmaal, komt hij op de plek waar zijn huisje staat, valt neer en slaapt tot ver in de ochtend. ’s Morgens vroeg, als zijn vrouw de deur opent, ziet zij hem, zoals hij daar halfdronken ligt. De vrouw begint hem dadelijk uit te schelden: ‘Wel, al is het Purim, moet men zich dan zo bedrinken dat men zijn eigen huis niet meer kan vinden?’ De slager laat zich niet intimideren en antwoordt: ‘Nu zie je eens wat voor een gelukkige vrouw jij bent! In de woestijn moesten de Joodse vrouwen tot ver achter de tenten gaan om hun ‘man’  (manna) te vinden. En bij jou ligt de ‘man’ vlak voor de deur!”]. Het tweede voorbeeld is een lied van Mordechai Gebirtig (1877-1942) met de toepasselijke naam A Gläsele Wein. De tekst luidt als volgt: „Trink Bruder, trink ois, dos Gläsl, bis zum Grund. Westu weren frisch un munter, frejlech un gesund. Oi, Briderle, lechaim! Trink a bissel Wein, dos fartreibt di Mores Choire, jede Sorg un Pein! Itzt Bruder trink ich, un wos fehlt mir asind? Ich fihl mich glicklech wie a Kenig, frejlech wie a Kind. Oi, Briderle, lechayim!“  [Drink broeder, drink het leeg, dat glaasje, tot op de bodem. Daar zal je fris en opgewekt van worden, vrolijk en gezond. O broertje, op het leven! Drink een beetje wijn, dat verdrijft het verdriet, elke zorg en pijn! Nu, broeder, drink ik, en wat heb ik nog meer nodig? Ik voel mij gelukkig als een koning, vrolijk als een kind! O broertje, op het leven!”
     
    Maskers en verkleedpartijen
    De viering van Purim gaat ook gepaard met maskers en vrolijke verkleedpartijen, die evenals de drinkge-lagen en zittingen met sketches en muzikale omlijs-ting heel sterk aan carnaval doen denken. Kleine kinderen hebben natuurlijk speciale belangstelling voor dit onderdeel van het feest en lopen verkleed door de straten. Gingen de kinderen vroeger veelal verkleed als Ester en Mordechai, vandaag de dag zijn ook de ninjaturtels of teletubbies, piraten, cowboys en Indianen van de partij. De feestwinkels lopen uiteraard heel goed rond deze tijd. Purim-maskers en verkleedkostuums gaan als warme broodjes over de toonbank. De winkels bieden echter niet alleen voor de kinderen fel gekleurde benodigdheden te koop aan voor het feest, want er zijn tegenwoordig ook verkleedpartijtjes voor volwassenen. Het gebruik om maskers te dragen en zich te verkleden komt volgens de rabbijnen door de ‘verborgen wonderen’ in het verhaal van Ester. Purim is volgens hen een feest waar G’d zich heeft verborgen, om pas op het laatste moment tevoorschijn te komen. Zij hanteren de stelling dat G’d zelf in het verhaal van Ester niet echt voorkomt, maar zeker wel aanwezig is. Dit heeft ook de betekenis gekregen dat de ‘dingen niet altijd zijn wat ze lijken’. Een ander argument dat men voor de verkleedpartijen aandraagt is dat men dit doet om de eenheid in het Jodendom te vergroten, want verkleed kan men elkaar niet herkennen en is ieder gelijk. Maar dat slaat volgens mij echt nergens op. Dus blijft als belangrijkste reden om zich met Purim te verkled-en en een masker te dragen het rabbijnse argument dat het hele boek Ester geen enkele vers kent waarin de naam van G’d wordt genoemd omdat Hij er als het ware in verborgen is. Wij als Messiasbelijdende Joden en gelovigen uit de volken hoeven hier echter niet aan mee te doen omdat Hij voor ons niet meer verborgen is, want Hij heeft zich aan ons in Yeshua haMashiach geopenbaard. Laat hen die Yeshua nog niet kennen maar met maskers lopen, want voor hen is Hij nog steeds het verborgen Manna (Chizayon [Openbaring] 2:17). Voor dat deel van het volk Israël, dat Yeshua nog niet als Heer en Verlosser heeft aangenomen, blijft G’d verborgen evenals Hij in het boek Ester verborgen is. Zij dragen met Purim letterlijk een masker omdat zij ook geestelijk nog onder de bedekking zijn. Voor ons ligt dat echter anders. Wij hoeven geen masker te dragen, want de Eeuwige heeft bij ons de bedekking weggenomen zoals geschreven staat: “Nu wij zulk een verwachting hebben, treden wij met volle vrijmoedigheid op, geheel anders dan Moshe [Mozes], die een bedekking voor zijn gelaat deed, opdat de B’nei Yis’ra’el [kinderen Israëls] geen blik zouden slaan op het einde van hetgeen moest verdwijnen. Maar hun gedachten werden verhard. Want tot heden toe blijft dezelfde bedekking over de voorlezing van het oude verbond zonder weggenomen te worden, omdat zij slechts in de Mashiach verdwijnt. Ja, tot heden toe ligt, telkens wanneer Moshe voorge-lezen wordt, een bedekking over hun hart, maar telkens wanneer iemand zich tot de Eeuwige bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen. De Eeuwige nu is de Geest; en waar de Geest van Adonai is, is vrijheid. En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedek-king meer is, de heerlijkheid van Adonai weerspiegel-en, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Eeuwige, die Geest is!” (2 Korinthiërs 3:12-18). Het gebruik om zich met Purim te verkleden staat volgens de rabbijnen symbool voor het feit dat de Joden in het Perzische Rijk zich ook moesten vermommen om daarmee hun afstamming te verhullen. Ook daar hoeven wij als Messiasbelijdende gelovigen niet aan mee te doen, want ten eerste is het gebruik om maskers te dragen en zich te verkleden ingevoerd onder invloed van heidense gewoonten en maakt dus geen deel uit van de voorschriften die in Ester 9:18-32 naar aanleiding van de instelling van Purim vermeld staan. Ten tweede mogen wij ons niet eens vermommen om daarmee te verbergen dat wij in Yeshua geloven en deel uitmaken van G’ds volk. Hij zelf heeft immers gezegd: “Een ieder, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen G’ds; maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen G’ds!” (Lucas 12:8-9). Wij hebben juist de opdracht gekregen om van Hem te getuigen! 
     
    Optochten
    Sinds de terugkeer van het Joodse volk naar Israël zijn de Purimoptochten een echte traditie geworden. Aanvankelijk trok de stoet enkel door Tel Aviv, maar vandaag zijn er overal in het land optochten. De grootste en indrukwekkendste parade vindt plaats in Cholon, een stad die ten zuiden van Tel Aviv gelegen is. Naast de praalwagens wordt daar met Purim ook een optocht van kleurrijke verklede kinderen door de straten gehouden waardoor Cholon zich de laatste jaren dan ook verzekerd heeft van een reputatie als kindvriendelijke stad. De Purimoptochten zijn in heel Israël druk bezocht door vrolijke, bonte en soms aangeschoten feestgangers, die ook veelal niet Joods zijn en dus ook de historische redenen van het feest niet eens kennen. Zij zien in Purim echter wel veel overeenkomsten met Carnaval, en dat wordt nog versterkt door het feit, dat ook met Purim overal grappen over mogen worden gemaakt en met alles de spot mag worden gedreven. Geen enkel heilig huisje is die dag echt heilig evenals met Carnaval.
     
    Oorsprong Purimtradities
    Waar de traditie van verkleedpartijen, optochten met praalwagens en uitbundige feestgelagen die zo typerend zijn voor zowel Purim alsook Carnaval oorspronkelijk vandaan komt, is niet helemaal duidelijk, maar we weten vrijwel zeker dat het feest dat daaraan ten grondslag ligt al langer dan de Joodse en christelijke traditie bestond en daarom zat de Kerk er dan ook danig mee in hun maag. Het enige dat ze wisten was dat het sinds mensenheugenis bij het wisselen van de seizoenen een hardnekkig heidens gebruik was, compleet met praalwagens, maskers, vermommingen en luidruchtige rituelen. Eén aannemelijke theorie is dat het feest van de Grieken afkomstig was. Zij vierden eind februari een driedaags feest ter ere van Dionysos. Beelden van deze wijngod werden op een scheepskar (carrus navalis) door Hellas gereden. Over het algemeen werden de Dionysische festivals gekenmerkt door dronkenschap en luidruchtige muziek, waarbij het de gewoonte was houten maskers te dragen of de gezichten te bedekken met bladeren, het lichaam te kleuren met een grote variëteit aan rode en groene tinten. Tijdens dat feest ging het er hevig aan toe, de Grieken dronken enorm veel ter ere van Dionysos, in de Griekse mythologie de god van de wijn en later overgenomen door de Romeinen, die hem de naam Bacchus gaven en de festivals ter ere van de wijngod Bacchanalia noemden. Ook de Bacchanalia werden gekenmerkt door verkleedpartijen, dronkenschap en uitbundige feesten, maar daarnaast vierden de Romeinen ook het feest van de Saturnalia dat weliswaar op 17 december werd gehouden, maar eveneens opvallend veel kenmerken van zowel Purim alsook Carnaval had zoals drink- en eetgelagen, vermommingen, maskers en optochten door de straten. Na het baden trok iedereen richting het forum naar de tempel van Saturnus. Daarna trokken de meeste mensen huiswaarts om het feest thuis verder voort te zetten. Dit resulteerde vaak in buitensporige drink- en feestmaaltijden, waardoor Saturnalia in het Latijn ook 'orgie' ging betekenen. Maskers werden in de oudheid al gebruikt als middel om boze geesten te verjagen, maar ook om zich helemaal te laten gaan zonder herkend te worden. Omdat de heidense gebruiken niet uit te bannen waren, besloten de kerken er op positieve wijze gebruik van te maken door het heidense Carnaval te christianiseren en in een katholieke traditie om te zetten. Dit is overigens ook met andere voorchristelijke feesten gebeurd zoals Kerstmis en Pasen en volgens mij is er ook met Purim iets soortgelijks aan de hand. Gezien de zeer verbluffende overeenkomsten in de uiterlijke kenmerken lijkt het mij voor de rabbijnen moeilijk vol te houden om te ontkennen dat vele onbijbelse Purimgebruiken hun oorsprong vinden in de heidense Bacchusfeesten en daarom ben ik van mening dat Messiasbelijdende gelovigen die Purim volgens de orthodoxe traditie als een soort Carnaval vieren met maskers en verkleedpartijen net zo goed ook een kerstboom in huis kunnen halen, want dan vind ik ze namelijk niet consequent. Als men de vermenging met heidense tradities aan christelijke zijde afkeurt, dan moet men dat ook aan Joodse zijde doen.
     
    Purimvoorschriften
    Maar als wij niet mee doen aan het Joodse Carnaval, hoe moeten we het Purimfeest dan wel vieren? Het antwoord op deze vraag vinden we in de Bijbel, want zowel Ester alsook Mordechai geven ons hierin duidelijke instructies: “Mordechai stelde al deze gebeurtenissen op schrift en hij stuurde brieven naar de Joden in alle provincies van koning Achashverosh’s rijk, of ze nu dichtbij woonden of ver weg. Daarin verplichtte hij hen ertoe om elk jaar opnieuw zowel de veertiende als de vijftiende dag van de maand Adar te vieren, omdat dit de dagen waren waarop de Joden rust gekregen hadden en niet meer door hun vijanden werden bedreigd, en omdat dit de maand was waarin droefheid was veranderd in vreugde en waarin rouw was veranderd in feest. Ze moesten er dagen van feestmalen en feestvreugde van maken, dagen waarop ze elkaar lekkernijen stuurden en geschenken gaven aan de armen” (Ester 9:20-22). “Het is naar het woord Pur dat deze dagen Purim worden genoemd. Daarom - vanwege de inhoud van het schrijven van Mordechai, en vanwege alles wat ze hadden meegemaakt en wat hun was overkomen - namen de Joden de verplichting op zich om deze beide dagen nooit ongemerkt voorbij te laten gaan, maar ze elk jaar te vieren op de voorge-schreven wijze en op de vastgestelde tijd. Ze wilden dit tot een vast gebruik maken voor zichzelf en voor hun nakomelingen, en voor allen die zich bij hen zouden aansluiten” (vers 26-27). “Koningin Ester, de dochter van Avichaïl, stelde samen met de Jood Mordechai een tweede schrijven op om Purim nadrukkelijk verplicht te stellen” (vers 29). “Daarin werd de viering van Purim op de vastgestelde tijd verplicht gesteld: ze moesten zich houden aan wat de Jood Mordechai hun had opgelegd - ook koningin Ester legde hun dit nu op - en de verplichtingen nakomen die zij voor zichzelf en voor hun nakomelingen waren aangegaan wat betreft vasten en weeklagen. Ester’s bevelschrift bevatte bindende voorschriften voor de Purimdagen, en de inhoud ervan werd te boek gesteld.” (vers 31-32). Dit lijkt mij duidelijke taal en uit vers 27 blijkt tevens dat dit feest niet alleen door de Joden, maar ook door de gelovigen uit de volken moet worden gevierd.
     
    Vasten
    Het rooms-katholieke Carnaval wordt op de vooravond van de vastenperiode gevierd: de laatste gelegenheid om nog eens flink te schransen. De naam Carnaval zou derhalve afgeleid zijn van het Latijnse “carne vale”, hetgeen “vaarwel vlees” betekent, omdat de Kerk het feest bij de synode van Benevento (1091 na Chr.) aan de Vastenavond verbond. Bij het Carnaval gaat het feestvieren dus aan het vasten vooraf, maar bij Purim daarentegen hoort het precies andersom te zijn. Volgens de Bijbelse opdracht vindt het vasten namelijk plaats vóór het Purimfeest. Op die manier herdenkt men namelijk de vasten van Ester en van het gehele Perzische Jodendom vóórdat Ester haar echtgenoot, koning Achashverosh, benaderde om voor haar volk te pleiten. De vastendag begint overigens pas in de ochtend en niet bij valavond. Dit in tegenstelling tot de Grote Verzoendag en Tisha B’av, die de avond voordien beginnen en normaal 24 uur duren. Ta’anit Ester [de vastendag van Ester] begint volgens de Luach op de 13e Adar voor zonsopgang en duurt tot na zonsonder-gang. Valt de 13e Adar echter op een Shabat, die op vrijdagavond, dus vóór zonsondergang begint, dan vindt de vasten plaats op donderdag, de 11e Adar. Behalve op Yom Kipur mag men namelijk op Shabat niet vasten.
     
    Tz’daqa
    In Megilat Ester staan nog een aantal voorschriften, die kenmerkend zijn voor het Purimfeest. Zo wordt iedere Jood met Purim geacht om geschenkmandjes met lekkernijen en vruchten te sturen naar vrienden en kennissen: Mishloach Manot (Ester 9:19 en 22). Verder is Purim de dag bij uitstek om de Mitz’va van het Tz’daqa [liefdadigheid] geven aan armen of goede doelen te vervullen: Matanot l’Ev’yonim (Ester 9:22). Het is niet de bedoeling om daarin zuinig te zijn, maar men moet rijkelijk geven aan vrienden en armen of liefdadigheidsinstanties, om aan deze Mitz’va te voldoen.
     
    Schriftlezing
    Het Joodse volk was dus gered van de uitroeiing, die had moeten plaatsvinden op een datum die bij loting was vastgelegd. En dit blijde evenement wordt nog steeds ieder jaar gevierd aan de hand van het boek Ester, waarvan de Hebreeuwse tekst van een perkamenten rol wordt voorgelezen in de synagoge door een speciaal hiervoor opgeleid persoon, en de bezoekers luisteren aandachtig, de ratelaars in de aanslag. Het is een religieuze verplichting voor vrouwen om deze lezing te beluisteren, maar ook kinderen zijn daarbij welkom. Alleen op de rol van Ester rust overigens de verplichting de tekst van de rol te Iezen. Voor de overige rollen bestaat dit voorschrift niet. In de Mishna wordt in het traktaat Megila (hoofdstuk Mo'ed) nauwkeurig voorge-schreven hoe en wanneer de Megilat Ester moet worden gelezen. De lezing vindt in de synagoge plaats op de avond van de 14e Adar. Voor ommuurde steden zoals Jeruzalem op de 15e Adar (Purim Shushan). De volgende ochtend vindt de Iezing voor de tweede maal plaats. De melodie waarop de voorlezing gelaajent wordt, is traditioneel bepaald en verschilt van Min’hag tot Min’hag. Voordat Megilat Ester wordt gelezen, zegt men in Messiasbelijdende gemeenten eerst achter elkaar de volgende drie B’rachot [zegen-spreuken]: “Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze G’d, Koning van het heelal, die ons heeft geheiligd door het bloed van Yeshua en die ons heeft opgedragen de Megila te lezen. - Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze G'd, Koning van het heelal, die wonderen heeft verricht voor onze voorouders in de dagen van weleer, in deze tijd van het jaar, amen! - Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze G'd, Koning van het heelal, die ons het leven heeft geschonken en ons in staat gesteld heeft dit tijdstip te bereiken, amen!” Nu wordt door diverse mensen het verhaal van Ester gelezen, om de beurt ieder een hoofdstuk. De lezing van het boek van Ester is een zeer prettige sociale gebeurtenis waarbij het er rumoerig aan toe gaat. Elke keer dat de naam Haman valt, maken de aanwezigen een hoop kabaal. Men wil de naam van die slechterik niet meer horen. Men roept daarom “boeh!” en stampt met de voeten op de grond. Kinderen nemen daarvoor een ratel mee, een zogenaamde 'Haman-draaier', en soms zelfs toeters of fluitjes. En dat alles herhaalt zich telkens weer als de naam Haman genoemd wordt. Ná het lezen van Megilat Ester wordt de volgende B’racha gezegd: “Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze G'd, Koning van het heelal, de G’d, die voor ons de strijd voert, die voor onze rechten opkomt, voor ons wraak neemt, al onze aartsvijanden hun verdiende loon geeft en voor ons onze verdrukkers straft. Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die alle tegenstanders van Zijn volk Israël straft, de helpende G’d!”
     
    Feestmaal
    Na de luidruchtige lezing van de Megila zet men de viering van het feest uitbundig voort met een feest-maal, soms tot diep in de nacht, want een Joods feest zou geen feest zijn zonder een uitgebreide maaltijd. Dat gebeurt met overdadig eten en drinken met familie en vrienden. Meer zelfs, het is een Mitz’va: men moét zelfs een feestmaaltijd nuttigen om hiermee de vreugde van Purim te uiten. Het Purimfeest is wel het meest uitbundige en voor iedereen toegankelijke Joodse feest. Winkels en leveranciers maken hier goed gebruik van. Purim trekt in Israël elk jaar evenals het Loofhuttenfeest vele toeristen uit de hele wereld en de restaurants, hotels en hostels stijgen met hun prijzen rond deze tijd met zo’n 10 %. Het eten op deze dag bestaat over het algemeen uit zoete gerech-ten, want Bevrijding smaakt zoet. Daarbij mag uite-raard ook het traditionele Purimgebak niet ontbre-ken. Dit zijn de driehoekige, met papaverzaadjes ofwel maanzaadjes en allerlei zoetigheden gevulde koekjes, die in het Hebreeuws Oz’nei Haman [Hamansoren] worden genoemd omdat ze op oren lijken en in het Jiddisch Homentaschn. Op deze wijze wordt nauwkeurig voldaan aan de Bijbelse opdracht om Purim tot een dag van maaltijd en vreugden te maken zoals geschreven staat in Ester 9:17 en 18.
     
    Conclusie
    Wat kunnen wij uit het verhaal van Ester leren? Dat de Eeuwige over Zijn volk waakt en dat een ieder die zich aan Zijn oogappel vergrijpt uiteindelijk in de kuil zal vallen die hij voor de Jood heeft gegraven of aan de galg zal eindigen die hij voor de Jood heeft opgericht. Daarom vieren wij niet alleen Purim, maar ook Pesach en Chanuka, want het zijn bevrijdingsfeesten die ons keer op keer laten zien dat de Behoeder van Israël sluimert noch slaapt zoals geschreven staat in Tehilim [Psalmen] 121:4. Ik wil deze Bijbelstudie daarom afsluiten met het gebed “Al haNisim” uit de liturgie voor Purim: “Wij danken U, Eeuwige onze G’d, voor de wonderen, de bevrijding, de heldendaden, de hulp en krijgsverrichtingen, die U voor onze voorouders tot stand bracht in die dagen, op deze datum, in de dagen van Mordechai en Ester in de hoofdstad Shushan, toen de slechte Haman tegen hen opstond. Hij probeerde alle Joden te vernietigen, van jong tot oud, kinderen en vrouwen op één dag, op de dertiende van de twaalfde maand, dat is de maand Adar, en hun bezit te plunderen. Maar U, met Uw grote barmhartigheid, verijdelde zijn besluit, verstoorde zijn plan en liet als vergelding voor wat hij wilde, het op zijn eigen hoofd neerkomen! U maakte dat de velen door de weinigen werden verslagen, de hoogmoedigen door de kinderen van Uw Verbond. Voor Uzelf heeft U een grote en heilige Naam gevestigd in Uw wereld; Uw volk Israël heeft U redding geschonken en een grote overwinning gegeven die tot op heden doorklinkt. Daarom werd in die dagen Purim uitgeroepen om er een vreugdevolle feestdag van te maken, waarop allen hun naasten geschenken sturen en giften geven aan de behoeftigen. Die dagen zullen we in alle generaties vieren en in herinnering houden; in elk gezin, in elk land en in elke stad. Purim zal niet in onbruik raken onder de Joden; de herinnering aan die tijd zal voor het nageslacht bewaard blijven. Zoals U wonderdaden heeft verricht voor degenen die vóór ons kwamen, doe net zo voor hun nakomelingen en red ons in onze dagen zoals hen in die tijd. Voor dit alles zal Uw Naam, Koning, geprezen en hoogverheven worden, voortdurend, eeuwig en altijd. Amen!”

    Werner Stauder

    Lees meer...
    ik wilde hier een bijbelstudie plaatsen van eindtijdinbeeld.nl/
    bedelingen Gods
    doch ik vind het beter om deze bijbelstudie link te plaatsen.
     
     
    klik gewoon op
     1
    Lees meer...
    Het boek van Henoch
    Door Franklin ter Horst
     
    Volgens de Bijbelse chronologie was Henoch de zoon van Jered en de vader van Methusalah. Hij werd geboren in het jaar 622 na de schepping van Adam, toen zijn vader de leeftijd van 162 jaar had bereikt. Zijn naam betekent zoveel als "De ingewijde" "De inzicht hebbende" en "De kenner". Henoch werd zonder te sterven van de aarde weggenomen in het jaar 987 toen hij 365 jaar oud geworden was.
     
    Genesis 5:24 En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen.
     
    In deze korte maar betekenisvolle bewoordingen spreekt de Bijbel over de Godsman Henoch. Een meer uitvoerige beschrijving over zijn leven en opname wordt in het Oude Testament niet gegeven. Wel vindt men die in het "Boek van Henoch"en in een van de oude boeken waar de Bijbel in positieve zin naar verwijst namelijk, ‘Het boek des Oprechten’ als genoemd in Jozua 10:13 en in 2 Samuël 1:18. Het ‘Boek des Oprechten’ is een wat onzekere vertaling van het ‘Boek Jasjar’ .Het werk wordt gewoonlijk in de 11e of 12e eeuw n.Chr gedateerd. In het O.T. zijn nog meer verloren gegane boeken te vinden zoals het ‘Het boek der oorlogen des Heren’ (Numeri 21:14). ‘Het boek der verspieders’ (Jozua 18:9) en ‘Het boek der kronieken der koningen van Medië en Perzi뒠 (Esther 10:2). Maar ook het ‘Boek der koningen van Juda en Israël’ (2 Kon 15:31) niet te verwarren met de bekende boeken ‘Koningen’en ‘Kronieken’. Verder wordt nog aangehaald het ‘Boek der geschiedenissen van Salomo’(1 Kon 11:41) en de ‘Uitlegging van het Boek der Koningen’(2 Kron 24:27).
     
    Ook bestaan er boeken des oordeels. God zal voor de grote witte troon de tot leven geroepen ‘doden’ oordelen naar hun werken. Deze werken staan ook in hemelse boeken beschreven (Openbaring 20:10). Dan is er nog het ‘Boek des levens’. De term ‘het Boek des levens’ komt acht keer in de Bijbel voor: Psalm 69:29a- Filp. 4:3c- Openbaring 3:5b-  Openbaring 13:8-  Openbaring 17:8b- Openbaring 20:12- Openbaring 20:15 en Openbaring 21:27. De Here Jezus beheert het Boek des levens in zijn positie als Lam van God. Daarom draagt het in Openbaring ook de titel ’het Boek des levens van het Lam’. Geen van de profeten heeft ooit een blik in dit hemelse werk mogen slaan. Dit bijzondere boek heeft veelal betrekking op Israël. “…verheugt u”, zegt Jezus tegen de zeventig discipelen, “dat uw namen staan opgetekend in de hemelen.”(Lucas 10:20)
     
    In oude Arabische geschriften is Henoch de vader van de legendarische koning "Kaju Marath"  (Methusalah) die de koning van de aarde wordt genoemd. Deze Marath had alle kennis van de ware God uit de boeken van de profeet Idris (Henoch) gehaald. In het Boek des Oprechten wordt uitvoerig ingegaan op Henoch,s leven en zijn lessen aan de mensen over de wegen des Heren. In hoofdstuk drie van dit boek wordt over Henoch het volgende geschreven.
     
    Het boek des Oprechten
     
    1.     En Henoch leefde vijf en zestig jaar en hij verwekte Methusalah; en Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalah verwekt had en hij diende de Here, en wende zich af van al het kwaad dat de mensen bedreven.
     
    2.     En de ziel van Henoch ging geheel op in de onderrichtingen van de Heer in kennis en inzicht, en wat wijs was. Hij zonderde zich af van de mensenkinderen; en vele dagen verborg hij zich voor hen.
     
    3.     En jaren later, terwijl hij de Heer diende, en voor Zijn aangezicht bad in zijn huis, riep een engel des Heren vanuit de hemel tot hem, en hij zei: "Hier ben ik ".
     
    4.     En de engel sprak: "Sta op, ga uit uw huis en van de plaats waar gij u verborgen hebt, en vertoon u aan de kinderen der mensen, opdat gij hun de wegen zult leren die zij hebben te gaan en de werken die zij moeten doen om in de wegen des Heren te wandelen".
     
    5.     En Henoch stond op naar het woord des Heren, en verliet zijn huis, de plaats en het vertrek waarin hij zich verborgen had; en hij ging naar de kinderen der mensen en onderwees hun in de wegen des Heren, en riep in die tijd de kinderen der mensen bijeen en onderwees hun in de leer van de Heer
     
    6.     En hij beval dat het overal bekent moest worden gemaakt waar mensen woonden, met de woorden: "Waar is de man die de wegen des Heren en de goede werken wenst te kennen? Laat hij tot Henoch komen".
     
    7.     En alle kinderen der mensen kwamen bij hem samen, want allen die deze dingen begeerden gingen tot Henoch, en Henoch regeerde over de kinderen der mensen naar het woord des Heren, en zij kwamen tot hem en bogen zich voor hem neer en luisterden naar zijn woord.
     
    8.     En de Geest van God was op Henoch, en hij leerde al zijn mensen de wijsheid Gods en Zijn wegen, en de kinderen der mensen dienden de Heer al de dagen van Henoch, en zij kwamen om naar zijn wijsheid te horen.
     
    9.     En al de koningen van de kinderen der mensen, allen kwamen met hun prinsen en rechters tot Henoch toen zij van zijn wijsheid hoorden, en zij bogen zich voor hem neer, en eisten van hem dat hij over hen regeerde waarin Henoch toestemde.
     
    1.     En zij vergaderden overal, honderd en dertig koningen en prinsen, en zij maakten Henoch koning over zich en allen waren onder zijn macht en gezag.
     
    2.     En Henoch onderwees hun wijsheid, wetenschap en de wegen des Heren en hij maakte vrede onder hen, en vrede was over de gehele aarde tijdens het leven van Henoch.
     
    3.     En Henoch regeerde over de zonen der mensen twee honderd en drie en veertig jaar, en hij deed recht en gerechtigheid ten aanzien van al zijn mensen en hij leidde hun in de wegen des Heren.
     
    4.     En dit zijn de nakomelingen van Henoch, Methusalah, Elisha en Elimelech, drie zonen; en hun zusters waren Melca en Nahmah, en Methusalah leefde 187 jaar toen hij Lamech verwekte.
     
    5.     Toen Lamech 56 jaar oud was stierf Adam; 930 jaar oud was hij toen hij stierf, en zijn twee zonen, met Henoch en diens zoon Methusalah begroeven hem met pracht en praal, zoals gebruikelijk is bij koningen in de grot die God hem gewezen had.
     
    6.     En op die plaats treurden en weenden al de kinderen der mensen om Adam, daarom is dat onder de mensenkinderen een gewoonte geworden tot op deze dag.
     
    7.     En Adam stierf omdat hij van de boom der kennis had gegeten: en hij en zijn kinderen na hem, zoals God had gesproken
     
    8.     En in het jaar van Adam, s dood, het 243 ste jaar van de regering van Henoch besloot Henoch zich af te zonderen van de kinderen der mensen en verborg hij zich, evenals voorheen om God te dienen.
     
    9.     En zo deed Henoch, maar hij verborg zich niet blijvend voor hen, maar hij zonderde zich drie dagen van de kinderen der mensen af en ging dan een dag tot hen.
     
    10.  En gedurende de drie dagen dat hij in zijn kamer was, bad hij, en prees hij de Here God, en op de dag dat hij tot zijn onderdanen ging en aan hen verscheen, onderwees hij hun de wegen des Heren en alles wat zij hem vroegen over de Heer vertelde hij hun.
     
     11.  En op deze wijze deed hij het vele jaren; naderhand evenwel verborg hij zich 6 dagen en verscheen dan aan zijn volk eens in de zeven dagen; en daarna eenmaal per maand, en vervolgens eens per jaar, tot al de koningen prinsen en mensenkinderen naar hem zochten en verlangend waren het aangezicht van Henoch weer te zien en zijn woord te horen; maar zij konden het niet, want al de mensenkinderen waren zeer bevreesd voor Henoch, en zij vreesden hem te naderen vanwege de Goddelijke glans die over zijn gezicht lag; daarom kon niemand hem aanzien, uit angst dat hij bestraft zou worden en zou sterven.
     
    12.  En al de koningen en prinsen besloten de kinderen der mensen te verzamelen om tot Henoch te gaan, in de hoop dat zij allen hem zouden mogen spreken, als hij in hun midden zou komen, en aldus deden zij.
     
    13.  En de dag kwam dat Henoch verscheen en allen verzamelden en tot hem kwamen, en Henoch sprak de woorden des Heren tot hen en hij bracht hen wijsheid en kennis bij, en zij bogen zich voor hem neer en zeiden:"Moge de koning leven, moge de koning leven"!
     
    14.  En enige tijd later, toen de koningen en prinsen en de mensenkinderen tot Henoch spraken en Henoch hen onderwees in de wegen des Heren, zie, een engel des Heren riep vanuit de hemel tot Henoch en wilde hem in de hemel brengen om hem over Gods zonen te laten regeren, zoals hij geregeerd had over de mensenkinderen op aarde.
     
    15.  In de tijd dat Henoch dit hoorde ging hij heen en verzamelde al de bewoners der aarde en bracht hun wijsheid en kennis bij en gaf hun goddelijk onderricht, en zei tot hen: "Ik ben geroepen om naar de hemel op te stijgen, maar ik weet niet op welke dag ik moet gaan".
     
    16.  Daarom wil ik u voordat ik u verlaat nu onderwijzen in wijsheid en kennis en wil ik u richtlijnen geven hoe gij op aarde moet handelen om te kunnen leven; en zo deed hij.
     
    17.  En hij leerde hun wijsheid en kennis en gaf hun onderricht, en vermaande hen, en hij stelde voor hen reglementen en rechtsverordeningen op om zich daaraan op aarde te houden en hij stichtte vrede onder hen, en hij leerde hun aangaande het eeuwige leven, en verbleef enige tijd bij hen om hun al deze dingen te leren.
     
    18.  En in die tijd gingen de kinderen der mensen met Henoch om, en Henoch sprak tot hen, en zij keken naar boven en zagen de verschijning van een groot paard dat vanuit de hemel neerdaalde, en het paard liep in de lucht.
     
    19.  En zij vertelden Henoch wat zij gezien hadden, en Henoch zei tot hen: "Voor mij daalt dit paard op aarde neer: de tijd is gekomen dat ik u moet verlaten en gij zult mij niet meer zien".
     
    20.  En op dat moment daalde het paard neer en stond voor Henoch, en alle mensenkinderen die daar bij Henoch waren, zagen het.
     
    21.  En weer gaf Henoch het bevel om het volgende bekend te maken: Waar is de man die de wegen van de Here God wenst te kennen, laat hem nu tot Henoch komen voordat hij van ons weggenomen wordt.
     
    22.  En al de mensenkinderen verzamelden zich en kwamen die dag tot Henoch; en al de koningen van de aarde met hun prinsen en raadgevers bleven die dag bij hem; en toen leerde Henoch de zonen der mensen wijsheid en kennis, en gaf hun goddelijk onderricht; en hij smeekte hen de Heer te dienen en Zijn wegen te bewandelen al de dagen van hun leven, en hij ging voort met vrede onder hen te stichten.
     
    23.  En hierna stond hij op en reed op het paard; en hij vertrok vandaar en al de mensenkinderen volgden hem, ongeveer 800.000 man en zij gingen een dagreis met hem.
     
    24.  En de tweede dag zei hij tot hen: "Keer terug tot uw tenten, waarom wilt gij meegaan, misschien zult gij sterven". En sommigen verlieten hem, maar degenen die bleven gingen zes dagreizen ver met hem mee; en Henoch zei iedere dag tot hen, dat zij terug moesten keren tot hun tenten, opdat zij niet zouden sterven; maar zij wilden niet terugkeren en gingen met hem mee.
     
    25.  En op de zesde dag bleven enige mannen bij hem en klampten zich aan hem vast, en zeiden: "Wij willen met u gaan naar de plaats waar gij heen gaat; zo waar de Heer leeft, alleen de dood kan ons scheiden".
     
    26.  En zij drongen er zo zeer op aan om met hem mee te gaan, dat hij niet langer tot hen sprak, en zij volgden hem en wilden niet terugkeren.
     
    27.  En toen de koningen teruggekeerd waren, zorgden zij dat er een volkstelling werd gehouden, teneinde te weten hoeveel mensen er nog bij Henoch waren; en op de zevende dag steeg Henoch in een wervelwind met vurige paarden en wagens ten hemel.
     
    Hoofdstuk 4
     
     1.     En al de dagen dat Henoch op aarde leefde waren 365 jaar.
     
    2.     En toen Henoch ten hemel was gevaren stonden al de koningen der aarde op en namen Methusalah zijn zoon en zalfden hem en zorgden ervoor dat hij koning werd in de plaats van zijn vader.
     
    3.     En Methusalah handelde oprecht in de ogen van God, zoals zijn vader Henoch hem geleerd had, en ook hij onderwees de mensenkinderen wijsheid en kennis en de vreze Gods gedurende zijn hele leven, en hij week niet naar links noch naar rechts af van de goede weg.
     
    De opname van Henoch doet denken aan de opname van Elia, zoals beschreven in 2 Koningen 2:11. Beiden stijgen in een wervelwind (storm) op ten hemel in een vurige wagen met vurige paarden. De opname van Henoch vond plaats in het jaar 669 voor de zondvloed, 69 jaar voor de geboorte van Noach.
     
    De vraag die velen zich hebben gesteld is, waarom men bij de samenstelling van de Canon,  het "Boek van Henoch" niet heeft opgenomen terwijl alle schrijvers van het Nieuwe Testament er mee vertrouwt waren. Men citeerde vrijelijk uit dit boek waaruit blijkt dat de gegevens hierin als volkomen geïnspireerd werden beschouwd. Zo schreef bijvoorbeeld Judas, een van de dienstknechten van de Here Jezus over een profetie die door Henoch is uitgesproken.
     
    Judas 1:14-15 Ook over hen heeft Henoch, de zevende van Adam af, geprofeteerd zeggende zie, de Here is gekomen met Zijn heilige tienduizenden om over allen de vierschaar te spannen en alle godde-lozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die zij goddeloos bedreven hebben, en voor al de harde taal, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.
     
    Hoe wist Judas nu wat Henoch had geprofeteerd? In de Bijbel wordt deze profetie nergens genoemd. Waar haalt Judas deze woorden dan vandaan? Sommige bijbeldeskundigen menen dat Judas dit door een openbaring van de Heilige Geest had ontvangen, maar een dergelijke gedachte is niet juist want deze profetie staat in werkelijkheid in hoofdstuk 1:9 van het Boek van Henoch vermeld, en Judas moet hiermee bekend zijn geweest. Hier liggen duidelijk de bewijzen dat de apostelen bepaalde profetieën uit dit boek hebben weergegeven. Het feit dat zelfs de discipelen van de Here Jezus daaruit vrijmoedig citeerden moet voldoende waarborg zijn dat dit boek door hen als volkomen betrouwbaar werd erkend. Bovendien blijkt uit historische bronnen overduidelijk dat het Boek van Henoch bij de eerste christenen de waarde bezat van een canoniek werk. Het Concilie van Carthago stelde in 397 nC een definitieve lijst van de Canon op en kende alleen nog de daarop voorkomende geschriften goddelijke waarde toe. Waarom het Boek des Oprechten en het Boek van Henoch niet zijn opgenomen is voor vele bijbeldeskundigen nog steeds een raadsel.
     
    Nadat het Boek van Henoch in de vierde eeuw in dis-krediet is geraakt werden eerst veel later gedeelten van dit verloren gegane werk weer teruggevonden. Het meest volledige gedeelte is geschreven in de Ethiopische taal en werd in 1773 teruggevonden in Abessinië, het hedendaagse Ethiopië, terwijl andere vondsten in het Aramees, Hebreeuws, Latijn of Grieks waren geschreven. De oorspronkelijke taal van het boek is evenals het "Boek van Daniël" deels Aramees, deels Hebreeuws. Tussen deze talen ligt een grote verwantschap en men heeft hier waarschijnlijk te doen met vertalingen vanuit het Hebreeuws in het Aramees en omgekeerd, aldus taalgeleerden. Uit de weergevonden delen heeft men gepoogd opnieuw een volledig Boek van Henoch samen te stellen. De inhoud van dit Boek is voor een deel apocalyptisch en bestaat verder uit een hele serie profetieën van Henoch waaronder; Het toekom-stige lot van de Goddelozen en de Rechtvaardigen. "De opstanding van de doden" "Het gericht over de gevallen engelen" "De komst van de Messias"en "Het nieuwe Jeruzalem".
     
    Een van de hoofdstukken betreft de kwestie van de gevallen engelen, de zonen der hemelen die zich vrouwen uit de mensenkinderen hadden verkozen en reuzen hadden verwekt, een gebeurtenis die ook in Genesis 6:1-4 beschreven staat. In een ander hoofdstuk staan de oordelen die over de gevallen engelen zijn uitgesproken. Ook Judas en Petrus maken melding over de ontrouw van deze engelen en de oordelen die over hen zijn uitgesproken.
     
    Judas 1:6 en dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden.
     
    2 Petrus 2:4 Want indien God engelen, die gezondigd hadden niet gespaard heeft maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren; en de wereld van de voortijd niet gespaard heeft…..
     
    Uit deze teksten blijkt al weer, dat toen Petrus en Judas hun brieven schreven de gelovigen door het Boek van Henoch met de geschiedenis van de gevallen engelen en hun lot, op de hoogte waren en een enkele verwijzing daarna voor hen reeds voldoende was. Men was in de vroegste christentijd unaniem van oordeel, dat met de "Zonen Gods " als genoemd in het Boek van Henoch en in Genesis, geen normale mensen waren bedoeld. Henoch vermeldt vele malen dat engelen de hoge hemelen en de heilige plaatsen hadden verlaten en met vrouwen hadden gedaan wat ook de mensenkinderen deden. Dat daaruit de geslachten der demonen zijn ontstaan, was eveneens een algemeen bekende waarheid. De bekende Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus vermelde in zijn eerste boek, hoofdstuk 3: "De nakomelingen van Seth die gedurende zeven geslachten godvrezend waren, zijn ontaard geword-en, Gods misnoegen tegen zich opwekkende; vooral vermeerderden de misdaden, toen vele engelen Gods zich met vrouwen begonnen te vermengen; de daden van hen, die daaruit voortkwamen waren gelijk aan die, welke de Grieken over de reuzen vertellen". De joodse geschiedschrijver Flavius Josephus (1e eeuw n.Chr), die ook de geschiedenis van de Bijbel hervertelt, aangevuld met informatie uit andere joodse bronnen, schrijft in ‘Joodse oudheden’ 1:73: “vele engelen van God verenigden zich met vrouwen en verwekten bij hen hoogmoedige zoons die , vol vertrouwen als ze waren op hun macht, minachting toonden voor alles wat goed was.
     
    Lees meer...   (1 reactie)
    Bijbelstudie over;
    DE NAAM JHWH - HASHEM YHVH
     
    Uit de recente gebeurtenissen in Israël en uitspraken van politici blijkt, dat de strijd om Jeruzalem, die door de profeten voor de eindtijd (dat is de tijd die aan de komst van de Mashiach [Messias] voorafgaat), werd aangekondigd, reeds is begonnen! Dagelijks zien wij in het journaal beelden van rellen, moorden en bomaanslagen met als inzet Jeruzalem! Maar zoals gezegd: dit is nog maar het begin! Het komt nog veel erger, want op dit moment wordt de strijd nog slechts gevoerd tussen Israeli's en Palestijnen, maar zoals reeds de profeet Zechar’ya [Zacharia] voorspelde, zullen uiteindelijk alle volken der aarde zich met deze strijd gaan bemoeien en partij kiezen voor de Pales-tijnen. De sterke legers van de Verenigde Naties zullen dan oprukken tegen Jeruzalem en genadeloos dood en verderf zaaien! Het Joodse volk dreigt op-nieuw uitgeroeid te worden, maar als hun benauwd-heid het hoogtepunt bereikt heeft, dan zal het profetisch woord uit Yo’el (Joël) 2:32 uitkomen: "En het zal geschieden, dat ieder die de Naam van de Eeuwige aanroept, behouden zal worden, want op de berg Tziyon en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Eeuwige gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de Eeuwige zal roepen". Dat en alléén dat is de redding voor de Joden: het aan-roepen van G’ds Naam! Maar dit is juist het grootste probleem: het uitspreken van de heilige Naam is in het Jodendom immers verboden! En al zou dit verbod er niet zijn, dan komt het volgende probleem: hoe luidt de Naam van Eeuwige precies? Wie het weet mag het zeggen!
     
    Ik ben die Ik ben 
    Reeds in TeNaCH [het Oude Testament] werd G'd drie keer naar Zijn Naam gevraagd. De eerste keer was het Ya'aqov [Jakob], die ernaar vroeg: "Daarop vroeg Ya'aqov [Jakob]: Zeg mij toch Uw naam. Maar Hij antwoordde: Waarom vraagt gij toch naar Mijn Naam? En Hij zegende hem daar. En Ya'aqov [Jakob] noemde de plaats P'ni'el [aanschijn van G'd),, want, zeide hij, ik heb G'd gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven"  (B'reshit [Genesis] 32:29-30). Maar ook Manoach, de vader van Shim’shon [Simson] krijgt letterlijk het-zelfde antwoord op zijn vraag: "Hoe is Uw Naam, want, wanneer uitkomt, wat Gij gezegd hebt, dan willen wij U eren. Maar de Engel van de Eeuwige zeide tot hem: Waarom vraagt gij naar Mijn Naam? Immers, toch die is wonderbaar" (Shof'tim [Richteren] 13:17-18). Dat deze Engel niemand anders dan de Eeuwige zelf was, blijkt uit vers 22, waarin Manoach tot zijn vrouw zegt: “Wij zullen zeker sterven, want wij hebben G'd gezien". In beide gevallen weigerde de Eeuwige op de vraag naar Zijn Naam in te gaan. In feite zegt Hij: hoe durf je zoiets te vragen? Deze uit-drukkelijke weigering om Zijn Naam bekend te maken ontbrak echter in het derde geval, toen Moshe [Mozes] de Eeuwige naar Zijn Naam vroeg: "Toen zeide G'd tot Moshe: Ik ben, die Ik ben" (Sh'mot [Exodus] 3:14). Het antwoord luidt dus zonder meer: Ik ben die Ik ben! Is dat een weigering? Neen, zeker niet! Maar waarom krijgt Moshe een ander antwoord dan Ya'aqov en Manoach? Welnu, beiden vroegen onverholen: “Wat is Uw naam?” Wat neerkomt op: “Wie bent U eigenlijk?” Moshe formuleerde zijn vraag echter heel anders: “Daarop zeide Moshe tot G’d: Maar wanneer ik tot de Israëlieten kom en hun zeg: De G’d uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: Hoe is Zijn Naam?, wat moet ik hun dan ant-woorden? Toen zeide G’d tot Moshe: Ik ben, die Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden." (Sh'mot [Exodus] 3:13-14).
    Zowel Ya'aqov alsook Manoach realiseerden zich pas achteraf met wie ze eigenlijk hebben gesproken. Moshe daarentegen wist heel goed met wie hij te maken had, want G'd zei reeds vanaf het begin uitdrukkelijk: "Ik ben de G'd van uw vader" (Sh'mot [Exodus] 3:6). Maar waarom noemde Hij niet Zijn echte Naam, maar gaf slechts als antwoord: “Ik ben die Ik ben”? Voor het westerse taalgevoel is deze wending moeilijk te begrijpen, maar voor Joden is dit de gewone Hebreeuwse manier om onbepaaldheid uit te drukken. Een soortgelijke constructie komen we bij-voorbeeld ook in Sh'mot [Exodus] 33:19 tegen: V’chanoti et-asher achon v’richam’ti et-asher arachem [Ik zal genadig zijn wie Ik genadig ben, en Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm]. Ook in Romeinen 9:15 vinden wij dezelfde tekst: "Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn". G'd bedoeld hiermee, dat Hij zich ontfermt, over wie Hij wil, de mens heeft in deze niets te bepalen. De onbepaaldheid wordt hier uitgedrukt door een herhaling van hetzelfde werk-woord, waarvan de twee vormen door een betrekke-lijk voornaamwoord met elkaar zijn verbonden. In Sh'mot [Exodus] 16:23 vinden wij een ander voorbeeld voor deze constructie: Et asher-tofu efu v’et asher-t’vashelu bashelu [Bakt wat gij bakken wilt en kookt wat gij koken wilt), hetgeen eigenlijk zoveel betekent als: doe met het manna wat je wilt. Men is het erover eens, dat het antwoord van de Eeuwige op de vraag van Moshe [Mozes] ook een voorbeeld is van deze Hebreeuwse constructie: Eh'ye asher Eh'ye! ofwel "Ik ben die Ik ben” wat ook vertaald kan worden met “Ik zal zijn die Ik was” of “Ik zal zijn die Ik zijn zal” - en daarmee aangeeft dat G’d nooit verandert, maar onveranderlijk is, want zijnde dat Hij is, wordt Hij geen ander, maar blijft dezelfde, die Hij van eeuwig-heid is.
    Dit betekent, dat de G’d van Israël eeuwig is in wezen, getrouw in Zijn belofte en alvermogend in haar uitvoering. Dat deze constructie op verschillen-de manieren vertaald kan worden moet niet zo opgevat worden, alsof de betekenis van deze heilige woorden onzeker zou zijn. Maar omdat onze taal mist, wat het Hebreeuws wél heeft, namelijk een vorm, die tegelijkertijd het heden en de toekomst uitdrukt, willen onze bijbelvertalers erop wijzen, dat noch de ene, noch de andere vertaling de betekenis van deze hoogheerlijke woorden uitput. Is het toch de Eeuwige, die zich hier uitspreekt, en valt in het eeuwige juist het verschil van het heden en van de toekomst weg, dan wordt er, hoe men ook zou vertalen, altijd aan de diepere betekenis van deze Hebreeuwse woorden te kort gedaan. Vertaalt men "Ik zal zijn", dan moet "Ik ben" erbij gedacht worden; maar vertaalt men: "Ik ben", dan moet "Ik zal zijn" eronder begrepen worden. (Kuyper). Deze tijdloze identiteit van de Eeuwige komt bijzonder tot uitdrukking in de omschrijving: Asher Hu hove, haya vaba of ook wel: haHove v’haya v’yavo [Hij die was en die is en die komen zal] in Chizayon [Openbaring] 1:4, 1:8 en 4:8. Als G’d zo van zich zelf kan zeggen: “Ik ben die Ik ben” of “Ik ben die Ik zijn zal”, dan geeft Hij daarmee aan dat Hij de bron en oorsprong van Zijn eigen wezen, Zijn eigen Ik is. Hij is dus de Eeuwige, Almachtige, Zelfstandige, die het leven heeft in Zichzelf! Interessant is hierbij, dat precies hetzelfde ook voor Yeshua [Jezus] van toepassing is: “Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf”. (Yochanan [Johannes] 5:26).
    Elke twijfel over de identiteit van Yeshua wordt even-eens weggenomen als wij twee teksten uit Openba-ring met elkaar vergelijken, waarin eerst de Vader van Zichzelf getuigt: “Ik ben de Alfa en de Omega, zegt de Eeuwige G’d, die is en die was en die komt, de Almachtige.” (Chizayon [Openbaring] 1:8), en daarna Yeshua, de Zoon: “Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde.”  (Chizayon [Openbaring] 22:13). Ook de bekende tekst uit iIvrim [Hebreeën] 13:8 zegt infeite hetzelfde, namelijk: “Yeshua haMashiach [Jezus Christus] is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid”. Nu begrijpen wij dus beter, wat Yeshua bedoelde toen Hij zei: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Yochanan [Johannes] 14:9.
    Maar terug tot Moshe [Mozes], die op zijn vraag naar de naam van G’d slechts de vreemde constructie “Ik ben die Ik ben” als antwoord kreeg. Maar hij had de vraag van de weerspanneling onder zijn volk: "Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?” nog niet vergeten. Zij deed hem deze vraag doen aan G’d. Egypte was immers vervuld van afgoden, en allen hadden hun namen. Door welke naam mocht men dus nu de G’d van de vaderen van hen onder-scheiden? Daarbij, tot zijn volk kon hij spreken van de "G’d van hun vaderen", maar niet tot farao. De vraag was dus billijk, en nu noemde G’d Zichzelf met een naam, die zoveel zeggen wil als: "de ware G’d." G’d zei ermee: "Ik ben: Ik ben het Wezen; niets heeft wezen dan in en door Mij. Ik ben de Onveranderlijke."  (Da Costa). Maar Hij liet Moshe niet onkundig omtrent Zijn naam, want reeds in vers 15 van Sh'mot [Exodus] 3 zegt Hij: "Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: De Eeuwige, de G'd uwer vaderen, de G'd van Avraham [Abraham], de G'd van Yitzchaq [Izaäk] en de G'd van Ya'aqov (Jakob) heeft mij tot u gezonden; dit is Mijn Naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht".
     
    Vragen en nog eens vragen 
    Hoe luidt dus de Naam van G'd? Als we de NBG-vertaling mogen geloven, dan zou dat dus "HERE" moeten zijn. Maar is dat ook zo? Welnee! “HERE” is slechts een titel ter vervanging van G'ds naam. De oorspronkelijke Hebreeuwse geschriften bevatten de Naam van de Eeuwige in de vorm van vier medeklin-kers: yod . Deze vier letters, die van rechts naar links zijn geschreven kan men als YHVH of in het Nederlands JHWH transcriberen. Nu zitten we echter met een groot probleem: hoe wordt die Naam precies uitgesproken?
    De medeklinkers zijn weliswaar bekend, maar de vraag is welke klinkers bij deze medeklinkers horen. De klinkertekens kwamen in het Hebreeuws namelijk pas in de tweede helft van het 1ste millennium G.T. in gebruik. Maar ook in de klinkertekens die vanaf die tijd in Hebreeuwse handschriften te vinden zijn, ligt niet de sleutel tot de oplossing van het probleem, omdat reeds eeuwen daarvoor een groeiende huiver ontstond om de heilige Naam van G'd uit te spreken. Nog meer vragen komen dus erbij: waarom spreken de Joden G'ds Naam niet uit? Mogen zij het niet of willen zij het niet, of kunnen zij het niet? Als zij het niet zouden mogen, dan is de volgende vraag: waarom heeft de Eeuwige dan tegen Moshe [Mozes] bij het noemen van Zijn Naam gezegd, dat Hij van geslacht tot geslacht zo en niet anders aangeroepen wil worden? Is dat niet in tegenspraak met het vermijden van het uitspreken van Zijn naam? Nog een vraag: in de eerder genoemde tekst uit Yo’el [Joël] 2:32 lezen wij, dat een ieder die de Naam van de Eeuwige aanroept behouden zal worden. Maar hoe kan je de Naam van de Eeuwige aanroepen als je niet eens weet hoe hij wordt uitgesproken? En hoe zit het met Yeshua [Jezus]? Hebben wij Yeshua dan niet meer nodig als we reeds door het uitspreken van de vierletterige Naam van Zijn Vader behouden zouden zijn? Vragen en nog eens vragen!
     
    JHWH - de Naam van de Eeuwige 
    Het feit wil dus, dat op dit moment niemand zeker weet, hoe de Naam van G'd oorspronkelijk werd uit-gesproken. Hoe komt dat? Nu, de eerste taal die bij het schrijven van de Bijbel werd gebruikt, was zoals bekend het Hebreeuws, en wanneer deze Hebreeuw-se taal werd geschreven, gebruikten de schrijvers alleen medeklinkers, geen klinkers! Dat is ook nu weer het geval met het moderne Ivrit. Dus met G'ds Naam deed men hetzelfde en schreef alleen de medeklinkers op. Zolang de uitspraak van de heilige Naam bij de Israëlieten bekend was, leverde dit geen probleem op. Als zij namelijk deze Naam geschreven zagen staan, vulden zij de klinkers op de juiste wijze in zonder erbij na te denken, net zoals bij alle andere woorden en namen in hun taal. Maar toen gebeurde er iets waardoor deze situatie veranderde. Op een gegeven moment ontstond onder de Israëlieten de gedachte dat het verkeerd zou zijn om G'ds Naam uit te spreken. Wanneer deze gedachte vaste voet begon te krijgen, is onzeker. Sommigen zijn van mening, dat het begin hiervan gezocht moet worden na de Babylonische ballingschap (607-537 v.G.T.), door anderen wordt gesuggereerd dat men er in de derde eeuw v.G.T. mee ophield G'ds Naam te gebruiken. De motieven hiervoor zijn in elk geval van uiteenlopende aard. De voornaamste reden is het feit, dat G'd niet wil dat Zijn Naam misbruikt wordt, zoals duidelijk blijkt uit Sh'mot [Exodus] 20:7 en D'varim [Deuterono-mium] 5:11. Wat wordt daarmee bedoeld? Uiteraard op de eerste plaats het misbruik van de heilige Naam in toverformules. De wereld van het oude Oriënt was vroeger vol magie en occulte praktijken. Je hoefde slechts de juiste naam van een bepaalde afgod te kennen om onder het noemen van diens naam magis-che krachten te ontvangen. Maar het verbod omvat nog veel meer: het valse zweren onder het noemen van de heilige Naam. Of kijk om je heen: hoe vaak wordt de Naam van G'd of Jezus niet gebruikt als stopwoord, als uitroep van verbazing of zelfs als vloek? Om algemeen misbruik voorgoed te vermijden werd uiteindelijk besloten om de heilige Naam JHWH, die volgens sommigen 6823 keer, volgens anderen 6973 keer in TeNaCH [het Oude Testament] en meer dan 200 keer in B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] voorkomt, te vervangen door "Adonai" hetgeen "HEER" betekent. Alleen de Kohen haGadol [hogepriester] mocht de Naam op Yom Kipur [Grote Verzoendag] in de Tempel noemen bij het gebed en de zegen. Men motiveerde dit besluit met de veronder-stelling dat de Naam van de Eeuwige zo heilig en intiem is, dat het uitspreken daarvan op enig ander moment een onvergeeflijke aanmatiging zou inhouden zo vertrouwd met G'd te zijn, dat je Hem als het ware bij Zijn voornaam mocht noemen. In de oosterse denkwijze is het immers ondenkbaar om zijn vader of laat staan een hooggeplaatst persoon bij de voornaam aan te spreken (iets wat bij de moderne westerling tegenwoordig vrij normaal is, denk maar aan Beatrix!). In de Joodse Mishna, een verzameling van rabbijnse leringen en overleveringen, die in de 3e eeuw G.T. door rabbi Yehuda haNasi [Juda de Patriarch] werd samengesteld, vinden wij enkele teksten met betrekking tot het uitspreken van de heilige Naam in de tijd van vóór de verwoesting van Jeruzalem en de Tempel. Zo lezen wij in Yoma 6:2 in verband met Yom Kipur [de Grote Verzoendag]: “En als de priesters en het volk, die in het voorhof stonden, de duidelijk uitgesproken Naam hoorden, zoals hij uit de mond van de Hogepriester kwam, knielden zij en bogen zij zich en wierpen zij zich op hun aangezicht en hieven aan: Baruch Shem k’vod Mal’chuto l’olam va’ed [Geprezen zij de heerlijke Naam van Zijn Koninkrijk voor immer en eeuwig]!” – In Sota 7:6 staat over het gebruik van G’ds Naam in de dagelijkse zegeningen het volgende: “In de Tempel spraken zij de Naam uit zoals deze werd geschreven, maar in de provincies door een vervangend woord.” Uit o.a. deze teksten blijkt, dat in elk geval tot de verwoesting van de Tempel in 70 G.T. de juiste uitspraak van de heilige Naam nog wel bekend was, maar dat reeds toen al de tendens bestond om het gebruik daarvan zoveel mogelijk te vermijden, alhoewel het voornamelijk de priesters waren over wie uitdrukkelijk werd vermeld dat zij in plaats van G’ds Naam een vervangende naam of een omschrijving gebruikten, en dat ook alleen maar in de provincies, dus buiten de stad. In het eerste deel van de Mishna, namelijk in B’rachot 9:5 vinden wij daarentegen toch ook de uitdrukke-lijke opdracht, dat “een man zijn naaste met het gebruik van de Naam van G’d dient te groeten”, waarna het voorbeeld van Boaz wordt aangehaald: “En zie, Boaz kwam uit Beit Lechem [Betlehem] en hij zeide tot de maaiers: de Eeuwige zij met u! Zij zeiden tot hem: de Eeuwige zegene u!” (Rut [Ruth] 2:4). Hoe dan ook, na de verwoesting van de Tempel raakte de juiste uitspraak van de heilige Naam in totale vergetelheid en elke poging om die te achterhalen is tot nu toe mislukt en zou alleen maar leiden tot speculaties.
     
     
    Lees meer...   (2 reacties)
    Bijbelstudie over
    YESHUA IN DE TENACH (OT) - YESHUA B’HATENAC
     
     
    “Zie, Mijn knecht, die Ik ondersteun; Mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd…” (Yeshayahu [Jesaja] 42:1).1 Deze woorden herinneren ons aan de stem die uit de hemel kwam, nadat Yeshua in de Jordaan onderge-dompeld werd, terwijl Ruach haQodesh [de Heilige Geest] als een duif op Hem neerdaalde. Dat is geen toeval! Het gaat hier namelijk om een profetie die daadwerkelijk deze gebeurtenis betreft! In de TeNaCH [de Hebreeuwse Bijbel] staan er her en der soms kleine, soms wat langere teksten, verdeeld over de Tora, de profetische boeken en de, Tehilim [Psalmen], die de komst, maar ook de wederkomst van de Mashiach [Messias] voorspellen. Menige tekst op zich lijkt op het eerste gezicht nergens op te slaan en is zonder kennis van B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] nauwelijks te begrijpen. Dat verklaart ook de grote moeite die vele van onze Joodse broeders en zusters hebben om in Yeshua hun eigen langver-wachte Mashiach te zien. Indien men echter alle profetieën uit de TeNaCH aangaande de Verlosser inventariseert en rangschikt, dan begint het hele leven van Yeshua langzaam duidelijk zichtbaar te worden.
     
    De geboorte van de Mashiach
    Het begin van de B’sora haTova [blijde boodschap] van Yeshua haMashiach is precies zoals het geschreven staat bij de profeten: “Zie, Ik zend Mijn bode, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal.” (Mal’achi [Maleachi] 3:1).2 “Bereidt in de woestijn de weg van Adonai, effent in de wildernis een baan voor onze G’d.” (Yeshayahu [Jesaja] 40:3).2 Deze bode was Yocha-nan haMat’bil [Johannes de Doper], een Nazir [Nazireër]. Hij leefde in de woestijn en riep de Israëlieten op tot T’shuva [berouw en ommekeer] en zich te laten onderdompelen tot vergeving van zonden om hen op de spoedige komst van de Mashiach [Messias] voor te bereiden. Over de geboorte van de Mashiach in Beit Lechem [Betlehem] zijn ons de volgende teksten bekend: “Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een Zoon baren; en zij zal Hem de naam Imanu’el [Immanuël] geven.” (Yeshayahu [Jesaja] 7:14).3 “En gij, Beit Lechem Ef’rata, al zijt gij klein onder de geslachten van Yehuda [Juda], uit u zal Mij voortkomen die een Heerser zal zijn over Yisra’el[Israël] en wiens oorsprong is vanouds, van de dagen der eeuwigheid”  (Micha [Micha] 5:1).4 “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heer-schappij rust op Zijn schouder en men noemt Hem Wonderbare Raadsman, Sterke G’d, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over Zijn koninkrijk, doordat Hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid.” ( Yeshayahu [Jesaja] 9:5-6).5 Na acht dagen ontving Hij de naam Yeshua, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was, bij de B’rit Mila [besnijdenis], die Hij onderging overeenkom-stig het gebod: “Op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden.” (Vayiq’ra [Leviticus] 12:3).6 Na de geboorte van Yeshua was Mir’yam [Maria] 40 dagen onrein, en toen de dagen van hun reiniging naar de Tora van Moshe vervuld waren, brachten zij Hem naar Yerushalayim [Jeruzalem] om Hem aan de Eeuwige op te dragen, gelijk geschreven staat in de Tora van Adonai: “Wanneer een vrouw moeder wordt en een kind van het mannelijk geslacht baart, dan zal zij zeven dagen onrein zijn; als in de tijd van haar maandelijkse afzondering zal zij onrein zijn. - Drieen-dertig dagen zal zij blijven in het reinigingsbloed; niets heiligs zal zij aanraken, naar het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen van haar reiniging vervuld zijn. - Als de dagen van haar reiniging vervuld zijn, zal zij voor een zoon of voor een dochter een eenjarig schaap ten brandoffer, en een jonge duif of tortelduif ten zondoffer, naar de ingang van de ]Mish’kan [tabernakel] tot de ] Kohen [priester] brengen. Deze zal het voor het aangezicht van Adonai offeren en over haar verzoening doen; dan zal zij rein zijn van haar bloedvloeiing. Dit is de wet voor haar die gebaard heeft, hetzij het een kind van het mannelijk of van het vrouwelijk geslacht betreft. Indien echter haar vermogen niet toereikend is voor een stuk kleinvee, dan zal zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen: de ene ten brandoffer en de andere ten zondoffer, en de Kohen [priester] zal over haar verzoening doen, en zij zal rein zijn.”( Vayiq’ra [Leviticus] 12:2,4,6-8).7 Mir’yam bracht twee tortelduiven. En zie, er was een man te Yerushalayim [Jeruzalem], wiens naam was Shim’on [Simeon], en deze man was een Tzadiq en Chasid [rechtvaardige en vrome], en hij verwachtte de vertroosting van Yisra’el [Israël], en Ruach haQodesh [de Heilige Geest] was op hem. En hem was door Ruach haQodesh een g’dsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Mashiach van Adonai gezien had. En hij kwam door de Ruach [Geest] in de tempel. En toen de ouders het kind Yeshua binnenbrachten om met Hem te doen overeenkomstig de gewoonte der Tora, nam ook hij het in zijn armen en hij loofde haShem en zeide: “Nu laat Gij, Adonai, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord, want mijn ogen hebben Uw Heil (Yeshuat’cha) gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: licht tot openbaring voor de Goyim [heidenen] en heerlijkheid voor Uw volk Israël gelijk geschreven staat: “Ik stel U tot een licht der volken, opdat Mijn Heil (Yeshuati) reike tot het einde der aarde.” (Yeshayahu [Jesaja] 49:6).8
    Toen koning Herodes hoorde dat er in Beit Lechem [Betlehem], de stad van David, de nieuwe Koning der Joden geboren was, ontstak hij in hevige toorn en zond bevel om in Beit Lechem en het gehele gebied daarvan al de jongetjes van twee jaar oud en daar beneden om te brengen. Toen werd vervuld het woord, gesproken door ir’m’yahu haNavi [de profeet Jeremia], toen hij zeide: “Hoor, te Rama klinkt een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is.” (Yir’m’yahu [Jeremia] 31:15).9  Mir’yam en Yosef waren echter van tevoren naar Egypte gevlucht met het kind Yeshua omdat zij door een engel gewaarschuwd werden, en zij bleven daar tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden hetgeen de Eeuwige door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: “Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.” (Hoshea [Hosea] 11:1).10
     
     De bediening van Yeshua
     
    De meeste tijd van Zijn aardse leven verbracht Yeshua rondom de Yam Kineret [het meer van Galilea]. En Hij verliet Natzaret en ging wonen te K’far Nachum [Kapernaum], aan de zee, in het gebied van Zevulon en Naf’tali, opdat vervuld zou worden het woord, door Yeshayahu haNavi [de profeet Jesaja] gesproken, toen hij zeide: “Zoals Hij in het verleden smaad bracht over het land van Zevulon en over het land van Naf’tali, zo brengt Hij in de toekomst eer over de weg der zee, de overzijde van de Jordaan, de landstreek der heidenen. Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht."  (Yeshayahu [Jesaja 8:23).11 Van toen aan begon Yeshua te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. En men bracht vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met Zijn woord en die ernstig ziek waren genas Hij allen, opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken werd door Yeshayahu haNavi [de profeet Jesaja], toen hij zeide: “Nochtans, onze ziekten heeft Hij op zich genomen, en onze smarten gedragen.”  (Yeshayahu [Jesaja 53:4).12 Yochanan [Johannes], die op bevel van de slechte koning Herodes gearresteerd was, hoorde in de gevangenis de werken van de Mashiach en liet Hem door zijn Tal’midim [discipelen] de vraag overbrengen: Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? En Yeshua ant-woordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Yochanan wat gij hoort en ziet: “Te dien dage zullen de doven Schriftwoorden horen, en van donkerheid en duisternis verlost, zullen de ogen der blinden zien. Dan zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden; dan zal de lamme springen als een hert en de tong van de stomme zal jubelen.” (Yeshayahu [Jesaja] 29:18, 35:5-6).13 Het was Yeshua, van wie Adonai gezegd heeft: “Ik, de Eeuwige, heb U geroepen in gerechtigheid, Uw hand gevat, U behoed en U gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën: om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn.”  (Yeshayahu [Jesaja] 42:6-7).14 En Yeshua sprak in gelijk-enissen tot de scharen en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen, opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen hij zeide: “Ik wil Mijn mond tot een spreuk opendoen, Ik wil aloude verborgenheden verkondigen.” (Tehilim [Psalmen] 78:2).15 Zijn Tal’midim [discipelen] vroegen Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen? Hij antwoordde hun en zei: Ik spreek tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijp-en. En aan hen wordt de profetie van Yeshayahu vervuld, die zegt: “Ga, zeg tot dit volk: Hoort aldoor, maar verstaat niet, en ziet aldoor, maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dicht kleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen worde.” (Yeshayahu [Jesaja] 6:9-10).16 Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen. - En Yeshua kwam te Natzaret, waar Hij opge-voed was. Hij ging volgens zijn gewoonte op Yom Shabat [de sabbatdag] naar de synagoge en stond op om de Haf’tara voor te lezen. Het boek van de profeet Yeshayahu werd Hem ter hand gesteld en toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven is: “De Geest van Adonai is op Mij, omdat de Eeuwige Mij gezalfd heeft; Hij heeft Mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedig-en, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebond-enen opening der gevangenis; om uit te roepen een jaar van het welbehagen van Adonai (Yeshayahu [Jesaja] 61:1-2).17 Daarna sloot Hij het boek, gaf het aan de Shamash [dienaar] terug en ging zitten. En de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld.
     
    De intocht in de heilige stad 
    En toen zij Yerushalayim [Jeruzalem] naderden en te Beit Pagai [Bethfage] kwamen, aan de Olijfberg, toen zond Yeshua twee Tal’midim [discipelen] uit, tot wie Hij zeide: Gaat naar het dorp, dat tegenover u ligt, en terstond zult gij een ezelin vastgebonden vinden, en een veulen bij haar. Maakt haar los en brengt haar tot Mij. En indien iemand u iets erover mocht zeggen, zegt dan: de Heer heeft ze nodig. Hij zal ze terstond terug zenden. Dit is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeet, toen hij zeide: “Jubel luide, gij dochter van Tziyon [Sion]; juich, gij dochter van Yerushalayim [Jeruzalem]! Zie, uw Koning komt tot u, Hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong.” (Zechar’ya [Zacharia] 9:9).18 Nadat de Tal’midim heengegaan waren en gedaan hadden, zoals Yeshua hun had opgedragen, brachten zij de ezelin en het veulen en zij legden hun klederen erop, en Hij ging daarop zitten. En het merendeel der schare spreidde hun klederen op de weg, anderen sloegen takken van de bomen en spreidden die op de weg. En de scharen, die voor Hem uit gingen en die volgden, riepen, zeggende: Hoshana de Zoon van David! “Gezegend Hij, die komt in de naam van de Eeuwige; wij zegenen U uit het huis van Adonai (Tehilim [Psalmen] 118:26).18 En Hij ging de tempel binnen en vond daar de verkopers van runderen en schapen en duiven, en de wisse-laars, die daar zaten. Hij maakte een zweep van touw en begon de kooplieden uit te drijven, alsook de schapen en de runderen; en het geld van de wisse-laars wierp Hij op de grond, hun tafels keerde Hij om en de stoelen van hen, die de duiven verkochten. En Hij zeide tot hen: Er staat geschreven: “Is dit huis, waarover Mijn Naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol?” (ir’m’yahu [Jeremia] 7:11).19 En Zijn Tal’midim herinnerden zich, dat er geschreven is: “Ik ben een vreemde geworden voor Mijn broeders, een onbekende voor de zonen van Mijn moeder; want de ijver voor Uw huis heeft Mij verteerd, en de smaadwoorden van wie U smaden, kwamen op Mij neder.” (Tehilim  [Psalmen] 69:9-10).19 De overpriesters en schriftgeleerden, evenals de voornaamsten van het volk, zochten gelegenheid Hem om te brengen, maar zij vonden niets dat zij zouden kunnen doen, want al het volk hing aan Zijn lippen. Yeshua sprak tot hen in gelijkenissen en vroeg aan de geestelijke leiders van het volk: Hebt gij ook dit schriftwoord niet gelezen: “De steen die de bouwlieden versmaad hebben, is tot een Hoeksteen geworden; van de Eeuwige is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen.” (Tehilim [Psalmen] 118:22-23).20 En zij trachtten Hem te grijpen, want zij begrepen, dat Hij met het oog op hen die gelijkenis gesproken had. Maar zij vreesden de scharen, daar die Hem voor een profeet hielden, en zij lieten Hem verder ongemoeid en gingen weg. Toen de Farizeeën bijeen waren, vroeg Yeshua hen, zeggende: Wat dunkt u van de Mashiach? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: David’s Zoon. En Yeshua antwoordde hen en zeide: Hoe zeggen de schriftgeleerden, dat de Mashiach een Zoon van David is? David zelf heeft Hem Heer genoemd, want hij heeft door Ruach haQodesh [de Heilige Geest] over Hem in het boek der Tehilim [Psalmen] gezegd: “Aldus luidt het woord van Adonai tot mijn Heer: Zet u aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor Uw voeten.” (Tehilim [Psalmen] 110:1).21 Indien David de Mashiach dus Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? En niemand kon Hem daarop iets antwoorden en evenmin durfde iemand van die dag af Hem meer iets vragen.
    Lees meer...   (1 reactie)
    Bijbelstudie
     DE EEUWIGE IS ÉÉN! - ADONAI ECHAD
     
     Één van de grootste mysteries is het geheim van G’ds Wezen, dat met het menselijke verstand niet te bevatten is en waarover er onder de gelovigen sinds mensen heugen verschil van opvatting bestaat. G’d is één! Daar kan niemand aan twijfelen omdat de Bijbel hierin heel duidelijk is. Maar wat moeten wij onder die éénheid verstaan? Bestaat G’d uit één ondeelbaar Geheel of is er wel sprake van een samengestelde éénheid? Ik denk het tweede, want waarom zou G’d anders in meervoud over Zichzelf spreken: “Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis” (B’reshit [Genesis] 1:26)? Hij had toch ook kunnen zeggen: “Laat Mij mensen maken naar Mijn beeld”. Maar nee, er staat “Ons”! Er zijn nog meer soortgelijke voorbeelden in het zelfde bijbel-boek. Nu kunt u wel zeggen dat hier het majesteits-meervoud toegepast zou zijn, zoals dat ook hier in onze monarchie nog steeds gebruikelijk is in zinnen als bijvoorbeeld: “Wij, de koningin der Nederlanden...”, maar dat hiervan in dit geval geen sprake kan zijn blijkt uit het feit, dat de Eeuwige na Genesis namelijk niet meer in de Wijvorm spreekt, maar in de Ikvorm. Verder staat het woord , Elohim, dat vertaald wordt met G’d, alleen al in het eerste hoofdstuk van Bereshit [Genesis] 32 keer! het woord  Elohim heeft hier de gebruikelijke Hebreeuwse uitgang voor alle mannelijke naamwoorden in meervoud. Dit spreekt enerzijds de bewering van de feministische theologie tegen, dat G’d net zo goed vrouwelijk zou kunnen zijn, maar het bewijst tevens dat er inderdaad sprake is van een meervoud, want in enkelvoud had G’d eigenlijk gewoon la EL moeten zijn.
     
     Zeven-éénheid?
     In bepaalde Joodse kringen gaat men ervan uit, dat G’d uit zeven Personen zou bestaan, omdat het getal 7 (sheva] in het Hebreeuws volmaaktheid uitdrukt. Hier is dus sprake van een z.g. zeven-éénheid, waarvoor in G’ds Woord echter geen duidelijke schriftuurlijke aanwijzingen zijn te vinden, behalve eventueel Openbaring 3:1, waarin gesproken wordt over de 7 Geesten G’ds, toch of daar dan ook 7 verschijningsvormen van de Eeuwige mee bedoelt zijn, valt te betwijfelen. Maar wat wordt dan bedoeld met de zeven Geesten G’ds? Welnu, de Eeuwige wil in het boek Chizayon [Openbaring] zeven gemeenten in Asia, een provincie van het Romeinse Rijk in het westen van het huidige Turkije, aanmoedigen om te midden van de zware vervolging staande te blijven en omdat 7 het getal is van de volheid, wil Adonai door dit boek tevens troost, bemoediging en houvast geven aan Zijn gemeente van alle tijden en van alle plaatsen en landen. Dus ook aan ons. Hij heeft de zeven Geesten; dat is de volmaakte Heilige Geest, Ruach haQodesh, met al Zijn verscheidenheid van krachten, gaven en werkingen; want Hij is persoon-lijk één, ofschoon verscheiden in openbaring. Hij wordt hier zevenvoudig genoemd naar het getal der gemeenten en der engelen van de gemeenten, om aan te tonen dat iedere dienaar en elke gemeente een gave of bediening van G’ds Ruach [Geest] gegeven is om daarmee te kunnen functioneren; een voorraad van geestelijke toerusting voor die specifieke dienaar of die gemeente, om hen door volharding en uitbreiding bij te staan en te verbeteren; tenzij ze het door misbruik, lauwheid of achteruitgang verbeuren. De gemeenten hebben, evenals de individuele gelovigen, hun geestelijke voorraden, en aangezien deze brief juist gericht werd aan een verslappende gemeente, wordt haar in herinnering gebracht dat Yeshua de zeven Geesten heeft: dat is de Heilige Geest in volkomenheid, en dat zij zich tot Hem mogen wenden om Zijn werk in hen te verlevendigen. De zeven sterren (Openbaring 1:20 en 3:1), de engelen der gemeenten; zijn door Hem geplaatst bij de zeven kandelaren, de zeven gemeenten, en aan Hem verantwoording schuldig, hetgeen hen getrouw en ijverig moet maken. Zij zijn dienaren om te zenden, en Hij geeft hen de geestelijke toerusting tot welzijn van de gemeenten. Ruach haQodesh [de Heilige Geest] werkt gewoonlijk door de dienaren, en hun dienst zal niet krachtig zijn zonder de Heilige Geest, de volmaakte Geest met al Zijn verscheidenheid van krachten, gaven en werkingen. Daarom wordt hier gesproken over de zeven Geesten G’ds. Anderen menen echter dat deze zeven Geesten hier de zeven engelen zijn, zoals volgens Openbaring 1:20 ook de zeven sterren de zeven engelen of opzieners der gemeente betekenen. De zeven gemeenten worden vergeleken met zeven kandelaren, omdat aan de Menora, de kandelaar in de tabernakel zeven lampen waren, die altijd met olie en licht moesten voorzien zijn, want de gemeenten hebben de opdracht gekregen om een licht voor de wereld te zijn! In Chizayon [Openbaring] 4:5 zag Yochanan [Johannes] zeven vurige fakkels branden-de voor G’ds troon, waarvan hij verklaarde, dat zij de zeven Geesten G’ds zijn, de verschillende gaven, bedieningen en werkingen van de Heilige Geest in de gemeenten van de Mashiach, die allen worden ver-deeld en verleend naar de wil en het welbehagen van Hem, die op de troon zit. In Chizayon [Openbaring] 5:6 zien wij Yeshua als een lam, hebbende zeven hoorns en zeven ogen, dat is volkomen macht om al de wil van G’d te volbrengen en volkomen wijsheid om dat op de beste wijze te doen; want Hij heeft de zeven Geesten G’ds. Hierdoor wordt de volheid van de Heilige Geest afgebeeld, die Yeshua zonder mate heeft ontvangen (zie Yochanan [Johannes] 3:34), waardoor Hij ook Zijn macht en Zijn voorzienigheid in het regeren van Zijn Qehila [gemeente] uitvoert. Hij heeft de Heilige Geest ontvangen zonder mate, in alle volkomenheid van licht en leven en macht, waardoor Hij in staat is alle landen der aarde te regeren en te onderwijzen. Hij, het Lam, heeft zeven ogen: niets ontgaat Hem, ook hier op aarde niet! Ik ben dus van mening dat de 7 Geesten G’ds een beeld zijn van de volmaakte Heilige Geest met al Zijn verscheidenheid van krachten, gaven en werkingen, maar in die tekst een zeven-éénheid van G’d te zien lijkt mij zeer onwaarschijnlijk.
    Lees meer...   (3 reacties)
    Engelen.
     

    We beginnen met het onderwerp geesten, m.i. een boeiend onderwerp die de mensen door de eeuwen heen al heeft gefascineerd zelf de ongelovige mens. Momenteel is er een grote belangstelling onder de mensen voor het bovennatuurlijke en zelfs de christ-enen laten zich daarin meeslepen. Er zijn ook heel wat mythen en verhalen over engelen en demonen.
    Waar wij ons voornamelijk mee bezig willen houden is wat de bijbel hier over zegt en met behulp van enkele buiten bijbelse gegevens wat meer licht werpen op dit onderwerp.
    Het jodendom heeft geen systematische leer ontwikkeld over de engelen, dat is wel gedaan door de R.k. kerk.
    Er is veel huiver onder de protestanten om zich te mengen in de geestenwereld en daardoor weten we weinig van deze dingen af. Zelf geloof ik dat we ook moeten oppassen want de mens gaat snel over tot verering van deze wezens.
    We gaan toch maar eens kijken wat er al zo bekend is van deze materie.

     

    Luc. 20:35,36. maar zij die waardig gekeurd worden aan de andere wereld en de opstanding uit de doden deel te verkrijgen nemen niet ten huwelijk en worden niet uitgehuwelijkt; zij kunnen immers ook niet meer sterven; want zij zijn aan de engelen gelijk; en daar zij zonen der opstanding zijn, zijn zij zonen G’ds.

     

    In dit deel legt Jezus uit dat wij mensen op aarde huwen maar dat later na de opstanding er niet meer gehuwd zal worden omdat er geen geboorte of sterven meer zal zijn en we dus aan de engelen gelijk zullen zijn.
    De serie van de E.O met vrouwelijke engelen is dus een omdraaien van dit gegeven. Zij hebben geen geslacht maar worden toch zonen genoemd.
    De hebreeuwse naam is «bene ha-elohim», zonen van G’d. Ze voeren de wil van G’d uit en maken daarbij geen vergissingen.

    Er zijn echter ook kwade engelen.
    We mogen aannemen dat ze ook nu niet werkeloos toezien. Maar ze zijn dienstknechten van G’d en niet van mensen.

     Er zijn verschillende rangorden in de wereld van zowel de engelen als van de demonen.
    De bijbel maakt m.i. geen verschil tussen wat ik noem witte en zwarte engelen, het is namelijk een soort-naam net als wij spreken over mensen en er dan ook geen onderscheid is tussen gelovigen en ongelovigen.

    Openbaring 12:7,-9; Toen barstte een strijd uit in den hemel: Michaël en zijn engelen streden tegen den draak; ook de draak en zijn engelen streden, maar waren niet sterk genoeg en vonden voortaan geen plaats in den hemel; de grote draak, de aloude slang, die Duivel en Satan heet, de verleider der ganse wereld, werd op de aarde geworpen, en zijn engelen met hem.
    Openbaring 9:11;
     Over hen staat als koning de engel van den Afgrond, in het Hebreeuws Abaddon geheten, in het Grieks Apollyon. Zie ook 2 Petrus 2:4 Want als G’d de engelen die gezondigd hebben niet gespaard, maar hen, die Hij voor de hel bestemde, aan donkere holen ter bewaring voor het Gericht overgeleverd heeft.
    Judas vers 6. en dat hij de engelen die voor hun heerschappij niet gezorgd, maar hun eigen woon-steden verlaten hebben, tot het gericht van den groten dag, met eeuwige boeien door de duisternis bedekt, heeft bewaard;

    Hier zien we dat een demon ook gewoon engel wordt genoemd.

     

    De engelen van G’d hebben een lichtende gestalte ze stralen de heerlijkheid van de Almachtige uit waarmee ze in verbinding staan.
    Ik denk zelf dat ook Adam en Eva een stralenkleed hadden, dat weg viel na de zondeval en ze zichzelf naakt bevonden. In de eeuwigheid zijn we weer bekleed met witte gewaden.

     

    Engelen hebben tot taak om de dingen te besturen. Hebr. 1:7 Van de engelen zegt Hij: Hij die zijn engelen tot winden maakt en zijn dienaren tot vuur-vlammen. Openb. 7:1-3 Daarna zag ik aan de vier hoeken der aarde vier engelen staan, die de vier winden der aarde vasthielden, zodat noch op land, noch op zee, noch tegen enigen boom een wind waaien zou.
    En ik zag een anderen engel van het Oosten opkomen, met het zegel van den levenden G’d; hij riep met luide stem tot de vier engelen wien het gegeven was land en zee te beschadigen:
    Beschadigt noch land, noch zee, noch boom, voordat wij op het voorhoofd der dienstknechten van onzen G’d het zegel gedrukt hebben.
     14:18En een andere engel kwam van het altaar, met de macht over het vuur, en riep met luide stem tot den engel die de scherpe zeis had: Omlaag met uw scherpe zeis, snijd af de trossen van den wijnstok der aarde; want zijn druiven zijn rijp.
      
     Er zijn engelen aangesteld om de elementen te beheersen, zodat die de schepping niet kunnen vernietigen.
    Zo zijn er ook engelen die tot taak hebben de kosmos te besturen.
    Op die grond was Lucifer aangesteld als wachter over de aarde. Ook het zonnestelsel ligt onder bestuur van engelen. We weten echter niet welk soort engelen dit zijn.
    Prof. Ouweneel stelt dat er mogelijk sprake is van drie groepen van engelen, en dat de gemeente straks zal oordelen over deze derde groep van engelen.

     Uit de voorafgaande passage blijkt dat engelen de aarde besturen. Door de weersinvloeden kan de welvaart van een land bepaald worden. Het is mogelijk mensen in het verderf te storten door rampen van orkanen en wervelstormen, donder en bliksem. In een bericht over een onderzoek van grote oorlogen, bleek in dit onderzoek dat alle grote oorlogen en bij historische gebeurtenissen, het weer een beslissende rol speelde. B.v. Toen de Spaanse armada Engeland aanviel werden ze door stormen overvallen. De slag bij Nieuwpoort werd beïnvloed door een wind die de Spanjaarden het zand in het gezicht blies. Ook uit de 1e wereldoorlog zijn gevallen bekend waarbij engelen ingrepen. In de 2e wereldoorlog was de beslissende slag die rond Stalingrad. De winter viel hier in; vroeg en in alle hevigheid. Daardoor verloren de Duitsers deze slag en daarmee de oorlog.
    En ook uit de jongste oorlog in Irak is het voorbeeld dat een dagenlange zandstorm de Amerikanen ophield. Nadat deze was gaan liggen waren de land-mijnen op de route bloot gewaaid en kon men zeer snel, zonder verliezen, oprukken.

    2 Kon.19:35; In dezelfden nacht nu ging de engel des Heeren uit en sloeg in het leger der Assyriërs honderd vijf en tachtig duizend man. Toen zij den volgenden morgen zich opmaakten, zie, het waren allen ontzielde lijken!
    1 Kron.21:12­16;
     En G’d zond een engel naar Jeruzalem om het te verderven maar toen hij het verderf aanrichtte, zag de Heer het en kreeg hij berouw over het onheil. Toen zeide hij tot den verderfengel: Genoeg; laat thans uw hand zinken. De engel des Heeren nu stond bij den dorschvloer van Ornan, den Jebuziet. En David, de ogen opslaande, zag den engel des Heeren staan tussen aarde en hemel, in de hand het ontblote zwaard, uitgestrekt over Jeruzalem.

     

    Engelen kunnen als gevolg van G’ds toorn alles verderven.

     

    In de eindtijd zal dan ook de vernietiging door de engelen worden voltrokken. Zij blazen op de bazuin en geven opdrachten tot het toebrengen van schade, Openb.7, zelfs kunnen zij daar engelen die niet tot de knechten van G’d behoren (demonen) er bij inschak-elen en tot hoever deze mogen gaan.
    Openb. 9: 1-11Hun werd geboden het gras der aarde niet te beschadigen, noch alwat groen is, noch de bomen, alleen de mensen, zovelen het zegel van God niet op hun voorhoofd hadden. Hun werd niet de macht gegeven hen te doden, alleen hen vijf maanden lang te pijnigen. En de pijn die zij veroorzaken is als de pijn van een schorpioen, wanneer die een mens steekt.
    Ze kunnen niets doen als de engel die de zegel van de levende G’d heeft, hun dat niet toestaat.

     

    Openbaring 7:2,3, Lei. «En ik zag een anderen engel van het Oosten opkomen, met het zegel van den levenden G’d; hij riep met luide stem tot de vier engelen wien het gegeven was land en zee te beschadigen: Beschadigt noch land, noch zee, noch boom, voordat wij op het voorhoofd der dienstknechten van onzen G’d het zegel gedrukt hebben.»
    Hieruit blijkt dat de andere engelen niet in dienst staan van G’d. Ze moeten beteugeld worden.
    Want als dat wel zo zou zijn wat moeten we dan met het verhaal van de storm op het meer? Wie was dan degene die door de Heer werd bestraft? Yeshua bestrafte de wind, maar de wind heeft op zichzelf geen wil. Yeshua bestrafte de engel die daar achter stond en stilde de elementen die aan Hem gehoorzaam zijn.

      Als we zien naar de rampen die Job worden aange-daan blijken dat natuurrampen te zijn, en rampen door mensen, veroorzaakt. Mensen die door satan worden gebruikt.
    Sabeeërs die een overval doen, dan vuur van de hemel, vijanden de Chaldeeën die de kudde roofden en tenslotte een zware wind die het huis verwoest.
    Daarna, na de tweede verschijning van satan voor G’d. Dan zien we dat satan ook nog macht heeft over ziekte en dood.
    De Almachtige gaf hem de vrije hand om zijn krachten te gebruiken. Maar verbood om Jobs leven te nemen.
    Krachten die de satan kon uitoefenen door middel van zijn engelen, waarvan we weten dat deze engelen hun oorsprong ontrouw waren geworden. Jud. vers 6.

     

    We moeten bedenken dat als we het woord engel zien staan het niet automatisch een boodschapper van G’d is, uit het voorgaande blijkt dat er onderscheidt is.

     

    Uit de bijbel blijkt dat de Ben Elohiym juichten toen de Here de aarde grondvestte. Job 38:4-7. Dat komt overeen met Ezech. 28. De engelen waren er al voordat er mensen waren.
    «Waar waart gij toen ik de aarde grondvestte? Deel het mede, indien gij inzicht hebt. Wie heeft haar afmetin-gen bepaald, dat gij ze zoudt kennen? of wie heeft het meetsnoer over haar gespannen? Waarop zijn haar pijlers neergelaten, of wie heeft haar hoeksteen gelegd, onder het eenstemmig gejuich der morgensterren, onder het gejubel van al de zonen G’ds?» Job 38:4-7, Lei.
    Engelen worden hier morgensterren genoemd.

     

    Wie ook Morgenster wordt genoemd is de satan in Jesaja 14:12-16. Hoe zijt gij van den hemel gevallen, morgenster, dageraadszoon! hoe zijt gij ter aarde geveld, volkenvertrapper! En gij hadt bij uzelf gezegd: Ik wil ten hemel stijgen, hoog boven de starren Gods zetten mijn troon om plaats te nemen op den berg der samenkomst, diep in het noorden; ik wil stijgen op de wolkgevaarten, den Allerhoogste gelijken. Wel zeker! ten dodenrijk wordt gij neergestoten, diep in de groeve. Zij die u zien staren u aan, letten op u: Is dit nu de man die de aarde deed sidderen, koninkrijken in rep en roer bracht?
    Hier wordt de koning van Babel vergeleken met zijn meester. Welke koning van Babel?
    De sar of de aardse koning?

    Lees meer...   (2 reacties)
    Bijbel studie;

    De Zonde - Chata'at

    Wij kennen allemaal wel de christelijke stelregel dat wij de zondaar moeten liefhebben, maar de zonde moeten haten. Maar wat is zonde? Weet u daarop een pasklaar antwoord? Kunt u mij een duidelijke definitie geven van zonde? In christelijke kringen heeft het woord zonde vooral te maken met ‘je doel missen’. Deze definitie van zonde is gebaseerd op de letterlijke vertaling vanuit de grondtekst in de Strong’s Concordantie, in het Hebreeuws chata’at (nummer 2403) van de stam chata - missen (nummer 2398) en in het Grieks hamartia (nummer 266) van hamartano - zich vergissen, het doel missen (nummer 264). Op zich klopt dat natuurlijk wel, want zonde is inderdaad het doel missen dat Elohim met ons leven heeft. De enige manier om Elohim’s doel met ons leven te realiseren is simpelweg door Hem te gehoorzamen, dus dat wij doen wat Hij zegt. En dat gebeurt helaas doorgaans niet of nauwelijks. Gehoorzaamheid is tegenwoordig niet meer populair in een samenleving waarin niemand zich meer iets wil laten voorschrijven en waar men dagelijks te horen krijgt: “Dat maak ik zelf wel uit!” of: “Dat bepaal ik zelf wel!” Wij leven in een antiautoritaire samenle-ving met alle gevolgen van dien. U ziet het op school, u ziet het op het werk, u ziet het zelfs in de kerk. Leerkrachten, leidinggevenden en zelfs voorgangers klagen steen en been over een gebrek aan respect en gehoorzaamheid en zo is het ook met ons geloofsleven. Elohim heeft ons geschapen om Hem te dienen. Dat is het doel van ons leven: Hem te dienen en Hem te verheerlijken. Elk ander doel dat wij nastreven is zonde. De Eeuwige is de eigenaar van ons. Hij heeft recht op ons leven. De mens wil echter autonoom zijn en niet onder Zijn gezag staan, en dat is de diepste kern van de zonde. Daarmee mist de mens het doel van zijn leven. Zonde is opstand en rebellie! Zonde is de verwerping van Elohim’s heerschappij over ons leven. Zonde is de weigering om de Eeuwige te erkennen als de hoogste autoriteit in ons leven. Zonde is ongehoorzaamheid aan onze Schepper. Dat kunnen wij heel duidelijk zien bij de allereerste zonde die in B’reshit [Genesis] 2:17 en 3:6 uitvoerig wordt beschreven. Daar heeft de Eeuwige gezegd: "Doe het niet", maar ze deden het toch! De Eeuwige heeft aan de mensen die Hij geschapen had, bepaalde geboden en verboden opgelegd, waar zij zich echter niet aan hebben gehouden. Zij werden daar niet toe gedwongen door de slang, maar het was hun vrije keuze en daarom luidt de definitie van zonde volgens de dikke ‘Van Dale’: “Iedere vrijwillige overtreding van godelijke of morele wetten” en ook volgens het ‘Wolters’ Ster Woordenboek’: “Iedere vrijwillige overtreding van goddelijke of zedelijke wetten.” Kortom: Zonde is alles wat tegen de wil van Elohim in gaat. Zo simpel is dat. En wat is Zijn wil? Die heeft Hij aan ons bekend gemaakt in de Tora, ook wel ‘de Wet’ genoemd, die door velen als achterhaald en niet meer van toepassing wordt beschouwd.

    Was u een zondaar of bent u dat nog steeds?

    In evangelische en charismatische gemeenten worden regelmatig speciale getuigenisdiensten gehouden en een veelgehoorde uitspraak in sommige getuigenissen is: “Vroeger, toen ik nog een zondaar was...” In hun ogen zijn dus alleen onbekeerde mensen zondaars. Gelovigen die ervan uitgaan dat zij sinds hun bekering geen zondaars meer zouden zijn omdat hun zonden door het plaatsvervangende offer van Yeshua vergeven zijn, maken daarmee een enorme denkfout. Deze gedachte is gebaseerd op een verkeerde vertaling van Romeinen 5:8, waarin Paulus volgens de NBV schrijft: “Maar Elohim bewees ons Zijn liefde doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.” NBG: “Elohim echter bewijst Zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is.” WBV: “Elohim echter bewijst Zijn liefde voor ons juist hierdoor dat Christus voor ons is gestorven toen wij nog zondaars waren.” Volgens al deze vertalingen zou dus in principe niemand van ons meer een zondaar zijn doordat Yeshua voor ons gestorven is, want daar staat duidelijk: “Toen wij nog zondaars waren” in verleden tijd, dus nu zijn we geen zondaars meer. Toch zou ik mij best kunnen voorstellen dat de meesten van u bij het lezen hiervan zullen denken: “Was het maar waar...”, want als u eerlijk bent moet u ronduit toegeven dat u ook na uw bekering nog gezondigd hebt en nog steeds zondigt. Dat geldt echt voor iedereen, niemand uitgezonderd. Is dat waar of niet? Eerlijk zeggen! Als u nu zegt: “Spreek voor jezelf, maar voor mij gaat dat niet op, want sinds Jezus in mijn hart is heb ik nooit meer gezondigd!” dan houdt u niet alleen ons voor de gek, maar ook uzelf en wat nog erger is: dan houdt u ook de Eeuwige voor de gek, want Hij weet als geen ander dat u dan een leugenaar bent en ook Hem tot een leugenaar maakt. Niet ik zeg dat, maar zo staat het in Elohim’s Woord: "Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van Elohim!" (Romeinen 3:23) en ook: “Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en Zijn woord is in ons niet!” (Yochanan alef [1 Johannes] 1:8-10). De mens blijft zondigen, ook na zijn bekering. Hoe komt dat? Heel simpel! Omdat hij geboren is met een zondige natuur, waardoor hij elke keer weer opnieuw zondigt. In de traditie wordt dit de erfzonde genoemd, een zonde die wij van Adam en Chava [Eva] geërfd hebben. Zij waren ongehoorzaam aan het verbod dat de Eeuwige hen had gegeven. Daardoor kwam de zonde, met alle gevolgen, de wereld binnen. Het zit daardoor in onze natuur. Al doe je nog zo je best om niet te zondigen, toch ga je keer op keer weer de fout in of je wilt of niet. Sommigen willen geen computer in huis hebben om niet in de verleiding te komen verkeerde websites op te zoeken en anderen doen de televisie weg om niet geconfronteerd te worden met al dat bloot en geweld op het scherm. Op zich valt daar wel wat voor te zeggen, maar het geeft nog geen garantie dat men niet meer zondigt. Oké, het risico om op seksueel terrein te zondigen wordt daardoor inderdaad sterk verminderd, maar deze mensen zondigen wel op andere manieren, maar helemaal vrij van zonde is echt niemand! Neem dat maar gerust van mij aan. Hoe je het ook draait of keert: je blijft een zondaar, al doe je nog zo vroom! Betekent dit nu, dat we ons dan maar daarin moeten berusten en tegen de Eeuwige mogen zeggen: “Ja, sorry hoor, maar zo ben ik nu eenmaal. Ik kan daar ook niets aan doen.” Natuurlijk zeggen wij dat niet! Wij weten heus wel dat we heel bewust zondigen en we moeten ons niet gaan verschuilen achter het feit, dat wij allemaal het slachtoffer zijn van de erfzonde, want dan zou Yeshua voor niets gestorven zijn. Wij zijn allemaal volwassen mensen en hebben onze verantwoordelijkheid ten opzichte van het houden van Elohim’s geboden en inzettingen. Natuurlijk zijn wij niet volmaakt en natuurlijk gaan we steeds opnieuw de fout in, maar het gaat er om, dat we ons best moeten doen om dit zo veel mogelijk te voorkomen en niet bij voorbaat al zeggen dat het onbegonnen werk is. Het is een kwestie van vallen en opstaan. Daarom moeten wij elke dag opnieuw vergeving vragen voor onze zonden met beroep op het offer van Yeshua en elke dag opnieuw ernaar streven om de Eeuwige te behagen. Niet om daarmee onze behoudenis zelf te bewerken, maar uit liefde voor en gehoorzaamheid aan onze Vader. Maar terug naar onze tekst Romeinen 5:8.

    In bijna alle vertalingen staat, dat Elohim ons Zijn liefde bewees doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.” Toen wij nog zondaars waren, en dus niet meer zijn. Dit lijkt duidelijk in tegenspraak te zijn met 1 Johannes 1:8. En dat is het ook, althans in deze vertaling, maar niet in de grondtekst. Daar staat:
    synistēsin de tēn eautou agapēn eis ēmas o theos hoti eti amartōlōn ontōn ēmōn christos yper ēmōn apethanen bevestigt nu de van Hemzelf liefde tot ons Elohim (hierin) dat nog zondaren zijnde wij Christus ten behoeve van ons gestorven is.
    Ziet u wat ik bedoel? In de Griekse grondtekst staat helemaal niet in verleden tijd: “toen wij nog zondaren waren,” maar: “nog zondaren zijnde” in tegenwoordige tijd. Dat is een groot verschil! Een betere vertaling zou dus zijn: “Hierin toont de Eeuwige Zijn liefde voor ons dat de Mashiach voor ons gestorven is terwijl wij nog zondaars zijn.” Wij allen zijn nog steeds zondaars en juist daarom blijft ons dagelijks beroep op het offer van Yeshua noodzakelijk, want: “Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en zo is de dood voor ieder mens gekomen, want ieder mens heeft gezondigd!” schrijft Sha’ul [Paulus] in Romeinen 5:12. U ziet dus dat het levensgevaarlijk is om de mensen te leren, dat wij geen zondaars meer zouden zijn en dat de Wet niet meer van toepassing zou zijn voor degenen die in Elohim’s Zoon geloven. Nergens in de Bijbel staat er toch dat de Wet is afgeschaft? Heeft Yeshua niet zelf gezegd dat een ieder die ook maar één van de kleinste geboden ontbindt en anderen zo leert, zeer klein zal heten in het Koninkrijk der hemelen, maar wie zich aan Elohim’s wetten houdt (Het Boek!) en anderen leert dat ook te doen, groot zal zijn in dat Koninkrijk (Mt 5:19)? Staat er niet ook geschreven dat wij Elohims geboden doen als wij Hem echt liefhebben (1 Joh 5:2-3), maar dat wij leugenaars zijn als wij zeggen Hem te kennen, maar Zijn geboden niet bewaren (1 Joh 2:3)? U zult nu misschien wel zeggen dat daarmee slechts de 10 geboden zijn bedoeld. Neen, Yeshua heeft het in Mt 5:17-20 niet alleen over de 10 geboden, maar over alle 613 geboden van de Tora, inclusief de spijswetten die het eten van varkensvlees en ander onrein voedsel verbieden alsook het houden van de Shabat en de feestdagen. Het zijn geen Joodse feestdagen, maar de feestdagen des Heren, en het is niet de Joodse wet, maar het is Elohim’s Wet!

    Zonde is ingaan tegen Elohim’s Wet

    Als wij bijvoorbeeld onrein voedsel eten, een eredag houden en feesten vieren die niet in de Bijbel staan, dan overtreden wij Elohim’s Wet en dat noemt de Bijbel zonde. Zonde? Ja! Zonde! Dat komt in de vertaling van Het Boek bijzonder duidelijk naar voren: “Wie zondigt, overtreedt de Wet van Elohim, want elke zonde is een overtreding van die Wet!”  (Yochanan alef [1 Johannes] 3:4). Ook de Nieuwe Bijbelvertaling formuleert dit op een niet mis te verstane wijze: “Ieder die zondigt overtreedt Elohim’s Wet, want zondigen is Elohim’s Wet overtreden!” Het overtreden van de Tora, is de Bijbelse definitie voor het woord ‘zonde’. Dat blijkt ook uit andere vertalingen zoals de Willibrordus-Vertaling: “Wie zonde doet, overtreedt Elohim’s Wet, want de zonde ís Elohim’s Wet overtreden!” De Leidse Vertaling noemt het kindje gewoon bij de naam: “Ieder die zonde bedrijft overtreedt ook de Wet, want de zonde is de wetsovertreding!” Ook de NBG-vertaling die waarschijnlijk door de meesten van u wordt gebruikt, leert ons: “Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid!” en heeft Yeshua niet aangekondigd, dat Hij te Zijner tijd tegen velen zal zeggen: “Gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid!” (Mt 7:23)? Heeft Hij het hier tegen ongelovigen? Neen! Hij zegt dit tegen gelovigen, want deze mensen zeggen immers: “Here, Here!” tegen Hem. Zij hebben in Zijn naam geprofeteerd, in Zijn naam boze geesten uitgedreven en in Zijn naam vele krachten gedaan (Mt 7:21-23). Zij geloven dus in Hem, want anders zouden zij al deze dingen niet in Zijn naam gedaan hebben. Waarom zegt Yeshua dan tegen hen: “Ik ken u niet!”? Omdat zij de wil van Zijn Vader niet doen vanwege hun verkeerde gedachte dat Zijn Wet afge-schaft is, en dat terwijl Yeshua toch zo nadrukkelijk gezegd heeft: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is” (Mt 7:21). Wat is dus zonde in de ruimste zin van het woord? Als men Elohim’s wil niet doet, dus met andere woorden: zonde is als men doet wat Elohim verboden heeft of juist niet doet wat Hij opgedragen heeft. En hoe weten wij wat Elohim’s wil is? Door het bestuderen van Tora. In alle 613 geboden en verboden heeft de Eeuwige Zijn wil via het Joodse volk aan de mensheid bekend gemaakt. Maar een veelgehoorde kreet in christelijke kringen is tegenwoordig: “Wij zijn vrij van de Wet!” Dat is een gevaarlijke gedachte. Als men namelijk zegt dat de Tora, waarin Elohim’s wil staat geschreven, voor de kerk niet meer van toepassing zou zijn en men zich daar dus ook niet meer in verdiept, dan is men niet meer op de hoogte van wat Elohim ons bevolen of verboden heeft. Als men ervan uitgaat dat men vrij is van de Wet, dan is men wetteloos en men mist dan een Bijbels verant-woord zondebesef. Vandaar dat er tegenwoordig in een groeiend aantal traditionele kerken homohuwelijken worden ingezegend. Homoseksualiteit ziet men daar immers niet meer als zonde maar als een door Elohim gegeven geaardheid. Ook het niet houden van de Shabat en de Bijbelse feestdagen ziet men zelfs in evangelische kringen niet als zonde en wordt derhalve ook niet als zodanig be-leden. Het blijven dus collectieve onbeleden zonden, want men gaat er gewoon van uit dat men helemaal niet gezondigd heeft! Het overtreden van de Wet is dus de zonde. Heeft Yeshua de zonde weggehaald? Neen, want in hoofdstuk 1 vers 8 van hetzelfde Bijbelboek lazen we zojuist dat we liegen als we zeggen dat we geen zonde meer hebben. Leert de Bijbel ons, dat we dan maar de Wet moeten vergeten? Als er geen Wet meer is, dan kunnen we immers ook niet meer zondigen door de overtreding daarvan. Neen, want in Romeinen 2:12 en 13 schrijft Sha’ul: “Allen, die zonder Wet gezondigd hebben, zullen ook zonder Wet verloren gaan; en allen, die onder de Wet gezondigd hebben, zullen door de Wet geoordeeld worden; want niet de hoorders der Wet zijn recht-vaardig bij Elohim, maar de daders der Wet zullen gerechtvaardigd wordenYeshua is dus niet aan het kruis genageld om de Tora uit ons leven te verwijderen, maar om de straf op Zich te nemen voor het overtreden daarvan! Nooit heeft Hij gezegd dat de Tora voor ons door Zijn offer niet meer van toepassing zou zijn. Integendeel! Juist omdat Hij voor ons de straf op zich heeft genomen voor onze zonden, zouden we er nu des te meer naar moeten streven om gehoorzaam te zijn aan Elohim’s geboden en inzettingen. Zojuist hebben we in Yochanan alef [1 Johannes] 3:4 gelezen wat de Bijbelse definitie van zonde is, namelijk het overtreden van de Tora en alle kenmerken en aspecten van de zonde zijn gerelateerd aan het overtreden van de Tora. Daarom is het van groot belang om de Tora te kennen, want hoe kan men gehoorzaam zijn aan een wet die men niet kent? In de kerk wordt de Tora niet volledig gelezen en sowieso niet als gezaghebbend beschouwd. Als gevolg daarvan is er bij velen een gebrek aan kennis en overtreden zij Elohim’s Wet voortdurend zonder dat zelf in de gaten te hebben. De Eeuwige zag dit al aankomen en heeft reeds vele eeuwen geleden gezegd: “Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis!” (Hoshea [Hosea] 4:6). Sommigen gaan zelfs zo ver om te zeggen dat de Tora zelf zonde zou zijn. Niet alleen nu, maar vroeger ook al. Daar reageerde Sha’ul [Paulus] op in scherpe bewoording: “Wat zullen wij dan zeggen? Is de Tora zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de Tora; immers, ook van de begeerlijk-heid zou ik niet geweten hebben, indien de Tora niet zeide: Lo tach’mod - gij zult niet begeren!”  (Romein-en 7:7). Hij wijst de verkeerde gedachte dat de Tora zonde is, radicaal van de hand. Alleen het idee al geeft hem als orthodoxe rabbijn de koude rillingen. Hij roept het uit: Chas v’chalila! - Elohim beware! Ofwel: Volstrekt niet! Hoe kan men het in het hoofd halen om zoiets absurds te veronderstellen? De zonde was er immers al lang vóórdat de Tora aan Moshe gegeven was schrijft Sha’ul in Romeinen 5:13 en licht het in Galaten 3:19-21 toe: “Waarom dan toch de Wet? De Wet is later ingevoerd om ons bewust te maken van de zonde, in de tijd dat de nakomeling aan wie de belofte was gedaan nog komen moest. Ze werd door engelen aan een bemiddelaar gegeven. Maar bemiddeling is niet nodig wanneer er maar één is die handelt, en Elohim handelt alleen. Is de Wet daarom in strijd met Elohim’s belofte? Absoluut niet!”  (NBV)  Wees dus eerlijk tegen elkaar en tegen de Eeuwige. Zolang christenen de Tora negeren en Zijn geboden en inzettingen niet bestuderen, zullen zij zich van geen kwaad bewust zijn en in onbeleden zonde blijven leven. Daarom is het zo belangrijk om elke week de Parasha volgens de leesrooster samen met elkaar te lezen en te overpeinzen. Als wij de Tora aandachtig doornemen en onze hemelse Vader vragen om ons door Ruach haQodesh [de Heilige Geest] wijsheid en inzicht daarvoor te geven, dan komt de oorzaak van alle ellende en tekortkomingen eerst goed aan het licht en wordt heel duidelijk wat er scheef zit in onze verhouding tot Adonai. Daarom is de Tora voor ons van onschatbare waarde, want zij geeft ons enerzijds de kennis van Elohim’s wil en openbaart ons de diepte van onze zonden, maar zij leidt ons ook naar rechtvaardiging in Yeshua, en daarom kon Sha’ul zeer terecht schrijven: “Zo is dan de Tora heilig, en ook het gebod is heilig en recht-vaardig en goed.” (Romeinen 7:12).

    Zondenbelijdenis en smeekbede om vergeving

    Op de Grote Verzoendag leest de Joodse gemeenschap vanouds in de synagoge, hoe de Eeuwige de smeek-bede van Moshe [Mozes] om genade voor zijn zondig volk verhoorde en zeide: “Op uw bede schenk Ik vergeving!” (Bamidbar [Numeri] 14:20). Waar het om gaat is dat hieraan het besef wordt ontleend dat zonde een overtreding tegen de Eeuwige is, die Hij bij oprecht berouw niettemin vergeeft, maar dat collectieve verzoening alleen door inspanning van een derde tot stand komt. De Eeuwige zei immers tegen Moshe, dat Hij de zonden van zijn volk vergeeft “om uw bede”. Moshe vroeg de Eeuwige plaatsvervangend voor zijn volk om vergeving en daarom moest ook de hogepriester plaatsvervangend voor zijn volk het verzoenoffer brengen in de tempel. Om dezelfde reden smeken de Joodse gelovigen ieder jaar op de Grote Verzoendag plaatsvervangend voor het hele volk om vergeving in de Vidui [zondenbelijdenis]. Dat staat echter geheel los van de vanzelfsprekendheid, dat elke gelovige iedere dag om vergeving dient te vragen voor zijn of haar eigen persoonlijke zonden. Voor de collectieve zonden van het hele volk of zelfs van de gehele mensheid heeft Elohim echter een bemiddelaar nodig om vergeving met ons tot stand te brengen. Vandaar dat Yeshua de uiteindelijke ver-zoening tussen Elohim en de mensen kon bewerken. Hij is gestorven en opgestaan om nu als Hogepriester in het Heiligdom voor ons te pleiten. Hij is gestorven voor de zonden van alle mensen. Het Bijbels Hebreeuws onderscheidt drie woorden voor zonde: Pesha [rebellie] is de weigering om Elohim en Zijn Woord te erkennen: voor deze zondaar bestaan er geen normen van goed en kwaad. Avon is een kronkel in karakter en gedrag. De meest gebruikte en zwakste term voor zonde is Chet: het niet opzettelijk zondigen. Inzicht in de bovengenoemde aard van de overtreding is de eerste stap naar inkeer en berouw, T’shuva. Om ernaar te streven niet meer te zondigen moeten we ons dus eerst goed van bewust zijn wat zonde is. Het is daarom belangrijk om het grond-principe van de Tora goed te begrijpen: Wij kunnen het eeuwig leven niet verdienen met het strikt houden van de geboden, maar als wij door het offer van Yeshua onverdiend het eeuwig leven mogen ontvangen, dan houden wij Elohim’s heilige Wet maar al te graag uit liefde en dankbaarheid!!! En daar horen dus ook de Shabat en de Bijbelse feest-dagen bij, waarvan Yom Kipur zonder meer de belangrijkste is! U zult nu waarschijnlijk denken: “Hoezo de Grote Verzoendag? Ik dacht juist altijd, dat Pesach [Pasen] de belangrijkste feestdag is, want dan herdenken wij immers, dat Yeshua voor onze zonden gestorven is en door Zijn opstanding de overwinning heeft behaald! Als wij door Zijn offer met Elohim ver-zoend worden, waarom hebben we dan nog een andere heilige dag nodig om ons te onderwijzen aangaande verzoening? En indien wij reeds verzoend zijn, waarom moeten we dan vasten, zoals opgedragen is op de Grote Verzoendag? Wat is dan de specifieke betekenis van deze dag in Elohim’s plan voor het behoud van de mensheid? Als wij dus in Yeshua geloven, waarom zouden wij dan Yom Kipur vieren? Sterker nog: is het zelfs niet verkeerd om dat te doen, gezien het verzoen-ende werk dat Yeshua reeds met Pesach volbracht heeft?” Welnu, er zijn inderdaad wel opmerkelijke overeenkomsten tussen de beide feesten, maar zeker ook verschillen, want Pesach staat geheel in het teken van verlossing en bevrijding, terwijl op de Grote Verzoendag de verzoening tussen Elohim en de gehele mensheid centraal staat. Wij herdenken op de 14e van de eerste maand, dat is de maand Nisan, in de viering van Pesach, dat het vergoten bloed van het Paaslam ons de bevrijding bracht, maar op de 10e van de 7e maand, dat is de maand Tishri, diende opnieuw bloed van een offerdier als een opvallend kenmerk, dat nu echter niet op de deurposten werd gestreken, maar binnen het voorhangsel van het heiligdom gebracht en op het Verzoendeksel van de Ark des Verbonds werd gesprenkeld. Het bloed van Pesach is het bloed van de verlossing en bevrijding. Het bloed van Yom Kipur daarentegen is het bloed van de verzoening, want het reinigt ons van al onze zonden. Zowel Yom Kipur als Pesach leren ons aspecten van de vergeving van zonde en onze verzoening met Elohim door het offer van Yeshua. Terwijl het bevrijdende bloed van Pesach slechts van toepassing is voor gelovigen die daar persoonlijk een beroep op doen, heeft het verzoenende bloed van Yom Kipur rechtstreekse universele gevolgen voor de hele mensheid en vormt daarmee een essentiële aanvullen-de stap in Elohim’s plan van behoud, die beslist niet in de symboliek van Pesach gevonden wordt: De Grote Verzoendag heeft namelijk niet alleen betrekking op de vergeving van zonde, maar verwijst ook naar het verwijderen van de voornaamste oorzaak van zonde: de satan!

    Lees meer...

    Shalom geliefden,… 

    Er zijn christenen die de uitspraak ‘ben ik’ of ‘ik ben’ zien als een verwijzing naar de naam waarmee JHWH zich presenteert aan Mozes. In de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst uit Exodus staat echter niet ik ben, maar “ehiye” – IK ZAL ZIJN – in de toekomende tijd, ook al wordt het doorgaans vertaald met ik ben:

    “Eer Abraham was, ben ik”

    Exodus 3:14 
     14  En God zeide tot Mozes: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzo zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden! (SVV)

    Exodus 3_14 

    Wanneer we kijken naar de Griekse tekst van de Apostolische geschriften dan zien we dat de uitdrukking “ego eimi”, wat in Johannes 8:58 wordt vertaald als ben Ik, nog 40 (!) keer voorkomt en niet altijd bij monde van Jeshua.

    Johannes 8:58 
     “Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik. (ego eimi) (SVV)

    Johannes 8_58 

    Waarvoor waarschuwde Jeshua zijn discipelen?

    Matteüs 24:5, Marcus 13:6 en Lukas 21:8
     Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben (ego eimi) de Christus en zij zullen velen verleiden.

    Wat heeft de blindgeboren man gezegd die door Jeshua werd genezen?

    Johannes 9:8-9 
     … en zij, die hem vroeger als bedelaar gekend hadden, zeiden: Is hij dat niet, die zat te bedelen? Sommigen zeiden: Hij is het; anderen zeiden: Neen, maar hij gelijkt op hem. Hij zeide: Ik ben het. (ego eimi)
     
    Wat heeft Petrus gezegd tegen de mannen van Cornelius?
     Handelingen 10:21 
     21  En Petrus ging naar beneden en zeide tot de mannen: Zie, ik ben het (ego eimi), die gij zoekt …
     
     We zien dus dat de uitdrukking “ego eimi” niet alleen wordt gebruikt als vertaling voor de woorden van Jeshua. Noch de blindgeboren man, noch Petrus, hebben de Naam van JHWH in gedachten gehad toen ze zeiden dat ze waren wie ze waren, hoewel beide hebben gezegd “Ik ben het” (ego eimi).
     
     In de Aramese tekst, de Peshitta(1), wordt het woord “aytay” gebruikt in Johannes 8:58. Het is een zelfstandig naamwoord dat als “ben” vertaald kan worden. Dit woord komt ongeveer 20 keer voor in de Peshitta manuscripten van de Apostolische Geschriften. Nogmaals, deze term wordt niet exclusief door Jeshua gebruikt, maar ook door anderen die naar zichzelf verwijzen, zoals bijvoorbeeld Zacharias, maar ook de engel Gabriël die op dezelfde wijze naar zichzelf verwijst: Lukas 1:18-19 
     18  En Zacharias zeide tot de engel: Waaraan zal ik dit weten? Want ik ben (ego eimi) een oud man en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen. 19  En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben (ego eimi) Gabriël, die voor Gods aangezicht sta, en ik ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze blijmare te verkondigen.
     
     Zowel Zacharias als Gabriël hebben beslist niet gezegd dat zij JHWH zijn door gebruik te maken van de woorden “Ik ben”  (ego eimi). Zij hebben eenvoudig gezegd wie of wat zij waren. Zacharias heeft gezegd “Ik ben een oude man” en Gabriël heeft gezegd “Ik ben Gabriël, die voor Gods aangezicht sta”.
     Op dezelfde wijze heeft Johannes de Doper gebruik gemaakt van deze woorden (Joh. 1:21) en ook Paulus (Rom 7:25; 1 Corinthiers 9:1, 21; 15:10). Dit betekent dat het Aramees geen blijk geeft van bewijs wat erop zou wijzen dat datgene wat Jeshua zei in Johannes 8:58, refereerde aan de Naam van JHWH, aangezien dezelfde uitdrukking door meerdere mensen werd gebruikt.
     
     Welke taal sprak Jeshua in Johannes 8?
     Hoewel Grieks de voertaal was in die dagen is het aannemelijk dat Jeshua gewoon Aramees of Hebreeuws gesproken heeft onder zijn volksgenoten. Dit betekent dat Jeshua niet de uitdrukking “ego eimi” heeft gebruikt, zoals in de Griekse vertalingen van Johannes 8:58 staat geschreven. Met andere woorden, hij heeft geen “Ik ben …”  in het Grieks gezegd.
     
     De Griekse tekst gebruikt exact dezelfde woorden die te vinden zijn in Johannes 8:58, evenals op andere plaatsen. De blindgeboren man zei in Joh 9:9 dat hij het was die genezen werd, door te zeggen “Ik ben het”. Als de Griekse uitdrukking “ego eimi” in Johannes 8:58 een verwijzing naar Exodus 3:14 was, dan zou, volgens dezelfde interpretatieregels, dit ook het geval moeten zijn toen de blinde man over zichzelf sprak met exact dezelfde woorden – vooropgesteld dat zij Grieks spraken. Echter, als we bedenken dat we met enige mate van zekerheid kunnen stellen dat Jeshua geen Grieks sprak met zijn Joodse landgenoten, dan lijkt het onwaarschijnlijk dat de blindgeborene een vreemde taal kon spreken. We kunnen ons dus niet verlaten op het Grieks bij het analyseren van de woorden die onze Meester sprak toen hij zei wie hij was.
     
     Hoewel het waarschijnlijk is dat Jeshua Hebreeuws sprak, zullen we ons even voorstellen dat hij Aramees sprak, wat een mogelijkheid is aangezien Aramees indertijd een internatio-naal gesproken taal was die gesproken werd in het gehele gebied van Mesopotamië tot Egypte. In dat geval zou Jeshua, volgens het Peshitta manuscript, het zelfstandig naamwoord “aytay” (alef, yod, tav, yod) gebruikt hebben, wat afkomstig is van de wortel alef, yod, tav. Wanneer we kijken naar de Aramese tekst in Exodus 3:14, zien we dat de woorden die hier gebruikt worden totaal verschillend zijn. De Hebreeuwse naam die JHWH voor Zichzelf gebruikte in die passage is niet vertaald, maar er staat “ahiya” (alef, he, yod, he), wat een transliteratie is van het oorspronkelijke Hebreeuwse woord “ehiye” (alef, he, yod, he) wat betekent “ik zal zijn”. Het Hebreeuwse woord “ehiye” dat drie keer voorkomt in Exodus 3:14 is niet in de tegenwoordige tijd geschreven, zoals de NBG verkeerd vertaald en betekent dus ook niet “Ik Ben”. In plaats daarvan staat het in de toekomende tijd geschreven en betekent het “Ik zal zijn”.
     
     Hetzelfde woord wordt gevonden in Genesis 26:3; 31:3, waar JHWH aan Izak en Jacob belooft dat Hij met ze zal zijn, en ook in Exodus 4:12, 15, waar JHWH aan Mozes vertelt dat hij met zijn mond zal zijn, en in Deuteronomium 31:23; Jozua 1:5; 3:7, waar JHWH aan Jozua belooft dat Hij bij hem zal zijn.
     
     In deze gevallen gebruikt de Aramese vertaling het woord “ehwe” met de wortel he, vav, alef, wat betekent ik zal zijn. Deze betekenis komt exact overeen met de betekenis van het Hebreeuwse woord. Maar de wortel van het woord “aytay”, in de tekst van Johannes 8:58 is alef, yod, tav. Dit is een ander woord wat van een totaal andere wortel afkomstig is!
     
     Als het woord in Johannes 8:58 een compleet ander woord is dan het woord dat in Exodus 3:14 wordt gebruikt, is er dan een verband tussen de twee passages?
     
     In Exodus 3:14, wordt het werkwoord “lihiot” - zijn – gebruikt in de toekomende tijd “ehiye” Ik zal zijn, wat door alle christelijke Bijbelversies die ik ken vertaald is met Ik ben.  Nochtans is het duidelijk dat het werkwoord zijn het belang-rijke punt is in dit vers, ja zelfs de Naam waarmee JHWH Zichzelf bekend maakt draagt dit werkwoord. Aangezien Jeshua of Hebreeuws of Aramees sprak, zal hij het werkwoord zijn niet in de tegenwoordige tijd hebben gebruikt toen hij zei dat ‘hij het was’. Toen Jeshua zei “ani hu” –Ik hij–  of “de‘na ‘na” -ik ik–  kunnen we volgens de geldende interpretatie-regels geen verwijzing vinden naar JHWH die in Exodus 3:14 Zichzelf bekendmaakte met het werkwoord zijn in de toekomende tijd “ehiye” “Ik zal zijn”.
     
     We zouden onszelf dan kunnen afvragen waar de Bijbelvertalers zich op baseren wanneer ze stellen dat de uitdrukking “Ik ben …” een verwijzing is naar Exodus 3:14, waar deze uitspraak uit de Torah doelt op God zelf, … JHWH.
     
     We kunnen in Jeshua's uitdrukking “Ik ben …” geen enkele verwijzing vinden naar Exodus 3:14, noch in het Aramees, noch in het Hebreeuws. Zou het kunnen dat vertalers hun bewering baseren op de Septuagint(2) vertaling van Exodus 3:14? In die versie wordt deze Griekse uitdrukking gevonden aan het begin van het vers: “Ego eimi ho on”, wat betekent: “ik ben de aanwezige/huidige.” Dan zouden de christelijke vertalers hun exegese baseren op een Griekse vertaling van de Hebreeuwse Schrift, liever dan de oorspronkelijke Hebreeuwse woordenen de Semitische talen die Jeshua en zijn discipelen spraken.
     
     Door de volgende termen te bestuderen, kunnen we de verschillende teksten in de drie talen vergelijken.

    Tekst

    Hebreeuws

    Aramees

    Grieks

    Exodus 3:14

    Transliteratie

     

    Ehiye asher ehiye … Ehiye

     

    Ahiah ashear ahiah … Ahiah

     

    Ego eimi
    ho on … Ho on

    Vertaling

    Ik zal zijn,
    die ik zijn zal …

    Ik zal zijn

    Deze woorden zeggen niets in het Aramees.

    Zij zijn een transliteratie

    van het Hebreeuws

    Ik ben
    de aanwezige …

    De aanwezige

    Joh. 8:24

    Transliteratie

     

    Ani hu

     

    De’na ‘na

     

    Ego eimi

    Vertaling

    Ik [ben] hij

    Ik Ik

    Ik ben

    Joh. 8:58

    Transliteratie

     

    Ani haiti

     

    Ena iytay

     

    Ego eimi

    Vertaling

    Ik was

    Ik ben

    Ik ben

    Let op het feit dat de Griekse vertaling van alle drie de teksten dezelfde uitdrukking gebruikt, “ego eimi”, terwijl er in het Grieks en Aramees geen verband is tussen de drie teksten, aangezien er voor elk vers verschillende woorden worden gebruikt.
     
     De vraag is of vertalers een twijfelachtige vertaling van “ehiye” naar Ik ben, zoals in Exodus 3:14, gaven naar de interpretatie die stelt dat de woorden van Jeshua refereren aan de NAAM van JHWH in plaats van te putten uit de Hebreeuwse grondtekst.
     
     Jeshua’s woorden, "Eer Abraham was, ben ik" hebben geleid tot veel controverse en verwarring. Sommigen trachten dit vers te gebruiken als bewijs voor een pre-existentie van de Messias, anderen om de “drie-eenheidleer” te bewijzen en dan zijn er ook nog die door deze tekst willen bewijzen dat Jeshua de grote "IK ZAL ZIJN" is van Exodus 3:14. Van dit laatste vers hebben wij nu geleerd dat zij werkelijk “IK ZAL ZIJN” betekent.

    Wat zegt Jahweh tot Mozes in Exodus 3:14-15 ?
     “14  Toen zeide God tot Mozes: IK BEN DIE IK BEN. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij tot u gezonden. 15  Voorts zeide God tot Mozes: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: JHWH, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht.”
     
     Op grond van deze tekst wordt “IK BEN” geïdentificeerd als “JHWH", de God van Abraham, Isaak en Jacob.
     
     En wat staat er geschreven in Psalm 2:7
     “7  Ik wil gewagen van het besluit van JHWH:
    Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt.”
     
     Dus Jahweh is de Vader van Jeshua. Jeshua is de Zoon van Jahweh. Jeshua is niet Jahweh en de Zoon is niet de Vader. Daarom kan Jeshua (de Zoon van Jahweh) onmogelijk dezelfde persoon zijn als “IK BEN”. 
     Dit alleen al zou voldoende moeten zijn om de dwaling aan het licht te brengen die door vele ‘theologen’ gepredikt wordt en waardoor zij beweren dat Jeshua dezelfde is als “IK BEN”.
     
     Maar laten we deze zaak eens wat verder onderzoeken.
    In Johannes 8:58 zegt Jeshua:
     “58  Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Eer Abraham was, ben ik
     
     De theologen geloven dat deze uitspraak van Jeshua enige ondersteuning geeft aan hun redenering dat Jeshua de “IK BEN” zou zijn. Waarom zouden de Joden anders geprobeerd hebben om Jeshua te stenigen? Wel, … in de ogen van de Joden spreekt Jeshua een godslastering uit, … een overtreding waarop steniging dient plaats te vinden … zo redeneren zij.
     
     Is de uitdrukking "Ego eimi" eigenlijk wel een godslastering? Is het gebruik van de uitdrukking "ego eimi" een automatische herkenning dat de spreker zegt dat hij dezelfde is als Jahweh, … de “IK BEN”?
     
    Verschillende andere personen in de Bijbel gebruikte "ego eimi" op gelijke wijze als Jeshua. 
     In Lucas 1:19 zegt de engel Gabriël:    “Ik ben Gabriel”.
     In Johannes 9:9 zegt de blinde man:   "Ik ben het" 
     In Handelingen 10:21 zegt Petrus:       "Zie, ik ben het”
     
     Natuurlijk zal het eenvoudige gebruik van “Ik ben” (ego eimi) ons niet gelijk doen denken aan de "IK BEN" van Exodus 3:14.
     Als Jeshua in de Griekse taal zou hebben gesproken tot de Joden dan gebruikte hij minstens 20 keer de zinsnede "ego eimi" en toch, slechts in één geval hebben de Joden hem willen stenigen. (Joh 8:58)
     
     In Johannes 6:35, 48 zegt Jeshua tot een grote menigte:
     35 Ik ben het brood des levens
     48 Ik ben het brood des levens
     
     Van sommigen van de Joden staat echter geschreven in vers 41 dat zij aan het “morren” waren over het feit dat Jeshua had gezegd “Ik ben (Ego eimi) het brood, dat uit de hemel nedergedaald is” maar in vers 42 bevragen ze elkaar alleen maar over de uitspraak van Jeshua “Ik ben uit de hemel nedergedaald” en negeren ze de uitspraak “ego eimi”.
    Johannes 6:41-42
     41  De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben (ego eimi) het brood, dat uit de hemel nedergedaald is, 42  en zij zeiden: Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Hij nu: Ik ben uit de hemel nedergedaald?
     
    Hetzelfde geldt voor de verzen 51 en 52.
     Jeshua zegt in vers 51 “Ik ben (ego eimi) het levende brood” en “het brood dat Ik geven zal, is mijn vlees” en in vers 52 strijden de Joden onderling over “Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven?” en negeren opnieuw de uitspraak “ego eimi”.

    Johannes 6:51-52
     51  Ik ben (ego eimi) het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld.
     
     52  De Joden dan streden onderling en zeiden: Hoe kan deze ons zijn vlees te eten geven?”.
     
    In de volgende Bijbelgedeelten gebruikt Jeshua opnieuw de uitspraak “ego eimi” in de aanwezigheid van de Farizeeën (vs 13) en zij dreigen niet met steniging.
    Johannes 8:12, 18, 24 en 28 

    12 Wederom dan sprak Jezus tot hen en zeide: Ik ben (ego eimi) het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben.

    18  Ik ben (ego eimi) het, die van Mijzelf getuig, en ook de Vader, die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij.

    24  Ik heb u dan gezegd, dat gij in uw zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft, dat Ik het ben (ego eimi), zult gij in uw zonden sterven.

    28  Jezus dan zeide: Wanneer gij de Zoon des mensen verhoogd hebt, zult gij inzien, dat Ik het ben (ego eimi) en niets uit Mijzelf doe, doch dat Ik dit spreek, gelijk de Vader Mij geleerd heeft.

    Opnieuw gebruikt Jeshua vier keer “ego eimi”.

    Johannes 10:7, 9, 11 en 14

      Ik ben (ego eimi) de deur der schapen.

      Ik ben (ego eimi) de deur; als iemand door Mij binnenkomt,
                     zal hij behouden worden
    .

    11  Ik ben (ego eimi) de goede herder.

    14  Ik ben (ego eimi) de goede herder en Ik ken de mijne en de                  mijne kennen Mij

    En ook hier hebben zij hem niet gestenigd.
     
    Jeshua zei tegen zijn discipelen zonder blikken of blozen:

    opdat gij, … gelooft, dat Ik het ben (ego eimi).

    Johannes 13:19 
    19  Thans reeds zeg Ik het u, eer het geschiedt, opdat gij,
    wanneer het geschiedt, gelooft, dat Ik het ben (ego eimi).
     
    Een interessante verklaring vinden we ook in Joh. 18 toen de Joodse leiders Jeshua kwamen arresteren in de hof van Gethsemane. Toen de hogepriester en de Farizeeën zeiden dat ze Jeshua van Nazareth zochten, zei Jeshua tot hen dat hij het was, … "Ego eimi". Hoewel niet duidelijk is waarom zij op hetzelfde moment terug deinsden en op de grond vielen zal dat wat volgt duidelijk maken dat Jeshua zich niet heeft beroepen op "IK BEN" om daarmee te zeggen dat hij JHWH is.

    Na de arrestatie nemen de Joden hem eerst mee naar Annas (vs 13). Daarna nemen ze hem mee naar Kajafas (vs 24) en uiteindelijk brengen ze hem naar Pilatus (vs 28, 29). 
     
    Een gelijke verklaring wordt ook gevonden in Matheus 26:57-68.
    Merk op dat dezelfde mannen die bij de arrestatie op de grond gevallen waren ook aanwezig waren toen de Raad valse getuigen zochten tegen Jeshua om hem ter dood te brengen.
    Vers 59 zegt:
    … maar zij vonden er geen, hoewel er vele valse getuigen optraden.
    Maar ten laatste traden er twee op
    …

    Interessant is dat zij geen valse getuigenis gaven over wat Jeshua zei in Johannes 8:58, maar over zijn verwijzing naar het vernietigen van de tempel en het herbouwen daarvan in drie dagen. Waar waren al die getuigen van Johannes 8:58? 
     
    Een belangrijk punt over Matteüs 26 is:
    Waarom worden er valse getuigen gevraagd als er echte getuigen aanwezig zijn? De arresterende agenten hebben immers gehoord dat Jeshua gezegd had "Ego eimi". Ze hadden hem daar in de tuin kunnen stenigen voor godslastering, maar ze deden dat niet. Ze hadden deze vermeende godslastering kunnen melden aan de Raad, maar dat deden ze ook niet. Waarom niet? Omdat het gebruik van “Ego eimi” geen godslastering is. Het was ook geen strafbaar feit waarop steniging zou moeten volgen. Jeshua identificeerde zich gewoon als de Jeshua van Nazareth, ... door te antwoorden met “Ik ben het” (Ego eimi).

    Dit brengt ons terug naar Johannes 8:58
     
    Waarom hebben de Joden hem eigenlijk willen stenigen bij die gelegenheid?
    Uit de context blijkt dat Jeshua tegen de Joden had gezegd dat;

    1)         zij oordeelden naar het vlees (vs. 15).
    2)         zij in hun zonde zouden sterven (vs. 21, 24).
    3)         ze dus in slavernij waren (vs. 32, 33).
    4)         ze slaven van de zonde waren (vs. 34).
    5)         ze hem trachtten te doden (vs. 37,40).
    6)         ze geestelijk doof waren (vs. 43, 47).

    7)         hun vader de duivel was (vs. 44).
    8)         ze niet uit God zijn (vs. 47).
    9)         ze hem onteerde (vs. 49).
    10)       ze JHWH niet kende (vs. 55).
    11)        ze leugens spraken (vs. 55).

     

    Omdat de Joden Jeshua niet begrepen geloofde ze, geheel ten onrechte dat;

    1)         hij hen beschuldigde geboren te zijn uit hoererij (vs. 41).
    2)         Jeshua bezeten was van de duivel (vs. 52).
    3)         hij zich boven Abraham verhief (vs. 53).
    4)         hij Abraham had gezien (vs. 56).
     
    De woorden van Jeshua in vers 58 waren zo beledigend voor de Joden, dat zij zich niet meer konden inhouden. Zij konden er gewoon niet meer tegen, ze waren woedend, niet vanwege de twee woorden "ego eimi" maar omdat hij bezig was zichzelf groter voor te stellen dan hun geliefde vader Abraham! Daarom probeerden zij hem illegaal te stenigen.
     
    Maar wat bedoeld Johannes 8:58 eigenlijk te zeggen? 
     
    Laten we eens kijken naar de context van de verklaring van Jeshua. Het begint in vers 51 met de gedachte van het eeuwige leven: "indien iemand mijn woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen." De Joden dan zeiden dat Jeshua van de duivel bezeten was omdat Abraham en de profeten reeds waren gestorven. De context is echter “eeuwige leven”. 
    In vers 56 zegt Jeshua dat Abraham zich erop verheugd had "mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd". Hij zei echter niet dat hij Abraham had gezien zoals de Joden het verkeerd hadden begrepen.
     
    Hoe heeft Abraham Jeshua’s dag gezien? 
    Hebreeën 11:13 zegt:
    “Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren”.
     
    Abraham zag Jeshua's dag door het geloof”.
     
    Jeshua hervat dan in het kader van zijn eerste gesprek door te zeggen:
    "Eer Abraham was, ben Ik".
    Het woordje "was" is van het Griekse "ginomai" en betekend:
    “tot ontstaan komen, beginnen te zijn, leven ontvangen, opstaan".
     
     
    Wat Jeshua dus bedoeld is "Eer Abraham komt tot zijn (opstanding tot het eeuwige leven), ben Ik".
    Bevestiging van deze schrijfwijze komt tot ons uit de stijlfiguren die in de Bijbel worden gebruikt en verklaart door EW Bullinger pag. 521, 522. Onder de rubriek "Heterosis (van werkwoords-tijden)", subtitel "The Present for the Future", schrijft hij, "Dit is gezet bij het onderwerp om aan te tonen dat er iets zeker zal gebeuren, en wordt gesproken alsof het reeds aanwezig was". Hij vermeldt vervolgens een aantal voorbeelden, zoals Matteus 3:10b, “iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt [worden] uitgehouwen” en Marcus 9:31a, “Want Hij onderwees zijn discipelen en zeide tot hen: De Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der mensen en zij zullen Hem ter dood brengen en drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan”. In dezelfde lijst van voorbeelden van Heterosis is Joh. 8:58 ingesloten. Met andere woorden "Eer Abraham zal opstaan, ben ik", met "ben ik" in de eenvoudige tegenwoordige tijd geplaatst, verwijst de zin dus naar de toekomst "Eer Abraham opstaat, ben ik."
     
    Sommige mensen geloven dat dit vers moet worden vertaald "Eer Abraham bestond, bestond Ik”. Maar de vervoeging “ben” van het Griekse werkwoord “zijn” is in de voltooide tijd (verleden tijd). Dus "was" is in de voltooide tijd en "ben" is in de tegenwoordige tijd. Laten we eens wat dichterbij kijken naar "was". Wat betreft de voltooide tijd heeft het alleen betrekking op de tijd in de indicatief, naar het verleden. Het werkwoord "ginomai” (was) is in de infinitief, niet de indicatief. Daarom moet het niet worden vertaald in de verleden tijd. Dit zegt het zelfde van de infinitief. De aoristus geeft infinitief dat wat eventueel is of bijzonder, … geboren worden of geschapen worden of zal opstaan (als uit de dood).
    Abraham, die uiteindelijk zal herrijzen, is de reden waarom de Griekse aoristus gebruik maakt van de infinitief.
     
    De betekenis is:
    "Eer Abraham opstaat, ben ik (opgestaan).",
    niet "Eer Abraham was (of bestond), ben ik (of bestond ik)".
     
    Tot slot
    Jeshua verklaarde niet dat hij de grote "IK BEN" is van Exodus 3:14.
    Jeshua verklaarde ook niet dat hij Jahweh is.
    Jeshua verklaarde ook niet een pre-existentie.
     
    De Bijbel leert ons wie Jeshua is:
    80 teksten zeggen:    “De Zoon des mensen”
    27 teksten zeggen:    “De Zoon van God”
    10 teksten zeggen:    “Gods Zoon”
      6 teksten zeggen:    “Zoon Gods”

    Jeshua is de eniggeboren Zoon van Jahweh,

    de zoon van de grote "IK BEN".

    Immanuël, Gemeente van het Levende Woord 
    Tel 078 6990097, Fax 078 6990098, Mob 0629 065138
    (1)   De Pesjitta is de standaardversie van de Bijbel in het Syrisch. De naam 'Pesjitta' komt uit het Syrisch en betekent letterlijk 'eenvoudige versie', het kan echter ook vertaald worden als 'algemeen'. Het Syrisch is een dialect van het Aramees. Het Aramees (Galilea-Aramees) was waarschijnlijk de taal die Jeshua de Messias sprak, in combinatie met Hebreeuws als tweede taal. De Pesjitta is geschreven in het Syrische alfabet.
     
    (2)  De Septuagint of afgekort tot LXX (=70) is de naam voor de Griekse vertaling van het OT die tussen circa 250 v.Chr. en 100 v.Chr. werd gemaakt. In eerste instantie was deze vertaling ten behoeve van de grote groep Griekstalige Joden in Egypte. Deze spraken namelijk niet meer het Hebreeuws als moedertaal. Het belang van de LXX blijkt uit het feit dat veel citaten in de Nieuw Testamentische brieven en de evange-liën uit het Griekse OT volgens de LXX zijn. Zo zijn in Matteus alle aanhalingen uit het OT uit de Griekse LXX genomen en niet rechtstreeks uit het Hebreeuws.

    Lees meer...
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl