W.E.N. HART VOL VUUR
World-Evangeisation-Network.
    Recente Tweets
    Abonneren
    Abonneer je nu voor nieuwe artikelen in deze categorie!
    Laatste reacties
    DE EERSTE MENS
     
     'Juf, ik heb vannacht een broertje gekregen.' roept Gerlande zodra ze de klas binnenkomt, omringd door een troep vriendinnen.
     
     Opgewonden vertelt ze hoe lief hij wel is. Juf feliciteert haar en zegt: 'Dat komt goed uit. Ik wilde juist vertellen over... Nee, gaan jullie maar eerst in de kring zitten.'
     
    Terwijl de kinderen luidruchtig hun stoeltjes versjouwen, haalt ze uit haar tas een rond houten popje, prachtig beschilderd. Een soort Russisch vrouwtje. De kinderen worden gelijk stil. Heel voorzichtig doet juf het popje open. O, kijk eens, er zit nog zo'n vrouwtje in en daarin nog één, steeds een beetje kleiner. Wel acht. Het kleinste is zo groot als een nagel.
    'Dat is een pasgeboren baby'tje,' zegt Dottie, die veel fantasie heeft. 'En dat is de moeder en de oma en de overgrootmoeder en de...'
     
    'Houd maar op,' zegt juf lachend. ''t Is een lange rij. Bij ons mensen is die rij nog langer. Maar ergens heel ver terug is er toch een eerste moeder geweest. Waar kwam die vandaan?'
    Sjoerd steekt zijn vinger op. Hij weet het. Uit een aap.
    De klas begint te grinniken, maar Sjoerd gaat verontwaardigd verder: 'Ja, ik heb het zelf in het museum gezien. Eerst liepen ze op vier poten en dan gingen ze rechtop lopen en na duizenden jaren werd het een mens, die op een aap leek en dan weer na duizenden jaren mooier en mooier tot we zijn zoals we nu zijn.'
     
    'Juf, juf,' dramt Joan, 'Alles begon met een visje, dat op het land kroop.'
    'Ken niet.' constateert Appie nuchter, 'Dan gaat 'ie dood.'
    Appie vist vaak, dat kun je wel merken. Juf zet nu alles eens op een rijtje.
    'Kinderen, Sjoerd heeft het over een aap en Joan over een vis. Wat is er waar? Er wordt veel over geschreven. En niemand is er bij geweest toen alles werd gemaakt.'
    'Alleen God,' roept Appie weer.
    'Kon Hij het dan niet tegen ons zeggen?' bedenkt Joan
    'Ja, dat heeft Hij ook gedaan,' stelt juf vast. 'Het staat in de Bijbel. Wil je het horen? Luister dan.'
     
    Helemaal in het begin had God, die enkel liefde is, het plan mensen te maken die op Hem zouden lijken, waar Hij mee zou kunnen spreken en van zou kunnen houden. Dus ging Hij alles klaarmaken. Hij maakte de hemel en de aarde. Maar die aarde was woest en leeg. Een dikke duisternis hing over het water. God liet Zijn gedachten erover gaan. In duisternis zou de mens niet kunnen leven. Dus gaf Hij het bevel: 'Er zij licht!' en er was licht. Het licht was goed. God noemde het licht dag en de duisternis Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag was voorbij.
    Nog hing er een soort mist boven de aarde. Alles was grauwgrijs en nat. Daar moest verandering in komen. Dus maakt God scheiding tussen wateren op en boven de aarde. Oceanen, zeeën, beekjes en meren ontstonden. De lucht boven ons noemde God hemel. En God zag dat het goed was. Toen was het avond geweest en morgen, de tweede dag.
    'Het droge moet te voorschijn komen!' riep God.' En daarop wil ik grasjes, planten en bomen hebben, die vrucht dragen!'
    Prachtig werd het nu, zo vol kleur. God zag dat het goed was. Toen was het avond geweest en morgen, de derde dag.
    'Aan de hemel wil ik lichten: zon, maan, sterren. Zij moeten scheiding maken tussen dag en nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven, de maanden en de jaren en bovendien licht geven op de aarde.'
    Zoals God het uitsprak gebeurde het ook. Het was avond geweest en morgen, de vierde dag.
    'In het water wil Ik vissen hebben en in de lucht vogels!' zei God. Je had het moeten zien! Allerlei vogels en vissen kwamen er, grote en heel kleine. Een gespetter en een gefluit. God zegende ze en zei: 'Het is goed zo, krijg maar jonkies en maak de aarde vol.'
     
    Weer was het avond geweest en morgen: de vijfde dag.
     
    Op de zesde dag schiep God allerlei levende dieren. Egels, hagedisjes, paarden en leeuwen. Ongelooflijk veel soorten. God had er duidelijk plezier in om een giraffe met een lange nek te maken en een eenhoorn met maar één hoorn op z'n neus. Wat een dierenge-luiden waren er nu en wat een gespring en beweeg. Je keek je ogen uit. Eindelijk was alles klaar. Nu kon de mens komen. Wat zou hij genieten van die lekkere vruchten, die geuren, die kleuren en dat vogelgefluit.
     
    God maakte de mens met zijn eigen handen, van moleculen die op aarde waren, een beetje van dit en een beetje van dat. Met één vinger streelde Hij zacht over de wangen. Hij vormde de mond, de vingers met de nagels, de ronding van de benen en de sierlijke voeten...
    En dan vertel ik je nog niet eens hoe ongelooflijk knap God de hersens maakte en de darmen en het hart.
     
    Volmaakt was de mens. Alleen, hij leefde nog niet.  Hoe zou God dat doen? Zou Hij weer spreken? Nee, Hij blies Zijn eigen adem in zijn neus en zette hem zachtjes overeind. 'Adam,' zei God trots. Hij bekeek zijn kind een hele tijd en fluisterde maar steeds: 'Goed, heel goed.'
    Wie leerde Adam praten? Hoe leerde Adam wat hij kon eten? Wie heeft hem die mooie schepping getoond? God natuurlijk. Adam mocht over alles de baas zijn. Hij voelde zich zo rijk als een koning en dat was hij ook.
     
    Veel te snel ging die dag voorbij, de zesde.
     
    Nu had God nog één dag over, de zevende. Die dag zette Hij toen echt apart. Het werd een dag om met de mens om te gaan, een rustdag voor hen samen. Ja, God rustte van al het werk dat Hij gedaan had en Hij genoot ervan.
     
    Juf is uitverteld. Er gaat een zucht door de klas. Wat mooi! Als ze hun plaatsen weer opzoeken bromt Appie tegen Sjoerd: 'Ik geloof niet in dat apenverhaal van jou.'

    Die kijkt hem vernederend aan. 'O nee? Toch is het zo. Het museum liegt niet. Nooit!' Maar diep in zijn hart neemt Sjoerd zich voor om aan z'n vader te vragen hoe het nou precies zit met die eerste mens die nooit een baby was.'

    uit: home hetnet

    Lees meer...

    Het beste verhaal ooit vertelt, in plaatjes.‏

     
    Page 2
     
     
    Page 3
     
    Page 4
     
    Page 5
     
    Page 6

    Page 7

    Page 8

    Page 9
     
    Page 10
     
    Page 11
     
     
    Page 12
     
     
    Page 13
     
    Page 14
     
     
    Page 15
     
    Page 16
     
     
    Page 17
     
    Page 18
     
    Page 19
     
     
    Page 20
     
     
    Page 21
     
    Page 22
     
     
    Page 23
     
     
    Lees meer...

    VECHTEN TEGEN AMALEK

    Kom jij wel eens achteraan? Kun je wel eens niet zo vlug mee als de anderen? Dan ben je net als Hansje in het volgende verhaal. Hij was een kind van het volk van God, dat door de woestijn trok naar het Beloofde Land. Op een dag beleefde hij me toch een avontuur! Moet je horen.
    'Hansje, loop nou eens door!' roepen een paar kinderen. 'De anderen lopen al op de hoogvlakte en jullie zijn nog in die donkere kloof.'
    Hansje pakt de hand van oma wat steviger vast.
    'Kom oma,' fluistert hij bezorgd, 'Nog even doorzet-ten. We zijn bijna bij de rustplaats.'
    Ja, Hansje zorgt heel goed voor zijn oma. Al een hele tijd. Al sinds hij zijn vader en moeder heeft verloren. Hij wast 's avonds haar voeten en dekt haar met een extra deken toe als ze het 's nachts weer eens zo koud heeft. En ja, oma kan natuurlijk niet zo vlug lopen.
    'Gaan jullie maar vast, hoor!' zegt Hansje tegen zijn vriendjes. 'Wij komen zo, oma en ik.'
    Net willen de kinderen weghollen als er plotseling als vanuit het niets een man voor hen op de weg springt. Hij had al die tijd verborgen gezeten achter een rots-blok. In een flits zien de kinderen zijn blote getatoe-ëerde armen en zijn gebroken tanden. Nog een man springt te voorschijn en nog één.
    Het zijn Amalekietische rovers, te zien aan hun kleren. Hun kromme scherpe zwaarden zwaaien ze gevaarlijk in het rond. Een korte tel staan de kinder-en stokstijf van de schrik en dan zetten ze het toch op een gillen! De rovers trekken zich er niets van aan. Ze rukken zomaar de gouden ketting van oma's hals en geven Hansje een klap op z'n hoofd, zodat alles zwart voor zijn ogen wordt.
    'Mozes, Mozes! De Amalekieten! Ze hebben de achterhoede aangevallen. Ze hebben ook goud gestolen. We zijn ze achterna gegaan, maar tevergeefs. Ze verschuilen zich daar bij die kloof in de rotsen.'
    Dat komen een paar jonge kerels Mozes vertellen. Sjonge, wat is Mozes boos. Wat een lafaards om juist de zwakken aan te vallen.
    'Jozua,' roept hij meteen tegen zijn assistent, 'Het is nu al te laat, maar zoek vast sterke mannen uit en ga er dan morgenochtend meteen op af. Ik zal daar op die heuvel gaan staan met de Staf van God in mijn hand.'
    Zo gezegd, zo gedaan. Als Hansje de volgende dag wakker wordt in de tent van zijn tante, hoort hij de soldaten van Jozua al langs marcheren. Hoewel hij nog wat hoofdpijn heeft van de klap van gisteren kan hij het toch niet laten om samen met zijn vriendjes naar het verloop van de strijd te gaan kijken. Op veilige afstand natuurlijk, samen met de rest van het volk. Het is een zware en felle strijd. De Amalekieten zijn met velen en gewend om met een zwaard te vechten. Ja, nogal logisch als je zowat elke dag traint. Jozua en zijn mannen vechten fanatiek terug, maar steeds meer Israëlieten raken gewond.
    'O, Here, help ons toch!'
    Mozes, die met Aäron en Chur op de heuveltop staat, schreeuwt het uit tot God. Met zijn beide handen houdt hij de staf van God omhoog. En ja hoor, de Israëlieten beginnen te winnen. Met een schreeuw storten ze zich op hun vijanden. Mozes laat zijn handen opgelucht zakken.
    'Kijk uit, rechts! Ja, let op die kleine dikke..!'
    Chur lijkt wel een trainer die zijn club vanaf de kant toeroept. Van bovenaf kunnen ze goed zien hoe de Amalekieten listig gebruik maken van rotsblokken om achter weg te duiken.
    'Hou vol! O nee!...'
    De vijand komt weer opzetten met vernieuwde kracht. Eén, twee drie Israëlieten tuimelen ter aarde.
    'Here!!' schreeuwt Mozes weer. Hij heft de staf op zo hoog als hij maar kan. 'Red ons!'
    Ook deze aanval wordt afgeslagen. Jozua kijkt hun richting uit en steekt zijn duim op als teken dat het weer goed gaat. Het is voor hen een fijn gevoel dat Mozes met hen meestrijdt.
    Aäron, als altijd nogal bedachtzaam, is echter iets opgevallen. Hij roept plotseling uit: 'Ik heb het! Broer, ALS JIJ DE STAF OPHEFT, WINNEN WE. Als jij de staf laat zakken verliezen we. Heb je dat ook gemerkt?'
    Het is waar. Iedereen ziet het nu.
    'Houd de staf omhoog, gauw!' roepen ze Mozes toe.
    'Maar m'n armen worden zo moe!' kreunt Mozes.
    'Wacht eens...' Chur is nogal vindingrijk. Snel sleept hij een platte steen achter Mozes om op te zitten. Vanaf dat moment heeft de vijand geen kans. Tegen zonsondergang is de strijd voorbij.
    Zie je al die kinderen daar lopen, de armen om elkaars schouder? Ze hebben Jozua en zijn mannen ingehaald en zingen hun kelen schor... Helemaal achteraan met een verband om zijn hoofd loopt Hansje, een beetje treurig. Hij denkt aan zijn lieve oma, die er niet meer is. Niemand let op hem. Niemand? Ja toch! Mozes ziet hem. Vanaf een afstandje wenkt hij hem. En dan... O, het is haast niet te geloven. Hansje mag zomaar naast de grote leider staan, hand in hand, als deze de soldaten toespreekt. Hij krijgt er een kleur van.
    'Mensen, ' zegt Mozes, 'Laten we een altaar voor God bouwen en Hem danken. Toen ik de staf ophief, gaf God ons de overwinning. Schrijf alles op wat Amalek heeft gedaan. En jij, Jozua, onthoud het goed, hè?'
    Met een kneepje in Hansjes hand voegt hij eraan toe: 'Die lui, die de zwakken en de kinderen aanvallen, die zal God voor altijd bestrijden!  EN ZO IS HET!'
    Getroost kijkt Hansje naar de oude grijze man. Hij ziet de vriendelijke ogen en de rimpeltjes in zijn gezicht en hij weet: 'Ik hoor bij Gods volk. Ik ben niet echt alleen
    bron : onbekend
    Lees meer...
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl