W.E.N. HART VOL VUUR
World-Evangeisation-Network.
    Recente Tweets
    Laatste reacties
    Bijbelstudie over DE GOEDE HERDER - HARO’E HATOV
    Bijbelstudie over
    DE GOEDE HERDER - HARO’E HATOV

    Een van de bekendste uitspraken van Yeshua is Zijn getuigenis: “Ik ben de Goede Herder!” ofwel in het Hebreeuws: Ani Hu haRo’e haTov in ] Yochanan [Johannes] 10:11. Een andere bekende tekst met dezelfde strekking die men overigens vaak in rouw-advertenties ziet, is: “De Heer is mijn Herder”, in het Hebreeuws Adonai Ro’i in Psalm 23:1. In de zang-bundels van bijna iedere denominatie zijn er talrijke liederen te vinden die gebaseerd zijn op deze beide teksten en ook in het refrein van het opwekkingslied nr. 363 komen wij het zinnetje tegen: “Want Hij is onze G’d, die ons leidt als een liefdevolle Herder en wij zijn de schapen van Zijn hand, ja wij zijn de schapen van Zijn hand.” Deze bijbelstudie heeft dus als thema: “De Goede Herder”. Als basis voor deze studie lezen wij Yechez’qel [Ezechiël] 34:1-34. U zult zich misschien afvragen wat het ‘oudtestamentische’ boek Ezechiël met de ‘nieuwtestamentische’ Goede Herder Yeshua te maken heeft. Toch is deze tekst uit de TeNaCH niet zomaar als inleiding op dit onderwerp gekozen, maar doelbewust genomen om de chronolo-gische volgorde te handhaven. Het beeld van de Goede Herder vinden wij namelijk reeds in , Tehilim [Psalmen] 23:1-6, waarin David heeft bevestigd dat de Eeuwige zelf onze Herder is, geheel in overeenstem-ming met ] Yochanan [Johannes] 10:11-21. De profeet Ezechiël had een voorspelling gedaan, de psalmist David heeft dit bevestigd en in ] Yochanan [Johannes] 10 is de voorspelling werkelijkheid geworden in de persoon van Yeshua haMashiach. Hier komt dus duidelijk naar voren dat deze voorspelling na vele eeuwen is uitgekomen. Als wij Yechez’qel [Ezechiël] 34 zo meteen in zijn geheel gaan lezen, dan zien wij dat hier onderscheid gemaakt wordt tussen de goede Herder aan de ene kant en de slechte herders aan de andere, maar ook dat er onderscheid gemaakt wordt tussen de schapen onderling. Laten we beginnen bij de verzen 1 tot en met 10:

    Wee de herders!
    “Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tot hen, tot die herders: zo zegt Adonai haShem: wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden? Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet; zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij. Zij raken verstrooid, omdat er geen herder is, en worden tot voedsel voor al het gedierte des velds; zo raken zij verstrooid. Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel; over de gehele aarde zijn Mijn schapen verstrooid zonder dat er iemand is die naar hen vraagt of ze zoekt. Daarom, gij herders, hoort het woord van de Eeuwige. Zo waar Ik leef, luidt het woord van Adonai haShem, omdat Mijn schapen tot een prooi geworden zijn, omdat Mijn schapen tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte des velds doordat er geen herder is - want Mijn herders vragen niet naar Mijn schapen; de herders weiden zichzelf, maar Mijn schapen weiden zij niet - daarom, gij herders, hoort het woord van de Eeuwige. Zo zegt Adonai haShem: Zie, Ik zàl die herders! Ik eis Mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen. De herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal Mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen.” (Yechez’qel [Ezechiël] 34:1-10). Door de hele Bijbel heen worden de mensen met schapen vergeleken en hun leiders met de herders. Herderschap, goed of fout is vanouds een beeld voor leiderschap. Deze herders echter deugden dikwijls niet omdat zij geen bewogenheid hadden voor hun schapen, maar slechts op hun eigen voor-deel bedacht waren. De Eeuwige zegt dat zij zichzelf gingen weiden in plaats van de kudde. Zwakke dieren hebben zij niet laten aansterken, zieke dieren niet genezen, gewonde dieren niet verbonden, verjaagde dieren niet teruggehaald, verdwaalde dieren niet gezocht, zij hebben de schapen hard en wreed behan-deld. Ook de herders van het volk Israël maakten zich hieraan schuldig, op enkele uitzonderingen na. In de tijd van Ezechiël waren dat de koningen, profeten en priesters. Ezechiel wijst namens de Eeuwige met zijn vinger beschuldigend naar deze herders vanwege de heersende mentaliteit in deze kringen waar corruptie, hebzucht en handelen in eigenbelang deel uitmaakten van hun leven. Hierdoor verwaarloosden de leiders van Israël hun plicht om het volk te dienen zoals een goede herder het betaamt. Zonder leiding breekt de chaos uit. Zonder herders raken de schapen verstrooid naar alle kanten en worden een makkelijke prooi voor de wilde dieren. De schapen dwalen rond op de bergen en hoge heuvels, over het hele land raken ze verspreid en niemand kijkt naar ze om, niemand gaat ze zoeken. Precies dezelfde metafoor vinden wij ook in het visioen van Micha, zoals het zowel in M’lachim alef [1 Koningen] 22:17 alsook in Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 18:16 beschreven staat: “Ik zag geheel Israël op de bergen verstrooid als schapen, die geen herder hebben!” en in Zechar’ya [Zacharia] 10:2-3 zegt de Eeuwige: “De mensen dolen rond als schapen, ontredderd, want een herder is er niet. Woedend ben Ik op de herders, en de bokken zal ik weten te vinden. De Heer van de hemelse machten zal zich ontfermen over het volk van Juda, Zijn kudde!” (NBV). Niet alleen in TeNaCH, [O.T.] maar ook in B’rit haChadasha [N.T.] komen wij dezelfde beeldspraak tegen: “Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben” (Matityahu [Mat-théüs] 9:36) - “En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hun vele dingen te leren.”  (Marcus 6:34). De Eeuwige kan dit niet langer aan-zien! Daarom zegt Hij verontwaardigd: “Wee de herder die niet deugt, die de schapen in de steek laat!”  (Zechar’ya [Zacharia] 11:17). “Ik zal de herders straffen en Mijn schapen van hen terugeisen!” - De Bijbel is tijdloos en natuurlijk is dit ook een duidelijke waarschuwing voor de herders van nu! Ook nu zijn er nog steeds van die herders die alleen maar op de tienden azen, maar hun pastorale taken nauwelijks nakomen. Dus wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon. Ook zijn er van die herders die hun schaapjes wijsmaken dat G’ds wetten en geboden niet meer nageleefd hoeven te worden omdat wij volgens hen vrij zijn van de wet. Over deze herders heeft Yeshua het volgende gezegd: “Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn. Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel!” (Matityahu [Matthéüs] 5:18-19). Er zijn zelfs herders die aan hun schapen vertellen dat Yeshua een goed mens was, een Tzadiq [rechtvaardige], maar meer ook niet. Andere herders, die voorheen wel in Yeshua geloofden, hebben Hem nu afgezworen en zijn de kant van de Joodse ortho-doxie opgegaan. Velen van hun schapen hebben zij op deze doodlopende weg meegesleurd. Ook voor hen geldt: “Wee die herders!” Ook zij zullen hun straf niet ontlopen. De Eeuwige eist Zijn schapen van hen terug en heeft gezegd dat Hijzelf voortaan Zijn kudde zal weiden. Hij is de Goede Herder! Laten we daarom in Ezechiël 34 verdergaan met de verzen 11 tot en met 16:
     
    De Eeuwige zelf is de Goede Herder
    “Want zo zegt Adonai haShem: Zie, Ik zal zélf naar Mijn schapen vragen en naar hen omzien; zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar Mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duist-ernis. Ik zal ze midden uit de volken doen uittrekken, uit de landen bijeenvergaderen en ze naar hun eigen land brengen; Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de beekbeddingen en in alle bewoonde streken van het land. In een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij zich legeren op een goede weideplaats en zullen zij in een vette weide grazen, op de bergen van Israël. Ik zelf zal Mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van Adonai haShem; de verlorene zal Ik zoeken en de afgedwaalde terug-halen; de gewonde zal Ik verbinden en de zieke versterken, maar de vette en krachtige zal Ik verdelgen. Ik zal ze weiden zoals het behoort.” (Yechez’qel [Ezechiël] 34:11-16). Ook de profeet Jesaja schrijft: “Zie, Adonai haShem zal komen met kracht en Zijn arm zal heerschappij oefenen; zie, Zijn loon is bij Hem en Zijn vergelding gaat voor Hem uit. Hij zal als een herder Zijn kudde weiden, in Zijn arm de lammeren vergaderen en ze in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden.” (Yeshayahu [Jesaja] 40:10-11). De Eeuwige zal de slechte herders ontslaan en Hijzelf zal over Zijn schapen waken en voor ze zorgen. Zoals een goede herder bezorgd is voor zijn verdwaalde schapen als de kudde uiteengevallen is, zo zal de Eeuwige naar Zijn schapen op zoek gaan en ze veilig terugbrengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt en Hij zal ze laten grazen op een goede weide, ook hoog in de bergen van Israël zullen ze gras vinden. Daar laat Hij ze nederliggen op prachtige bergweiden met gras in overvloed. De ver-loren schapen zal Hij weer opzoeken, de afgedwaalde haalt Hij terug; gewonde schapen verbind Hij, zieke maakt Hij weer gezond. De Eeuwige zal een Herder zijn die Zijn schapen zal weiden zoals het hoort. Daarom schreef David vol vertrouwen: “De Eeuwige is mijn Herder, mij ontbreekt niets; Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij aan rustige wateren; Hij verkwikt mijn ziel. Hij leidt mij in de rechte sporen om Zijns naams wil. Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij. Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen; Gij zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over. Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven; ik zal in het huis van Adonai verblijven tot in lengte van dagen.”  (Tehilim [Psalmen] 23:1-6).
    Wat een bemoediging, wat een heerlijke geruststel-ling om te mogen weten dat we ons niet bezorgd hoeven te maken en nergens bang voor hoeven te zijn, want we hebben een Goede Herder die voor ons zorgt en over ons waakt! Een absolute voorwaarde is natuurlijk wel dat het schaap er zelf voor kiest om zich onder de hoede van de Herder te stellen, zich bij de kudde te voegen en zich te houden aan de regels van de Herder, gelijk geschreven staat: “Want gij waart dwalende als schapen, maar thans hebt gij u bekeerd tot de Herder en Hoeder van uw zielen.” (1 Petrus 2:25). De Goede Herder is blij met elk ver-dwaald schaap dat Hij op Zijn schouders weer terug mag brengen naar de kooi zoals Yeshua vertelt in de bekende Midrash van het verloren schaap: “Wie van u, die honderd schapen heeft en er één van verliest, laat niet de negenennegentig in de wildernis achter en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het vindt? En als hij het vindt, tilt hij het met blijdschap op zijn schouders, en thuisgekomen, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: Verblijdt u met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was. Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenen-negentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben!” (Lucas 15:4-7). Laat daarom een ieder, die van de ware kudde afgedwaald is, moed vatten, want de Goede Herder zoekt u. Hij is immers gekomen om dat wat verloren was, te redden. Het beeld van de Goede Herder en Zijn schapen symboliseert de verhouding tussen de Eeuwige en Zijn volk, de kinderen van Israël alsmede degenen die zich bij hen hebben aangesloten. De Midrash Shir haShirim Raba 2:16 verklaart: “De Eeuwige is mijn Herder, want er staat geschreven: Herder van Israël, luister naar ons, de nakomelingen van Yosef, u leidt ons als een herder zijn kudde (Tehilim [Psalmen] 80:2, GNB) en ik ben Zijn schaap, zoals er geschreven staat: Jullie zijn Mijn schapen en Ik ben jullie Herder; jullie zijn de mensen voor wie Ik zal zorgen en ik ben jullie G’d! (Yechez’qel [Ezechiël] 34:31)”. Dezelfde Midrash Raba beschrijft de verhouding tussen haShem en de B’nei Yisra’el ook als die van een vader tot zijn zoon, een broer tot zijn zus, een bruidegom tot zijn bruid, een echtgenoot tot zijn echtgenote en een landheer tot zijn wijngaard
    Elk van deze metaforen drukt een ander facet uit van deze verhouding, namelijk de innige band tussen de Eeuwige en Zijn volk Israël, de wederzijdse liefde en genegenheid, zorgzaamheid en bescherming van Zijn kant naar ons toe, en afhankelijkheid, toewijding en gehoorzaamheid van ons naar Hem toe. Al deze elementen vinden wij in de genoemde verhoudingen, maar wat maakt de verhouding tussen een herder en Zijn schapen zo anders? Waarin verschilt het schaap van een kind of een bruid? Welk aspect van onze relatie met de Eeuwige is zo uniek dat het alleen kan worden vergeleken met die tussen een schaap en zijn herder? De meest opvallende karaktertrek van het schaap is zijn meegaande, volgzame aard, zijn gedweeheid, geduld, buigzaamheid, onderwerping en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. Vooral wat dat laatste betreft loopt een vergelijking met een bruid of echtgenote nogal mank. Voor een Oosterse bruid mag dit tot op zekere hoogte wel opgaan, maar voor een westerse vrouw is dit een ander verhaal. Bij een zoon gaat de vergelijking iets meer op, want van een zoon mag men wel verwachten dat hij gehoorzaam is aan zijn vader, maar hij doet dat meer uit respect en omdat hij het gezag van zijn vader erkent. Een schaap daarentegen gehoorzaamt niet om een of andere reden, maar het is gewoon gehoorzaam van nature. Ziet u het verschil? Het is juist dit element in onze relatie tot de Eeuwige die volgens de Midrash Raba het schaap symboliseert: een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan haShem, die niet voortvloeit uit angst of ontzag en ook niet uit onze afhankelijkheid van en liefde voor Hem, maar simpelweg uit de erkenning dat ik Zijn schaap ben. Dat is een kwets-baar dier. Kan niet veel hebben. Een schaap is een toonbeeld van zwakte en hulpeloosheid. Zonder herder is het nergens, zelfs een ram is een makkelijke prooi voor wilde dieren en is daarom geheel afhanke-lijk van zijn herder. Voor het schaap is het van levensbelang om de juiste herder te hebben of beter gezegd: de Goede Herder! In Ezechiël 34 komt het contrast tussen de slechte herders, die alleen maar op hun eigen voordeel bedacht zijn, en de Goede Herder die het welzijn van Zijn schapen als grootste prioriteit ziet, heel duidelijk naar voren. Hij is een echte goede herder, die een en al zorgzaamheid is voor de kudde, die de schapen laat grazen en ervoor waakt dat ze niet te grazen genomen worden door de wilde dieren. In plaats daarvan zet hij juist zijn eigen leven in voor de schapen. De wilde dieren worden met een stok of een slinger weggejaagd en ‘s avonds worden de schapen door hem allemaal weer veilig ter kooi gebracht. Zo'n schaapskooi was in bijbelse tijd-en niet veel meer dan een grot of een kringvormige muur, met een gat als deur, en vaak fungeerde de herder zelf als deur. Omdat er geen echte deuren waren, zat of sliep de herder vaak in de opening, gereed om zijn schapen tegen gevaar van buitenaf te beschermen. Als iemand de schapen wilde stelen moest hij langs de herder, een andere weg was er niet tenzij men goed kon klimmen, en zo beschermde de herder zijn kudde met zijn eigen lijf. Dit is precies datgene wat Yeshua bedoelde toen Hij zei: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen. In dit beeld sprak Yeshua tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak. Yeshua zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed. Ik ben de Goede Herder. De Goede Herder zet Zijn leven in voor zijn schapen; maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen – want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte. Ik ben de Goede Herder en Ik ken de Mijne en de Mijne kennen Mij, gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet Mijn leven in voor de schapen. Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één Herder.” (Yochanan [Johan-nes] 10:1-16). Deze tekst vertelt ons hoe dieven en wolven komen om de schapen te stelen of te vernietigen. Maar de Goede Herder is er om hen te beschermen, van hen te houden en om hen van de vernietiging te redden. Over de identiteit van Zijn schapen laat Yeshua geen enkele twijfel bestaan, want door Zichzelf de Goede Herder te noemen refereerde Hij rechtstreeks aan Ezechiël 34, waaruit ondubbelzinnig blijkt dat Zijn schapen de verstrooide kinderen van Israël zijn, en de andere schapen, die niet van deze stal zijn (Israël), dat zijn de gelovigen uit de volken. Voor alle duidelijkheid wil ik hier even benadrukken, dat deze andere schapen niet in de plaats zijn gekomen van Zijn eigen kudde, m.a.w. de christelijke kerk is niet in de plaats gekomen van Israël als zijnde G’ds volk! Laat er daarover geen misverstand zijn! Yeshua heeft slechts gezegd dat Hij ook hen zal leiden en ook zij zullen naar Zijn stem horen en het zal één kudde worden met één Herder, en dat is slechts mogelijk als de vreemde schapen zich bij de bestaande kudde voegen en niet andersom! En wat vertelde Yeshua de schare? Hij zei: “De schapen luisteren naar de stem van de Herder, Hij roept de schapen die van Hem zijn bij hun naam en leidt ze naar buiten. En als Hij ze allemaal naar buiten heeft gebracht, loopt Hij voor ze uit en zij volgen hem, want zij kennen Zijn stem. Ik ben de Goede Herder. Ik ken Mijn schapen en Mijn schapen kennen Mij!”  (Yocha-nan [Johannes] 10:3-4 en 14, GNB). Hoe groot de kudde ook is, de Herder kent elk schaap. Hij heeft ieder schaap een naam gegeven en roept ze bij hun naam. Zo zorgt ook Yeshua, onze hemelse Herder, voor Zijn kudde, die thans over de gehele wereld verspreid is. Hij kent ons allen bij naam. Hij kent het huis, waarin wij wonen en de naam van al de bewoners. Hij zorgt voor een ieder, want Hij kent ons allen persoonlijk. Hij weet precies wie wij zijn. Hij weet wat wij nodig hebben of wat wij mankeren. Hij kent al onze zorgen en onze problemen. Hij kent ons door en door en Hij wil ons helpen en ons terzijde staan in tijden van nood, ons genezen als wij ziek zijn en ons troosten als wij verdrietig zijn. De schapen die Hem op deze wijze hebben leren kennen zullen Hem volgen waar Hij ook gaat, want zij vertrouwen Hem. Deze schapen herkennen Zijn lieflijke stem. Maar helaas zijn er ook nog andere schapen, die Zijn stem niet herkennen en Hem niet volgen. We gaan daarom verder met de verzen 17 tot en met 22 van Ezechiël hoofdstuk 34, alwaar we zullen zien dat helaas niet alle schapen aan het verwachtingspatroon van de Goede Herder voldoen:

    Reacties

    V.d.V op 03-09-2012 16:28

    De schapen en de bokken

    “En gij, mijn schapen, zo zegt Adonai haShem, zie, Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen de rammen en de bokken. Is het u niet genoeg, dat gij de beste weide afweidt en de rest van de weiden met uw hoeven vertreedt; dat gij het helderste water drinkt en wat overblijft met uw hoeven vertroebelt? Moeten Mijn schapen dan afweiden wat uw hoeven hebben vertreden en drinken wat uw hoeven hebben vertroebeld? Daarom, zo zegt Adonai haShem tegen hen: Zie, Ik ga zélf rechtspreken tussen de vette en de magere schapen; omdat gij al wat zwak is, met flank en schouder wegdringt en met de horens stoot totdat gij ze naar buiten gedreven hebt, zal Ik Mijn schapen verlossen, opdat zij niet langer tot een prooi zijn; Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere.” (Yechez’qel [Ezechiël] 34:17-22). De profeet Ezechiël klaagt in dit hoofdstuk dus niet alleen over het wangedrag van de herders, maar ook over dat van de schapen. Sommigen van hen grazen de beste weiden af en vertrappen met hun hoeven ook nog het gras in de overige weiden. Ze drinken het helderste water en bevuilen daarna met hun poten het water dat overblijft. De andere schapen moeten dan eten wat hun hoeven vertrapt hebben en drinken wat hun poten bevuild hebben. Zij houden geen rekening met een ander en denken alleen aan zichzelf. De sterke schapen verdringen de zwakkere met flank en schouder en stoten ze met hun horens tot ze ze buiten de kudde gewerkt hebben en daarom zal de Eeuwige Zijn schapen te hulp komen. Hij zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen de ram-men en de bokken. Deze rechtspraak zal gehouden worden bij de wederkomst van Yeshua, gelijk geschreven staat: “Wanneer dan Ben haAdam [de Zoon des mensen] komt in Zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon Zijner heerlijkheid. En al de volken zullen voor Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, en Hij zal de schapen zetten aan Zijn rechterhand en de bokken aan Zijn linkerhand. Dan zal de Koning tot hen, die aan Zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af. Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Adoni, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt, en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ziek of in de gevange-nis gezien en zijn tot U gekomen? En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze Mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan. Dan zal Hij ook tot hen, die aan Zijn linkerhand zijn, zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij niet te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij niet gehuisvest, naakt en gij hebt Mij niet gekleed, ziek en in de gevangenis en gij hebt Mij niet bezocht. Dan zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen: Adoni, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of als vreemdeling, of naakt of ziek, of in de gevangenis, en hebben wij U niet gediend? Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze minsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook aan Mij niet gedaan. En dezen zullen heen-gaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.” (Matityahu [Matthéüs] 25:31-46). Yeshua is de goede Herder die Zijn kudde weidt en onderscheiden zal tussen hen, die de Zijne zijn en hen, die het niet zijn, zoals Lavan [Laban] zijn schapen afzonderde van die van Ya’aqov [Jakob] en een weg van drie dagen (!!!) tussen ze stelde (Gen. 30:35-36). Yeshua is de goede Herder en daarom zal Hij bij Zijn komst de volken scheiden zoals een herder ’s avonds de schapen van de bokken scheidt, die de hele dag samen weiden, maar des nachts in afzonderlijke hokken in de stal worden gebracht. Zo zal Hij de schapen tot Zijn rechterhand zetten, want zij zijn lijdzaam, nuttig en zachtmoedig, maar de bokken tot Zijn linkerhand, want zij zijn ruw en koppig! De rechterzijde is immers de plaats van de vrijgesprokenen, de zijde van eerbetoon, zegen en voorspoed (Ez. 10:3, Mc. 16:5, Lc. 1:11, Joh. 21:6, Hebr. 8:1 en 12:2). Zij die aan de rechterzijde staan, de schapen, ontvangen zegeningen en mogen als vrije burgers het Koninkrijk der hemelen binnen gaan. Zij echter, die aan de linkerzijde staan, de bokken, ontvangen de vervloekingen in plaats van de zegen en zij gaan naar het eeuwige vuur, want de linkerzijde is de plaats van de veroordeelden, de kant van onheil en rampspoed. Dit principe komen wij reeds in Qohelet [Prediker] 10:2 tegen: “De geest van de wijze richt zich naar rechts, maar de geest van de dwaas naar links.” De aanklacht wordt hier gericht tegen hen, die zich niet hebben ontfermd over de zwakken, en de Eeuwige noemt deze zwakken ‘Mijn schapen’. Yeshua noemt deze zwakken in Mt.25:40 ‘Mijn minste broeders’. Hij maakt hier de toegang tot Zijn Konink-rijk of de verwijzing naar de vuurpoel afhankelijk van de houding die de volken hebben aangenomen tegen de geringste van Zijn broeders. Daarbij wordt niets gezegd over het geloof, laat staan het christelijk geloof! Ook al noemt Yeshua de schapen hier ‘gezegenden Mijns Vaders’, toch zijn zij beslist geen gelovigen! Het is misschien wel moeilijk te bevatten, toch hebben wij op grond van G’ds Woord te aan-vaarden, dat de Eeuwige blijkbaar ook nog andere maatstaven dan het geloof in Zijn oordeel aanlegt, als het gaat om het behoud van miljarden mensen die Yeshua nooit gekend hebben! Het is duidelijk dat het oordeel hier berust op goede werken, ook al beroepen de rechtvaardigen zich daar juist helemaal niet op en zijn ze zich er zelfs niet van bewust, deze ooit gedaan te hebben ten opzichte van hun Rechter! Hoe moeten wij derhalve de motivering verstaan, die door Yeshua gegeven wordt voor de vrijspraak van de rechtvaar-digen en de veroordeling van de onrechtvaardigen? Zowel de schapen alsook de bokken kijken daar namelijk vreemd van op. Yeshua was toch in de hemel en zij op de aarde en bovendien kenden zij Hem niet eens. Hoe konden zij Hem dan wel of niet hier persoonlijk gediend hebben? Om dit echt te kunnen begrijpen moeten wij eerst een andere belangrijke vraag beantwoorden: wat wordt er precies bedoeld met ‘deze Mijn minste broeders’? Doorgaans wordt er gedacht, dat hier onze naasten, de armen en noodlijd-enden in het algemeen bedoeld zouden zijn. Daar schuilt wel een kern van waarheid in, want liefde tot onze naasten, onze broeders, die het tweede grote gebod is, is immers de vervulling van de Tora [wet] en een voortreffelijke toebereiding voor de wereld der eeuwige liefde! Op werken der barmhartigheid en weldadigheid tegenover onze naaste zal in het laatste oordeel op de “Grote dag des HEREN”, waar ik straks nog nader op in zal gaan, inderdaad meer nadruk worden gelegd dan men gewoonlijk denkt, want een diepe bewogenheid voor de noodlijdende medemens in de ruimste betekenis is het eigenlijke hart van de Messiaanse levenshouding en blijk van de liefdesrelatie met Yeshua, die, ook zonder zich soms daarvan bewust te zijn, een natuurlijk uitvloeisel van de hartsgesteldheid is. Maar hier in dit gedetailleerde verslag van het oordeel over de volken gaat het om iets heel anders. Yeshua heeft het hier helemaal niet over onze naasten! Hij heeft het niet over onze broeders, maar over Zijn broeders, want anders zou Hij gezegd hebben: “…voor zover gij het aan één der minsten van uw broeders hebt gedaan…” - maar dat zei Hij niet! Hij heeft het hier nadrukkelijk over Zijn broeders, maar wie zijn dat? Het antwoord ligt voor de hand: Het is dus duidelijk, dat Yeshua met ‘Mijn broeders’ Zijn volk Israël bedoelt, de Joden, die daad-werkelijk Zijn broeders in het vlees zijn. Maar deze woorden mogen niet worden uitgelegd los van hun context, maar men moet rekening houden met de tijd waarin dit zal worden gezegd. Het is de tijd van de wederkomst van de Mashiach, direct aan het einde van de grote verdrukking! Wij moeten hierbij ook letten op de toevoeging “deze minsten”. In de Griekse grondtekst staat hier het woord “geringsten” (elacistwn elachistōn). Wij kunnen echter ervan uit-gaan dat Matityahu [Matthéüs] zijn Evangelie oorspronkelijk in het Hebreeuws heeft geschreven. Als wij Mt 25:40 dus in het Hebreeuws gaan bekijk-en, dan zegt Yeshua hier niet “deze geringsten”, maar: “deze kleinsten van Mijn broeders”] en ook in vers 45 heeft Hij het over “deze kleinen”. Deze kleine toevoeging aan de woorden “Mijn broeders”, die vaak over het hoofd wordt gezien, is een belangrijke uitleg-sleutel om tot een goed begrip te komen van het oordeel over de volken! In Mt. 10:40-42, waar in het Hebreeuws dezelfde woorden worden gebruikt, zegt Yeshua namelijk, wie met “deze kleinen” precies bedoeld zijn: “Wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft. Wie een profeet ontvangt als profeet, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt als rechtvaardige, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen. En wie één van deze kleinen, omdat hij een discipel is, ook maar een beker koud water te drinken geeft, voorwaar, Ik zeg u, zijn loon zal hem geenszins ontgaan.” Hier wordt uitdrukkelijk gezegd, dat “de kleinen” de discipelen van Yeshua zijn! Als men de context van dit vers betrekt bij de uitleg van Mt. 25:40 en 45, dan zullen de volken dus op de eerste plaats worden geoordeeld naar hun houding tegenover de Joden, maar in het bijzonder ook naar hun goede werken tegenover de Messiasbe-lijdende gelovigen, waartoe ook de gelovigen uit de volken behoren! Hierbij moeten wij wel beseffen, dat deze tekst spreekt over de arme en vervolgde kinder-en van G’d in de tijd van de grote verdrukking, die voortdurend moeten vluchten, schuilen en onderduik-en. Daarom zal het ook werkelijk levensgevaarlijk zijn om deze mensen, die Yeshua “deze kleinsten van Zijn broeders” noemt, te helpen omdat een dergelijke hulp zal worden gezien als solidariteit en met de dood zal worden gestraft, evenals in de Shoa [Holocaust] tijdens de Tweede Wereldoorlog! Velen, die onder gevaar voor hun eigen leven destijds Joden hielpen onderduiken, ontvingen na de oorlog als dank het ereburgerschap van Israël, ook al zijn zijzelf geen Joden. Zo zullen ook zij, die tijdens de grote verdruk-king gelovigen helpen onderduiken, als beloning het eeuwig leven en het burgerschap van het Koninkrijk der hemelen ontvangen, ook al zijn zijzelf niet gelovig. Yeshua identificeert Zich met Zijn arme en noodlijd-ende broeders omdat zij lijden om Zijns naams wil, want zij zijn door Hem gezonden. Het is Yeshua zelf, die tot de wereld komt en tot de mensen spreekt door ‘Zijn broeders’, en daarom wordt het oordeel uitge-sproken op grond van de houding die de mensen via ‘Zijn broeders’ tegenover Yeshua zelf zullen innemen. Belangrijk is dat de ‘schapen’, de rechtvaardigen, zich niet beroepen op deze werken der barmhartig-heid, als zij voor de Zoon des mensen staan. Het is dus niet zo dat men met voorbedachten rade door goede werken de behoudenis kan verdienen, maar deze ‘schapen’ zullen door hun hartsgesteldheid en levens-houding waardig geacht worden, het eeuwige leven te ontvangen. Zo zal er een scheiding plaatsvinden tussen de schapen en de bokken. Met de verzen 23 tot en met 31 sluit Ezechiël zijn hoofdstuk 34 vervolgens af met een heerlijke belofte, heen wijzend naar het Messiaanse Vrederijk:

     

     

    G’d zal één Herder aanstellen: Zijn knecht David!

    “Dan zal Ik één Herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: Mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn. Ik, de Eeuwige, zal hun tot een G’d zijn, en Mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de Eeuwige, heb het gesproken. Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten en het wild gedierte uit het land wegdoen, zodat zij veilig kunnen wonen in de steppe en slapen in de bossen. Ik zal die, ja al wat rondom Mijn heuvel ligt, tot een zegen stellen; Ik zal de regen doen neerdalen op zijn tijd, zegenbrengende regens zullen het zijn; het geboomte des velds zal zijn vrucht geven en het land zijn opbrengst. Veilig zullen zij in hun land leven. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik de stangen van hun juk verbreek en hen bevrijd uit de macht van wie hen knechten. Dan zullen zij de volken niet langer tot een prooi zijn; het wild gedierte der aarde zal ze niet meer verslinden, maar zij zullen veilig wonen, zonder dat iemand hen opschrikt. Ik zal voor hen een plantengroei doen opschieten, waarvan men overal spreekt, zodat niemand in het land meer door honger zal worden weggerukt en zij de smaad der volken niet langer te dragen hebben. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige, hun G’d, met hen ben, en dat zij, het huis Israëls, Mijn volk zijn, luidt het woord van Adonai haShem. Gij toch zijt Mijn schapen, de schapen die Ik weid; gij zijt mensen en Ik ben uw G’d, luidt het woord van Adonai haShem.” (Yechez’qel [Ezechiël] 34:23-31). Ezechiël profeteert hier van een Herder in de toekomst, die G’ds schapen weiden zal, en noemt zelfs diens naam: David! Maar valt u daarbij iets op? Heeft hij het over koning David? David haMelech? Neen! De Eeuwige zegt bij monde van Zijn profeet: “Mijn knecht David”, want natuurlijk kan Ezechiël nooit de historische koning David bedoeld hebben omdat die toen al lang gestorven en begraven was. Maar evenals in andere vergelijkbare teksten is David hier een beeld van de komende Mashiach, Yeshua, de Zoon van David! Hij is enerzijds koning, maar tegelijkertijd ook knecht, want Hij stelt Zich nederig en dienstbaar op als voorbeeld voor ons allen. Yeshua is de Goede Herder die het verloren schaap op Zijn schouders heeft genomen en het veilig thuisbrengt. Gewonde schapen verbindt Hij en zieke schapen geneest Hij! Aan Hem vertrouw ik mij toe, want Hij is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij brengt mij naar groene weiden en laat mij rusten aan vredig water. Daar geeft Hij mij nieuwe kracht en leidt mij langs veilige paden tot eer van Zijn naam. Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar en ben voor geen onheil bang, want Hij is bij mij. Zijn stok en Zijn staf beschermen mij. Bij Hem voel ik mij veilig.
    Verlangt ook u naar veiligheid en geborgenheid? Laat Yeshua dan ook uw Herder zijn, voeg u bij Zijn kudde zodat het schriftwoord ook voor u van toepassing zal zijn: “Eens dwaalde u als een schaap, toch nu bent u teruggekeerd naar Hem die de Herder is, naar Hem die uw ziel behoedt!” (1 Petrus 2:25). Amen!

     

    Werner Stauder

    Commentaar
    Jouw naam/bijnaam
    Website url
    E-mail
    Je Punt profiel
    Hou mij op de hoogte
    Ik wil op de hoogte gehouden worden
    Dit is een verplicht veld
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl