W.E.N. HART VOL VUUR
World-Evangeisation-Network.
    Recente Tweets
    Laatste reacties
    Was Sha'ul tegen de Thora?
    Was Sha'ul tegen de Thora?
     Door Dr. Dwight A. Pryor
     
    Grondlegger van Centrum voor Joods-christelijke studies betoogt dat Sha’ul nooit afval van de Thora heeft gepredikt, maar juist de Joodse plicht om de Thora na te leven als vanzelfsprekend opvatte.
     
    In ruime mate dankzij het werk van Joodse geleerden in Israël is de laatste tijd een portret van Yeshua naar voren gekomen als Joodse wijze die de Thora naleefde en die overtuigd optrad binnen het gangbare Joodse denken tijdens de Tweede Tempelperiode. Hierbij putte hij uit overgeleverde tradities en concepten. Deze inzichten krijgen meer en meer ingang in de belangrijkste kerken.

    Het zou fijn zijn als dit ook gezegd kon worden van de apostel Sha’ul. Een paar uitzonderingen daargelaten, kijken Joodse geleerden en rabbijnen negatief op hem neer: hij is een ‘bekeerling’ van Judaïsme naar christendom, die Israël en zijn Joodse erfenis overboord zette en zich tegen de Thora keerde.

    Het is niet toevallig dat dit vertekende beeld van Sha’ul sinds de vierde eeuw door de Kerk naar voren werd geschoven. Gelukkig geven verschillende evangelische geleerden nu voor het eerst een serieuze herbeoordeling van de ‘protestant Sha’ul’. En dat is nodig. Sha’ul’ verhouding tot de Thora en het Jodendom zijn traditioneel verkeerd voorgesteld.

    Als een toegewijde Farizeeër – zoals hij zichzelf aanmerkte – voelde Sha’ul een geloofsijver met betrekking tot de Thora en achtte hij zich "naar de gerechtigheid der wet onberispelijk" (Fillippenzen 3:6). Zelfs na zijn ontmoeting met de levende Yeshua, gaat hij ermee door zichzelf te identificeren als een Farizeeër (Handelingen 26:5). Hij maakte er werk van de feesten te vieren (Handelingen 20:16), en hij hield vol dat de Thora "geestelijk" is en het gebod "heilig, rechtvaardig en goed", en dat hij zich daarin "verlustigde". (Romeinen 7:12,14,22).

    Wij zouden er niet van moeten opkijken dat Sha’ul verkeerd begrepen is en dat kwaad van hem gesproken werd door de eeuwen heen. Dat was al zo van af het begin. Zelfs Keifa maakte de opmerking dat "daarin (in de brieven van Sha’ul) een en ander moeilijk te verstaan is" (2Keifa 3:16). Ook Ya’aqov zegt iets dergelijks.

    In Handelingen 21:20 doet Ya’aqov in Jeruzalem verslag aan Sha’ul : "Gij ziet broeder, hoe vele duizenden er onder de Joden gelovig zijn geworden (in Yeshua), en allen zijn zij ijveraars voor de wet", daarmee suggererend dat het naleven van de Thora normatief was voor Joodse gelovigen.

    Zij hadden gehoord dat Sha’ul de Joden "afval van Moshe" leerde en het opgeven van de gebruiken van het Jodendom, waaronder de besnijdenis (Hande-lingen 21:21). Dat was niet waar. Daarom raadde Ya’aqov Sha’ul aan een paar dingen te doen om te bewijzen dat dit gerucht een valse aanklacht was en dat Sha’ul in werkelijkheid "meeging in de onder-houding van de wet" (Handelingen 21:24).

    Sha’ul bewilligde in dat verzoek, niet vanwege compromis of dubbelhartigheid, maar omdat het waar was: als een volgeling van Yeshua ging hij door in zijn roeping als Jood om de Thora en de gebruiken van zijn volk na te leven. Bij drie andere gelegen-heden (Handelingen24:14; 25:8; 28:17) legt hij getuigenis af van deze veelbetekenende maar vaak over het hoofd geziene waarheid over hemzelf.

    Sha’ul’ levenswandel kwam overeen met wat hij "voorschrijft in alle gemeenten" (1Korintiërs 7:17-20): namelijk dat Joodse gelovigen "niet hun besnijd-enis moeten laten verhelpen", en dat gelovigen uit de heidenen zich niet moeten laten besnijden. Hier is door Sha’ul meer bedoeld dan alleen de fysieke besnijdenis. Tijdens de Tweede Tempelperiode stond besnijdenis voor het geheel van Joodse identiteit en verplichtingen.

    Met andere woorden: hij verlangde niet van heiden-gelovigen zich tot het Joodse naleven van de Thora te bekeren (besneden te worden), en evenmin hoefden Joodse gelovigen, evenals Sha’ul zelf, afstand te doen van hun Thoraverplichtingen. Ieder kon zich houden aan zijn eigen roeping (1Korintiërs 7:20).

    Deze uitspraak van Sha’ul komt overeen met wat de apostelen en kerkleiders op de vergadering in Jeruzalem (Handelingen 15) hadden beslist: het mag gelovigen uit de heidenen niet bevolen worden zich te laten besnijden en zich te houden aan alle wetten van Moshe, dat wil zeggen: zij mogen niet behandeld worden als Joodse bekeerlingen (Handelingen 15:5; 28,29).

    Het is eveneens van belang notitie te nemen van wat echter niet gezegd was tijdens die historische vergad-ering in Jeruzalem (zoals geleerden als Nanos en Wyschogrod hebben opgemerkt). Nooit werd tijdens de bespreking van het geschil de kwestie naar voren gebracht dat de aanwezige Joden de Thorageboden niet meer in acht zouden nemen, of daarvan ontslagen zouden zijn vanwege hun geloof in Yeshua.

    Het was een onbetwiste onderstelling dat Thora verplichtingen nog steeds op hun plaats waren voor iedereen, ook voor Sha’ul.

    Toen Kerkvergaderingen in de opeenvolgende eeuw-en formeel de Joodse gelovigen verboden nog langer als Joden te leven, en bij de doop van hen eisten dat zij elk ritueel en nakoming van de Joodse religie zouden afzweren, hebben zij effectief Sha’ul van Tarsus zijn lidmaatschap van de kerk ontnomen! Wij hebben sindsdien de gevolgen daarvan ondervonden.

    Dr.Pryor is grondlegger en directeur van het Centrum for Joods-christelijke Studies.
     
    Bron: Christenen voor Israël

    Reacties

    Commentaar
    Jouw naam/bijnaam
    Website url
    E-mail
    Je Punt profiel
    Hou mij op de hoogte
    Ik wil op de hoogte gehouden worden
    Dit is een verplicht veld
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl