W.E.N. HART VOL VUUR
World-Evangeisation-Network.
    Recente Tweets
    Laatste reacties
    Bijbelstudie over DE HEBREEËNBRIEF-HA’IGERET AL-HA’IV’RIM Deel 2
    Bijbelstudie over
    DE HEBREEËNBRIEF-HA’IGERET AL-HA’IV’RIM Deel 2

    Deel 2: Hebreeën 8:8-13

    De vorige keer heb ik u laten weten, dat ik regelmatig mailtjes krijg met allerlei vragen over Bijbelse onderwerpen, die ik doorgaans via persoonlijke e-mails beantwoord. Een enkele keer is de inhoud van de vraag alsook mijn reactie daarop echter van dien aard, dat ik naar aanleiding daarvan een hele Bijbelstudie aan dat onderwerp besteed, hetgeen ook nu het geval is. Ik kies normaliter nooit zelf naar eigen goeddunken de onderwerpen voor mijn Bijbelstudies die ik op mijn website plaats, maar ik vraag de Eeuwige om een onderwerp op mijn hart te leggen of om mij een teken te geven welk onderwerp ik moet behandelen. Zo een teken kan dus wel eens ook een mailtje zijn of bepaalde gebeurtenissen die betrekking hebben op Israël. In het geval van deze studie gaat het om diverse mailtjes uit Zwitserland, België en Nederland met vragen over ogenschijnlijke tegenstrijdigheden in de Hebreeënbrief. Al gauw werd het mij duidelijk, dat dit de basis zou vormen voor een reeks Bijbelstudies over de Hebreeënbrief, waarin ik ook eerdere vragen van andere mensen en mijn antwoorden daarop zal verwerken, omdat de Hebreeënbrief bij heel wat mensen toch wel wat vraagtekens oproept. De vorige keer behandelden wij Hebreeën 2:2, 3,3 en 7:18-19. Laten we nu gaan kijken welke andere teksten in de Hebreeënbrief zoveel vragen oproepen. Deze teksten zal ik standaard uit de NBG-vertaling citeren, maar er voor de duidelijkheid ook andere vertalingen naastleggen.

    Hoofdstuk 8, vers 8:
    “Want Hij berispt hen, als Hij zegt: Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen…”

    “Maar G’d berispt Zijn volk met de woorden: De dag zal komen, spreekt de Heer, dat Ik een nieuw verbond zal sluiten met het volk van Israël en met het volk van Juda.” (Nieuwe Bijbelvertaling).

    “Maar G’d hekelt Zijn volk met de woorden: De tijd komt, zegt de Heer, dat Ik met het volk van Israël en dat van Juda een nieuw verbond zal sluiten.” (Groot Nieuws Bijbel).

    “Maar G’d was er zelf ook niet tevreden over, want Hij zei: Er komt een tijd dat Ik een nieuw verbond met het volk van Israël en het volk van Juda zal sluiten.” (Het Boek).

    Vraag: De schrijver van de Hebreeënbrief wijst zijn lezers erop, dat G’d een nieuw verbond zal sluiten met het volk van Israël en dat van Juda, maar wie worden daar precies mee bedoeld?
    In een commentaar van J.E. van den Brink op de Hebreeënbrief lees ik met betrekking tot dit vers: “Het nieuwe verbond sloot G’d met het huis Israëls en het huis van Juda. Wij kunnen hier dus lezen: met de heidenen en met de joden!” Moet ik hieruit begrijpen dat daar het geestelijke Israël, de Kerk uit de heidenen mee wordt bedoeld, waar ook de joodse christenen bijhoren?

    Antwoord: Over de Kerk uit de heidenen en over joodse christenen wordt hier niet gesproken, want de verzen 8 t/m 12 zijn namelijk geciteerd uit Yir’m’yahu [Jeremia] 31:31-34, en daar wordt letterlijk het natuurlijke volk van G’d mee bedoeld, dat ten tijde van deze profeet nog verdeeld was in twee aparte koninkrijken: het tienstammenrijk Israël in het noorden dat zich toen al in ballingschap bevond en het tweestammenrijk Juda in het zuiden, dat enkele jaren later eveneens te gronde zou gaan wegens de ongehoorzaamheid van het volk aan de wetten van het oude verbond. Daarom zou de Eeuwige later een nieuw verbond sluiten met Zijn hele volk Israël. Beide verbonden heeft G’d met Israël gesloten, zowel het Oude alsook het Nieuwe! Sha’ul haShaliach [de apostel Paulus] schrijft in Romeinen 9:4 ten opzichte van de Joden dan ook zeer terecht: “Van hun zijn de verbonden”. In meervoud dus! Men maakt een grote denkfout als men Israël de Gemeente van het Oude Verbond noemt in tegen-stelling tot de christelijke Kerk als Gemeente van het Nieuwe Verbond. De Bijbel noemt Israël de “Gemeen-te des Heren” en het was nooit G’ds bedoeling dat er naast deze Gemeente nog een tweede Gemeente zou ontstaan die een eigen leven zou leiden. Israël is der-halve zowel de Gemeente van het Oude alsook van het Nieuwe Verbond! Helaas zijn er onder beide verbonden wel altijd ook Israëlieten geweest die zich niet aan de afspraken met G’d hebben gehouden, maar onder beide verbonden waren en zijn er ook Israëlieten die wél trouw gebleven zijn aan de Eeuwige! En met hen gaat Hij verder. Het ongelovige deel van G’ds volk bleef wel voortbestaan onder de naam Israël, omdat de Eeuwige ook met hen een plan heeft, maar alleen het gelovige deel van Israël is en blijft de Gemeente des Heren! Onder beide verbonden werden ook de heidenen uitgenodigd om de G’d van Israël aan te nemen als Heer en Verlosser en te delen in Zijn zegeningen! Hiervoor was onder het Oude Verbond de voorwaarde, dat zij zich ook fysiek bij Israël moesten aansluiten. Onder het Nieuwe Verbond hoeven de gelovigen uit de volken echter geen Giyur te doen en dus géén Joden te worden, want volgens Efeziërs 2:11-13 zijn zij door het geloof in het offer van Yeshua niet meer uitgesloten van het burgerrecht Israëls en ook niet meer vreemd aan de verbonden der belofte! Zij mogen er helemaal bij horen, maar de Gemeente is en blijft Israël! Dus wat dat betreft bedoelt J.E. van den Brink het in zijn commentaar op de Hebreeënbrief met betrekking tot dit vers wel goed als hij schrijft dat G’d het Nieuwe Verbond sloot met de heidenen en met de joden, maar hij schrijft het wel in de omgekeerde volgorde, want het Bijbelse principe luidt namelijk: eerst de Jood en ook de Griek! (Romeinen 2:9-10). Er is dus geen enkele reden om te veronderstellen dat de Eeuwige Zijn volk Israël, dat Hij heeft uitverkoren om Zijn Gemeente te zijn, zou hebben verworpen wegens het ongeloof van slechts een déél van dat volk, net zo min als dat Hij aan de gelovige heidenen de toegang tot Zijn gemeen-te zou ontzeggen omdat het grootste deel van de heidenen ongelovig is! Neen, de rol van Israël als Gemeente van Adonai is nog niet uitgespeeld en daarom heeft Hij ook het Nieuwe Verbond op de eerste plaats met Zijn volk Israël gesloten.

    Hoofdstuk 8, vers 9:

    “…niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan Mijn verbonden. Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here!”

    “Niet een verbond zoals ik dat sloot met hun voorouders toen Ik hen bij de hand nam om hen weg te leiden uit Egypte, want aan dat verbond zijn ze niet trouw gebleven. Daarom heb Ik Mijn handen van hen afgetrokken, spreekt de Heer!” (Nieuwe Bijbelvertaling).

    “Geen verbond zoals ik met hun voorouders gesloten heb toen Ik hen bij de hand nam en uit Egypte haalde. Want zij hebben zich niet aan Mijn verbond gehouden en Ik heb niet naar hen omgekeken, zegt de Heer!” (Groot Nieuws Bijbel).

    “Het zal een ander verbond zijn dan dat Ik met hun voorouders sloot op de dag dat Ik hen uit Egypte leidde; die hielden zich niet aan het verbond, zodat Ik hun de rug heb toegekeerd!” (Het Boek).

    Vraag: Hier staat duidelijk dat G’d het Oude Verbond vervangen heeft door het Nieuwe en dat Hij Zijn handen van de Israëlieten heeft afgetrokken omdat ze zich niet aan Zijn verbond hielden. Maar als Hij hen Zijn rug heeft toegekeerd, dan wil dat toch zeggen dat Hij hen verder als speciaal volk heeft losgelaten. Of zie ik dat verkeerd?

    Antwoord: Jeremia heeft het hier slechts over de Israëlieten, die de uittocht uit Egypte hebben meege-maakt en wegens hun ongeloof en weerspannigheid het Beloofde Land niet mochten binnengaan. Van hen heeft de Eeuwige Zich inderdaad afgekeerd, maar niet van alle Israëlieten van alle eeuwen, ook al probeert men ons dit sinds jaar en dag wijs te maken. In een boekje van het Internationaal Zendingsgenoot-schap der Z.D.A.-reformatie uit 1946 kwam ik in dit verband de volgende passages tegen: “De Israëlieten waren vanaf den beginne van hun bestaan als natie een onhandelbaar, ongehoorzaam en wederspannig volk. Alleen de grote genade en goedertierenheid en geduld des Heren waren het, die hen zo lange tijd als volk lieten bestaan, maar het meest, omdat de volheid des tijds eerst van G’d kon geopenbaard worden. Ook aan het geduld van G’d komt eenmaal een einde. De Joden als natuurlijke nakomelingen van de vaderen der beloften zijn in hun roeping niet getrouw geweest en werden door de Here als uitverkoren volk verworp-en. Israël als natie was wel door G’d uitgeschakeld, de takken waren door ongeloof afgebroken, maar dat beduidde niet het einde van G’ds volk. De Here zette Zijn werk voort, ook al moest een geheel volk worden terzijde gesteld in Zijn plan. De Here roept een volk uit alle natiën en talen en neemt het aan als Zijn volk. Ieder die Christus aanneemt en in Hem gedoopt, wordt daardoor opgenomen in het nieuwe Verbond, het ware Israël!” Tot zover. Komen deze woorden u bekend voor? Vele eeuwen is deze leer in bijna alle kerkge-nootschappen verkondigd en ook vandaag de dag wordt nog steeds de houding van velen tegenover het Joodse volk en de staat Israël mede bepaald door de vervangingsleer. Weet u, als hoofdstuk 10 het laatste hoofdstuk van de Romeinenbrief zou zijn, dán is de vervangingstheologie de juiste conclusie. Maar gelukkig hield Sha’ul niet op met hoofdstuk 10, want in hoofdstuk 11 vers 1a gaat hij verder met de volgende woorden: “Dan is nu mijn vraag: heeft G’d Zijn volk soms verstoten? Beslist niet!” In het Hebreeuws roept hij uit: Chalila! In de NBG-vertaling staat: Volstrekt niet! In de Willibrord-vertaling staat: Helemaal niet! En in de Groot Nieuws Bijbel staat: Geen sprake van! Kan het duidelijker? Sha‘ul gaat verder: “Ik ben immers zelf een Israëliet, een nakomeling van Av’raham, afkomstig uit de stam Bin’yamin. G’d heeft Zijn volk, dat Hij al van tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift over Eliyahu zegt, hoe hij Israël bij G’d aan-klaagt? ‘Adonai, Uw profeten hebben ze gedood, Uw altaren verwoest. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ Maar hoe luidt het antwoord van G’d aan hem? ‘Ik heb zeven-duizend mensen voor Mijzelf in leven gelaten; die hebben niet voor Baäl geknield.’ Zo is ook nu een klein deel over dat G’d uit genade uitgekozen heeft!” (vers 1b t/m 5). Dat een groot deel van de Israëlieten ongelovig en ongehoorzaam was en feite-lijk nog steeds is wil nog niet zeggen dat de Eeuwige hen daarom als volk verstoten zou hebben, want de gelovige rest van Israël is en blijft G’ds volk en daarom mag de kerk uit de heidenen zich deze titel beslist niet zelf toe-eigenen. “Want de Eeuwige zal Zijn volk niet verstoten, om der wille van Zijn grote naam. De Eeuwige heeft immers verkozen u tot Zijn volk te maken!” (Sh’mu’el alef [1 Samuël] 12:22). In het zelfde tekstgedeelte uit Jeremia 31, waaruit het citaat genomen is waar het in Hebreeën 8 over gaat, zegt de Eeuwige in de aansluitende verzen 35-37 heel duidelijk: “Zo zegt de Eeuwige, die de zon overdag tot een licht geeft, die de maan en de sterren verordent tot een licht des nachts, die de zee opzweept, dat haar golven bruisen, wiens naam is Adonai Tz’vaot [de Here der heerscharen]: Als deze verordeningen voor Mijn ogen zullen wankelen, luidt het woord van de Eeuwige, dan zal ook het nageslacht van Israël ophouden al de dagen een volk te zijn voor Mijn ogen. Zo zegt de Eeuwige: Als de hemel boven te meten is en de funda-menten der aarde beneden na te speuren zijn, dan zal Ik heel het nageslacht van Israël verwerpen om al het-geen zij gedaan hebben, luidt het woord van Adonai Is de hemel te meten? Volgens mij niet! Ik wil daarom Romeinen 11:1 herhalen: “Heeft G’d Zijn volk verstoten? Volstrekt niet!” - “Want zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen blijven bestaan, luidt het woord van Adonai, zo zal uw nageslacht en uw naam blijven bestaan!” (Yeshayahu [Jesaja] 66:22).

    Hoofdstuk 8, vers 10:

    “Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis Israëls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal Mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een G’d zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn!”

    “Maar dit is het verbond dat Ik in de toekomst met het volk van Israël zal sluiten, spreekt de Heer: in hun verstand zal Ik Mijn wetten leggen en in hun hart zal Ik ze neerschrijven. Dan zal Ik hun G’d zijn en zij zullen Mijn volk zijn.” (Nieuwe Bijbelvertaling).

    “Dit is het verbond dat Ik later met het volk van Israël sluit: Ik zal Mijn wetten in hun gedachten schrijven en in hun hart. Ik zal hun G’d zijn en zij zullen Mijn volk zijn.” (Groot Nieuws Bijbel).

    “Dit is het nieuwe verbond dat Ik met het volk van Israël ga sluiten: Ik prent hun Mijn wetten in en schrijf ze in hun hart. Ik zal hun G’d zijn en zij zullen Mijn volk zijn.” (Het Boek).

    Vraag: In zijn commentaar op de Hebreeënbrief schrijft J.E. van den Brink met betrekking tot dit vers het volgende: “Het nieuwe Verbond zou anders functioneren dan het Oude. In het Oude had G’d een wet gegeven, die het leven van buitenaf regelde en een wet die de reiniging van schuld tot stand moest brengen. In het Nieuwe Verbond schenkt de Heer een wet die van binnenuit, vanuit de innerlijke mens aan het leven richting geeft.” In de Studiebijbel staat iets soortgelijks: “Het eerste grote verschil, waaruit blijkt dat het Nieuwe Verbond van een andere soort is dan het verbond met de vaderen, is gelegen in de wetgeving die bij dit verbond hoort. De uiterlijke wet wordt vervangen door een innerlijke. Bij het Oude Verbond bestond de wet uit geschreven voorschriften (geboden en verboden), bij het Nieuwe Verbond gaat het om wetten van het verstand, d.w.z. dat de afweging van wat in een bepaalde situatie goed of kwaad is, plaatsvindt in het menselijk denken.” Uit deze beide commentaren krijg ik de sterke indruk dat hier niet alleen sprake is van twee verschillende verbonden, maar ook van twee verschillende wetten. Is dat inderdaad het geval?

    Antwoord: Nee, in beide gevallen gaat het om dezelfde wet, de Thora! David Stern schrijft in zijn boek ‘Het Evangelie is Joods’ met betrekking op het misverstand dat er sprake zou zijn van verschillende wetten het volgende: “Het vraagt een onaanvaardbare theologische goochelarij om de conclusie te trekken dat, wanneer G’d de Thora op harten schrijft, Hij daar iets anders van maakt dan de Thora!” Ik vind, dat hij dit heel mooi verwoord heeft. Nee, de Eeuwige heeft daar echt niets anders van gemaakt dan de Thora. Als dat wel zo was, dan zou de profeet Jesaja aan ons moeten uitleggen waarom hij in Yeshayahu [Jesaja] 2:3 geprofeteerd heeft dat in de laatste der dagen de Thora zal uitgaan uit Sion. Elke Shabat wordt deze tekst in de synagoge en in Messiasbelijdende gemeen-ten gezongen: Ki miTziyon tetze Thora uD’var Adonai miY’rushalayim! [Want uit Sion zal de Thora uitgaan en het Woord van Adonai uit Jeruzalem]. Als de Thora niet meer van toepassing zou zijn, dan zou deze profetie nergens op slaan. Neen, de Thora is nog steeds van kracht en de Eeuwige heeft Zijn wetten en geboden door de uitstorting van Ruach haQodesh [de Heilige Geest] in de harten van alle gelovigen geschreven. Hij heeft dit volgens Jeremia 31:33 en Hebreeën 8:10 weliswaar éérst aan Zijn volk Israël beloofd, maar vanaf de overweldigende manifestatie van Zijn tegenwoordigheid op de Pinksterdag is zij eveneens voor de gelovigen uit de volken “niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende G’d, niet op tafelen van Steen, maar op tafelen van vlees in onze harten!” (2 Korinthiërs 3:3). In talrijke teksten zegt de Eeuwige in Zijn Woord, dat Hij Zijn wet, Zijn heilige Thora, met al haar geboden en inzettingen uit liefde niet slechts aan Zijn volk Israël heeft gegeven, maar ook aan de gelovigen uit de volken die door hun geloof in de G’d van Israël en de Messias van Israël geënt zijn op de edele olijfboom: “Éénzelfde wet zal gelden voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling, die in uw midden vertoeft.”  (Sh’mot [Exodus] 12:49). “Wat de Gemeente betreft, éénzelfde inzetting zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling die bij u vertoeft; een altoosdurende inzetting zal het zijn voor uw geslachten: gij en de vreemdeling zullen voor de Eeuwige gelijk zijn. Éénzelfde wet en éénzelfde voorschrift zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling die bij u vertoeft.”  (Bamidbar [Numeri] 15:15-16). Lees ook het hele hoofdstuk Yeshayahu [Jesja] 56, want daar staat precies hetzelfde! Om deze reden schrijft Sha’ul [Paulus] dan ook dat er “geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is de Mashiach” (Kolossenzen 3:11) en: “Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Yeshua haMashiach (Galaten 3:28). Dat wij echter zonder G’ds kracht niet in staat zijn om Zijn wil te volgen en Zijn geboden te onderhouden omdat wij zwakke mensen zijn, weet onze hemelse Vader maar al te goed! Vandaar Zijn belofte, die bij Jeremia 31:33 en Hebreeën 8:10 naadloos aansluit: “Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar Mijn inzettingen wandelt en naarstig Mijn verordeningen onderhoudt.” (Yechez’qel [Ezechiël] 36:27). Sha’ul haakt hierop in als hij in de Romeinen-brief schrijft “Want zij, die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest. Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezind-heid van de Geest is leven en vrede. Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen G’d, want het onderwerpt zich niet aan de Thora van G’d; trouwens, het kan dat ook niet: zij, die in het vlees zijn, kunnen G’d niet behagen. Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest G’ds in u woont!” (Romeinen 8:5-9). Conclusie: Als G’ds Geest in u woont, dan wandelt u naar Zijn inzettingen en onderhoudt u naarstig Zijn verorde-ningen. Doet u dat niet, dan moet u zich ernstig afvragen of G’ds Geest wel in u woont.

    Reacties

    V.d.V op 24-08-2012 19:52

    Hoofdstuk 8, vers 11-12:

    “En niet langer zullen zij een ieder zijn medeburger, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: ‘Ken de Here!’, want allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen. Want Ik zal genadig zijn over hun ongerechtigheden, en hun zonden zal Ik niet meer gedenken.”

    “Volksgenoten zullen elkaar niet meer hoeven te onderwijzen, men zal elkaar niet meer hoeven te zeggen: ‘Ken de Heer!’, want allen zullen ze Mij kennen, van klein tot groot. Ik zal hun wandaden vergeven en aan hun zonden zal Ik niet meer denken.” (Nieuwe Bijbelvertaling).

    “Dan hoeft niemand een ander nog te onderrichten en tegen hem te zeggen wie Ik ben. Want iedereen, van groot tot klein, zal Mij kennen. Ik zal hun overtreding-en vergeven en niet meer denken aan hun zonden.” (Groot Nieuws Bijbel).

    “Niemand zal tegen zijn vriend, broer of buurman hoeven te zeggen: ‘Jij moet de Here ook leren kennen’, want van klein tot groot zal iedereen Mij kennen. Ik zal hun overtredingen vergeven en niet meer aan hun zonden denken.” (Het Boek).

    Vraag: Ik heb een beetje moeite met de volgende uitleg van J.E. van den Brink in zijn commentaar op vers 11: “In het Nieuwe Verbond is er geen sprake meer van wetsverkondiging, geboden of regels, maar alleen van evangelieprediking. Wij verkondigen geen wetten, geboden of inzettingen, maar schuldvergeving door het bloed van Jezus Christus, verlossing en bevrijding, de doop met de Heilige Geest, een groeien en zich ontwikkelen van binnenuit door de kracht en volgens de levenswetten van de Geest, om zo de volmaaktheid te bereiken.” Wat denkt u hiervan?

    Antwoord: Ik ben het er uiteraard niet mee eens dat er in het Nieuwe Verbond geen sprake meer zou zijn van wetsverkondiging, geboden of regels, want dat zou duidelijk in strijd zijn met de bekende uitspraak van Yeshua in de bergrede: “Wie zich aan de geboden houdt en anderen leert hetzelfde te doen, die zal een grote naam hebben in het hemelse koninkrijk!” (Matityahu [Mattheüs] 5:19, Groot Nieuws Bijbel) of in Het Boek: “Wie zich aan G’ds wetten houdt en anderen leert dat ook te doen, zal groot zijn in dat Koninkrijk.” Yeshua herhaalde dit nog een keer vlak voor Zijn hemelvaart als onderdeel van Zijn zendingsopdracht: “Leer hun alles onderhouden wat Ik jullie heb opgedragen!” (Matityahu [Mattheüs] 28:20, Groot Nieuws Bijbel). Conclusie: evangelieprediking sluit de wetsverkondiging niet uit! Dat gaat hand in hand met elkaar. Maar wat wordt er dan wel bedoeld met de passage, dat men niet langer zijn broeder hoeft te leren om de Eeuwige te kennen? Het antwoord op deze vraag vinden wij in het commentaar op dit vers in de Studiebijbel: “Het tweede verschil met het Oude Verbond is gelegen in het kennen van G’d. Vanuit de Hebreeuwse achtergrond van het woord ‘kennen’ moeten we daarbij niet alleen denken aan intellectuele kennis over het bestaan van G’d of het kennen van Zijn wil, maar aan het ‘kennen’ van G’d in de vorm van een relatie. ‘Zij zullen niet meer leren…’ houdt dan ook in, dat het niet meer nodig is elkaar te onderwijzen over het kennen van de Here. Dit tweede verschil hangt nauw samen met het vorige, omdat deze persoonlijke en directe relatie met G’d mogelijk wordt gemaakt door de Heilige Geest. ‘Van de kleinste onder hen tot de grootste onder hen’ geeft aan dat deze directe toegang tot G’d mogelijk is voor allen die tot G’ds volk behoren.”

    Hoofdstuk 8, vers 13:

    “Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning.”

    “Op het moment dat Hij spreekt over een nieuw ver-bond heeft Hij het eerste al als verouderd bestempeld. Welnu, wat verouderd is en versleten, is de teloorgang nabij.” (NBV).

    “Door te spreken van een nieuw verbond, verklaarde Hij het eerste verouderd. En alles wat veroudert en verjaart, zal spoedig verdwijnen.” (Groot Nieuws Bijbel).

    “Als G’d het over een nieuw verbond heeft, wil Hij daarmee zeggen dat de eerste verouderd is. En alles wat oud en versleten is, wordt vroeg of laat afgedankt.” (Het Boek).

    Vraag: Wat wordt bedoeld met Hebreeën 8:13 waar staat dat het Nieuwe Verbond het eerste voor verouderd verklaard heeft? Welk verbond wordt met het eerste verbond bedoeld. Het verbond van de Sinaï? Betekent dat dan ook dat alle ‘wetten’ voor verouderd worden verklaard? En de sabbat, die het teken is van het verbond van de Sinaï? Houdt dat dan ook op? Of betekent het dat dat voor christenen uit de volken niet van toepassing is? Welke betekenis hebben de bepalingen van de Sinaï voor ons als christenen uit de volken? Wij worden toch geënt op de olijfboom Israël?

    Antwoord: Hebreeën 8:13 wil niet zeggen dat het Oude Verbond heeft afgedaan, want door het Nieuwe Verbond werd het verbond van de Sinaï niet opgeheven, maar gewijzigd. Als er een nieuwe versie van Windows op de markt komt, dan wil dat toch ook niet zeggen dat de oude versie volledig opgeheven is, maar dat er slechts sprake is van een verbeterde versie. Ariel Berkowitz trok in zijn boek ‘De Thora’ een vergelijking met de nieuwe maan: “Krijgen we elke maand een splinternieuwe maan, die op dat moment geschapen wordt? Nee! Alleen het uiterlijk van de maan is vernieuwd. Als we dat idee overbrengen naar het woord ‘nieuw’, is het Nieuwe Verbond geen totaal nieuwe overeenkomst. Het is slechts een vernieuwd verbond.” Ik vind, dat Ariel Berkowitz hiermee de spijker op zijn kop geslagen heeft! Verder wil ik erop wijzen, dat het ‘Oude Verbond’ en het ‘Nieuwe Verbond’ binnen het Nederlandse taalge-bruik niet hetzelfde is als het ‘Oude Testament’ en het ‘Nieuwe Testament’. Het is inmiddels ingeburgerd, dat met de term ‘Oude Testament’ de hele verzame-ling boeken van Genesis tot en met Maleachi bedoeld is, dus de hele TeNaCH, en dat men onder de term "Nieuwe Testament" doorgaans de hele verzameling boeken en brieven van Matthéüs tot en met Open-baring verstaat. Het verschil tussen het Oude Verbond, dat op het punt stond om te verdwijnen en het Nieuwe Verbond, waar het in Hebreeën 8:13 over gaat, wordt echter duidelijk als u Exodus 24:8 met Lucas 22:20 vergelijkt. In Sh’mot [Exodus] 24:8 lezen wij: "Toen nam Moshe [Mozes] het bloed en sprengde het op het volk en hij zeide: Zie, het bloed van het Verbond dat de Eeuwige met u sluit, op grond van al deze woorden." In Lucas 22:20 zegt Yeshua [Jezus]: "Deze beker is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed, die voor u vergoten wordt." - U ziet het: het verschil is niet het afschaffen van de wet waarvan G'd gezegd heeft dat het een altoosdurende inzetting is, maar het verschil is het bloed waarmee het verbond bekrachtigd wordt. Daar gaat het om! Het bloed van Yeshua tegenover het bloed van de offerdieren! “Door die offeranden werden de zonden slechts in gedachte-nis gebracht, maar het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen!” (Hebreeën 10:3-4). “Daarom zijn wij krachtens Zijn wil eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Yeshua haMashiach. Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden!” (Hebreeën 10:10 en 14). Men denkt dus vaak ten onrechte dat met de term “Oude Verbond” in Hebreeën 8:13 het hele Oude Testament bedoeld zou zijn, dus inclusief de Thora. Lees daarom Sh’mot [Exodus] 24:7 nog eens. Daar staat: "Hij nam het boek des verbonds en las het voor de oren van het volk..." Het boek des verbonds, enkelvoud dus. De Thora [wet] omvat echter de vijf boeken van Moshe [Mozes], meervoud dus. Moshe deed deze uitspraak in het boek Exodus, dat het tweede bijbelboek is, dat op dat moment nog niet geschreven was. Als Moshe het woord "boek" in enkelvoud gebruikte, dan had hij het logischerwijs over het eerste bijbelboek Bereshit [Genesis], en dat is niet de complete Thora en mag derhalve ook niet als zodanig in verband worden gebracht met Hebreeën 8:13. Daar heeft de schrijver van de Hebreeënbrief het echt alleen maar over het verdwijnen van de tempeldienst met alle dierenoffers, wat uit het hele hoofdstuk blijkt met de verwijzing naar het hogepriesterschap van Yeshua. De Thora blijft echter van kracht omdat zij ons G'ds wil bekend maakt, want hoe zouden wij buiten de wet om moeten weten wat mag en wat niet mag? Zonde is immers dat men de wil van G'd niet doet, dus als men aan G'd ongehoorzaam is. Maar hoe kunnen wij gehoorzamen als wij G'ds wil niet kennen? De bijbel spreekt over een oordeel van G’ds volk in Handelingen 10:42, maar hoe wil G’d ons oordelen zonder wet? Dus moeten wij goed beseffen: Wie denkt vrij te zijn van de wet is wetteloos en wetteloosheid is zonde, want in 1 Joh 3:4 lezen wij: "De zonde is wetteloosheid." Yeshua is niet gekomen om de wet en de profeten te ontbinden, maar te vervullen, dat wil zeggen: te voltooien, om er de volle betekenis aan te geven (Mt 5:17-19)! En Hij was het ook die gezegd heeft dat alléén degenen die de wil van Zijn Vader doen (niet slechts weten!) het Koninkrijk der hemelen mogen binnengaan, en de wil van Zijn Vader heeft Hij aan ons bekend gemaakt via Zijn wet en Zijn geboden! De woorden van der schrijver van de Hebreeënbrief kunnen en mogen nooit en te nimmer in tegenspraak zijn met de woorden van zijn Heer en Heiland Yeshua! En dat is ook hier zeker niet het geval. De brief is aan de Hebreeën gericht, dus aan zijn eigen volk, de Messiasbelijdende Joden en niet aan de gelovigen uit de volken. Laten wij die tekst daarom met Joodse ogen lezen en niet met Griekse! Hij schrijft: “Als Hij spreekt van een Nieuw Verbond, heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning.” Dus nogmaals: Hij had het hier niet over de Thora [wet] maar over het Oude Verbond dat bekrachtigd is met het bloed van dieren terwijl het Nieuwe Verbond bekrachtigd is met het bloed van Yeshua. Niet de Wet was verouderd en stond op het punt om te verdwijnen, maar de priesterdienst van het Oude Verbond met al zijn dierenoffers. Door Zijn offer aan het kruis heeft Yeshua zowel de plaats ingenomen van het paaslam op de Sederavond van Pesach alsook van de zondebok op Yom Kipur. Toen de Hebreeënbrief geschreven werd was de tempeldienst nog in volle gang, maar was niet ver van verdwijning, want slechts korte tijd later werd de tempel verwoest door de Romeinen. Maar de Thora, G’ds heilige Wet, bleef! Ook Handelingen 15 levert geen enkel bewijs voor de bewering dat de gelovigen onder de heidenen zich niet aan G’ds wet zouden hoeven te houden. Integendeel! In Handelingen 15 kwam een soort Messiasbelijdend Sanhedrin bijeen om vast te stellen onder welke voorwaarden nietjood-se gelovigen uit de volken geaccepteerd zouden worden in de toen nog volledig Joodse Gemeente. Zij hoefden niet besneden te worden, daarover is ook Sha’ul heel duidelijk in Galaten 5:2-4. Zij hoefden ook geen Joden te worden, wat onder het Oude Verbond nog wel vereist werd. Maar er werd wel besloten dat deze niet-joodse gelovigen een viertal gedragsregels in acht moesten nemen, die enerzijds het onderscheid met de ongelovige heidenen duidelijk moesten maken, waarvan zij afstand namen (afgoderij en hoererij) en anderzijds aansluiten bij de voor Joden uiterst belangrijke voedselwetten (het verstikte en bloed). Er werd dus besloten dat zij aanvankelijk maar vier halachot zouden moeten naleven en de rest leren ze vanzelf wel als ze elke Shabat naar de sjoel gaan, want in vers 21 van Handelingen 15 lezen wij: “Immers Mozes (dat zijn de vijf boeken van Mozes, dus de Thora!!!) heeft van oudsher in iedere stad, die hem prediken, daar hij elke Shabat in de synagogen wordt voorgelezen.” We moeten beslist niet denken dat de enige vereiste die het Nieuwe Verbond aan de gelovigen uit de volken stelt het gehoorzamen van de bovengenoemde vier geboden is, want er staan honderden geboden uit de Thora ook in het Nieuwe Testament die zowel voor de Joden alsook voor de niet-Joden bedoeld zijn. Ik ben al een tijdje bezig om al deze geboden in een speciale database naast elkaar te plaatsen. De Thora blijft dus ook onder het Nieuwe Verbond van kracht voor alle gelovigen! In Zechar’ya [Zacharia] 8:23 lezen wij als profetie voor de eindtijd: “Zo zegt Adonai Tz’vaot [de Here der heerscharen]: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip [Kanaf in het Hebreeuws, dus : hoek van de Talit] van een Judeese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat G’d met u is!” In de Statenver-taling staat het zo: “Alzo zegt de HEERE der heir-scharen: Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van een Joodse man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat G’d met ulieden is.” Ik vind dit om diverse redenen een hele prachtige, maar vooral ook bemoedigende tekst. Hier is er sprake van het vastgrijpen, ja als het ware zich vastklampen aan de Tzitzit, die ons aan G’ds geboden herinneren, die Hij nooit heeft afgeschaft! Maar hier zijn het juist gelovigen uit de volken, niet-joden dus, die de Tzitzit en daarmee ook de Thora vast grijpen omdat zij “in die dagen” eindelijk tot de erkentenis zullen zijn gekomen, dat zij helemaal niet “vrij zijn van de wet” zoals zij altijd hebben verondersteld, maar dat G’ds heilige wet, de Thora, haar geldigheid nooit heeft verloren. Integendeel! Het maakt voor Hem juist niets uit of je besneden bent of niet, dus of je een Jood bent of een Griek. Elke gelovige moet Zijn geboden houden zoals reeds Sha’ul [Paulus] geschreven heeft in zijn eerste brief aan de Korinthiërs: “Is iemand als besnedene geroepen, hij late zich niet verhelpen en is iemand als onbesnedene geroepen, hij late zich niet besnijden, want besneden zijn betekent niets en onbe-sneden zijn betekent niets, maar wél het houden van G’ds geboden!” (1 Korinthiërs 7:18-19). Hier valt dus de valse leerstelling dat de christenen vrij zijn van de wet en dat de wet alleen maar voor de Joden zou zijn als een kaartenhuis in elkaar, want in Yeshua staan wij allen op gelijke voet met elkaar zoals Sha’ul in het al eerder geciteerde Galaten 3:28 en Romeinen 10:12 heeft geschreven: “Hierbij is er geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk of vrouwelijk: gij allen zijt immers één in de Mashiach Yeshua - “Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek!” Een heiden hoeft dus geen Jood te worden om tot de Gemeente des Heren te mogen behoren, maar de Eeuwige verwacht wel van hem, dat hij zich net als de Jood zal houden aan Zijn geboden. Niet om daarmee de behoudenis te verdienen, maar uit pure dankbaarheid dat hij juist onverdiend zijn behoude-nis heeft mogen ontvangen door G’ds onmetelijke liefde voor Zijn kinderen! Als Sha’ul dus schrijft dat er in de gemeente geen onderscheid is tussen Jood en Griek, dan ligt dit geheel in de lijn met de eveneens al eerder geciteerde instructie die de Eeuwige reeds aan Moshe [Mozes] heeft gegeven: "Wat de gemeente betreft, éénzelfde inzetting zal gelden zowel voor u (Israël) als voor de vreemdeling die bij u vertoeft; een altoosdurende inzetting zal het zijn voor uw geslacht-en: gij (Israël) en de vreemdeling zullen voor de Eeuwige gelijk zijn. Eenzelfde wet en eenzelfde voor-schrift zal gelden zowel voor u (Israël) als voor de vreemdeling die bij u vertoeft!" (Bamidbar [Numeri] 15:15-16). Dit laatste wordt iets verderop, nl. in vers 29-31, nog een keer herhaald: "Eenzelfde wet zal voor u gelden, voor de onder de Israëlieten geborene en voor de vreemdeling, die in uw midden vertoeft!" Maar ook in andere Thora boeken heeft G’d dit aan Moshe [Mozes] opgedragen. Zo lezen wij in Shemot [Exodus] 12:49 aldus: "Eenzelfde wet zal gelden voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling, die in uw midden vertoeft!" In Vayiq'ra [Leviticus] 24:22 zegt HaShem nadrukkelijk dat Hij daarin geen onder-scheid maakt: "Enerlei recht zult gij hebben; de vreemdeling zij gelijk de geboren Israëliet, want Ik ben de Eeuwige, uw G'd!" En wie zijn de vreemdelingen, waarvan de Eeuwige zegt dat zij in het midden van Zijn volk Israël vertoeven? Dat zijn de gelovigen uit de volken, waarvan in B'rit haChadasha gezegd wordt, dat zij nu geen vreemdelingen en bijwoners meer zijn, maar medeburgers en mede-erfgenamen der heiligen en huisgenoten G'ds! G'd maakt geen onderscheid tussen Jood en Griek! Hij zou niet de rechtvaardige G'd zijn die wij kennen, als Hij slechts van de Joodse gelovigen gehoorzaamheid aan Zijn wet zou eisen en tegen de niet-joodse gelovigen zou zeggen dat ze vrij zijn van de wet. Dat zou erop neer-komen dat hier sprake zou zijn van het Nederlandse gezegde: "Voor de één de lasten en voor de ander de lusten!" Maar zo is onze G'd niet! Hij is rechtvaardig en trekt één lijn: wat de één niet mag, mag de ander ook niet en wat Hij van de één verwacht, verwacht Hij ook van de ander! - We gaan terug naar Zacharia 8:23, waarin wij hebben gelezen dat 10 mannen uit volken van allerlei taal de Tzitzit van de Joodse man zullen vastgrijpen. Het nadrukkelijk noemen van de 10 mannen geeft aan dat het hierbij om een Minyan gaat, een halachisch voorschrift voor het minimum aantal mannen om een gemeente te kunnen vormen. De 10 mannen uit de volken van allerlei talen vertegenwoordigen hier dus de Kerk uit de heidenen, die te dien dage zal inzien dat zij terug moet keren naar de Edele Olijfboom Israël, waarvan zij zich zelf in de loop van de kerkgeschiedenis heeft losgesneden. Zij zullen inzien dat zij de Messiasbelijdende Joden nodig hebben om G’ds heilsplan beter te leren begrijpen, want reeds Yeshua zelf heeft gezegd: “Gij aanbidt wat gij niet weet, wij aanbidden wat wij weten, want het heil is uit de Joden!” (Yochanan [Johannes] 4:22). Deze tekst geeft hoop en is een geweldige bemoediging voor ons Messiasbelijdende gelovigen. Nu ervaren wij nog veel verzet en afwijzing vanuit de kerken, maar eens zal een tijd komen dat er een ware éénheid zal komen tussen Jood en Griek: één kudde met één Herder!!! Yeshua heeft de Thora waaraan de Tzitzit ons herinneren, dus niet afgeschaft, maar Hij heeft kritiek geuit op het blindelings bevolgen van de Thora omwille van de Thora, dus op het wetticisme. Yeshua leert ons, dat de Thora er is voor ons eigen bestwil, als gebruiksaanwijzing voor een leefbare maatschappij, die gebaseerd is op een persoonlijke relatie met G’d, de Almachtige, en waarin rekening wordt gehouden met de medemens. Yeshua is dus niet gekomen om de Thora buiten werking te stellen, maar om ons te leren om er bewust mee om te gaan. Daarom heeft Hij alle 613 geboden van de Thora in twee samengevat: "Gij zult de Eeuwige, uw G'd, lief-hebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse Thora en de profeten!" (Matityahu [Mattheüs] 22:37-40). In Romeinen 3:31 wordt radicaal afgerekend met het misverstand dat wij vrij zouden zijn van de wet en bovendien duidelijk gemaakt, dat de Thora zowel voor de Joden alsook voor de heidenen van toepassing is en blijft: "Of is G'd alleen de G'd der Joden? Niet ook der heidenen? Zeker, ook der heidenen. Indien er namelijk één G'd is, die de besnedenen (Joden) rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen (gelovigen uit de volken) door het geloof. Stellen wij dan door het geloof de Thora buiten werking? Volstrekt niet; veleer bevestigen wij de Thora!" Wat hij daarmee bedoelt legt Sha'ul in Romeinen 7:9-12 nog eens uit: "Wat zullen wij dan zeggen? Is de Thora zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de Thora; immers, ook van de begeerlijk-heid zou ik niet geweten hebben, indien de Thora niet zeide: gij zult niet begeren. Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder Thora is de zonde dood. Ik heb eertijds geleefd zonder Thora; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven, en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn; want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood. Zo is dan de Thora heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed!" Natuurlijk zijn wij vrijgekocht door het bloed van Yeshua en gelukkig hoeven we onze behoudenis niet door goede werken en het houden van allerlei wetten en regels zelf te verdienen. Sterker nog: we zouden het niet eens kunnen! Juist daarom is G’d ons daarin tegemoet gekomen en heeft Zijn Zoon op aarde gestuurd om dat te doen wat voor ons onmogelijk is! Door Zijn offer aan het kruis heeft Hij ons waarlijk vrijgemaakt. Maar onze vrijheid in Yeshua wil nog niet zeggen dat wij G'ds Geboden nu maar rustig opzij kunnen schuiven en kunnen doen en laten wat wij willen! Vrijheid, blijheid? Volstrekt niet! Alle tien Geboden (inclusief het Shabatgebod) zijn ook voor ons nog steeds van toepassing! Wat G’d toen opgedragen heeft zal Hij nu niet afkeuren en wat Hij toen verboden heeft, zal Hij nu niet goedkeuren: “Gij zult geen vreemde goden aanbidden, gij zult niet stelen, gij zult niet echtbreken…” enz. heeft Yeshua nooit afgeschaft! En evenmin de Shabat, de Bijbelse feestdagen (op de juiste datum!!!) en de spijswetten. De mensen zijn veranderlijk, maar G’d niet! Hij is en blijft altijd dezelfde en spreekt zichzelf niet tegen! Het is waar: wij staan niet meer onder de wet, maar wij staan ook niet boven de wet! Wie denkt vrij te zijn van de wet is in feite wetteloos! En dat kan nooit G'ds bedoeling zijn. Wij hoeven en mogen beslist niet wettisch te gaan leven want wij leven wel onder de genade, begrijp me goed, maar in al Zijn liefde verwacht onze hemelse Vader nog steeds gehoorzaamheid van Zijn kinderen, zoals elke vader dat doet! Niet uit vrees maar uit liefde! Yeshua heeft het zelf overduidelijk gezegd: "Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij Mijn geboden bewaren!" (Yochanan [Johannes] 14:15). "Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door Mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren!” (Yochanan [Johannes] 14:21). G'd wil niet dat wij krampachtig met de Thora omgaan en wettisch gaan leven zoals ultra-orthodoxe Joden of sommige sekten dat doen. Hij wil gewoon, dat wij ons aan Zijn regels houden, niet meer en niet minder. Hij heeft door het Nieuwe Verbond de Thora niet opgeheven en ongeldig verklaard, maar juist in ons binnenste gelegd: "Zie, de dagen komen, luidt het woord van Adonai, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een Nieuw Verbond sluiten zal. Niet zoals het Verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn Verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik Heer over hen ben, luidt het woord van Adonai. Maar dit is het Verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord van Adonai: Ik zal Mijn Thora in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een G’d zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn!" (Yirm'yahu[Jeremia] 31:31-33) Ziet u nu het verschil? In de kerken wordt geleerd dat wij vrij zijn van de wet en dat wij al die dingen niet meer hoeven te doen, maar G'd zelf zegt: Ik zal Mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven. G'd heeft de wet door het offer van Yeshua niet laten vervallen, maar door Ruach haQodesh [de Heilige Geest] in ons hart gelegd. Aan ons de keuze: aan de ene zijde hebben wij het volmaakte Woord van G’d, dat ons o.a. de rust op de zevende dag, de Shabat, en de Feestdagen des Heren leert en aan de andere zijde de kerkelijke traditie, die de zondag, de eerste dag der week als rustdag vordert en met het heidendom vermengde feestdagen viert. Laten wij dus altijd in het achter-hoofd houden, dat wij G'd meer moeten gehoorzamen dan de mensen (Handelingen 5:29) en: "Kiest dan heden wien gij dienen zult..." (Yehoshua [Jozua] 24:15

    Werner Stauder 

    Commentaar
    Jouw naam/bijnaam
    Website url
    E-mail
    Je Punt profiel
    Hou mij op de hoogte
    Ik wil op de hoogte gehouden worden
    Dit is een verplicht veld
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl