W.E.N. HART VOL VUUR
World-Evangeisation-Network.
    Recente Tweets
    Laatste reacties
    Bijbelstudie over DE HEBREEËNBRIEF HA’IGERET AL-HA’IV’RIM (Deel 3:)
    Bijbelstudie over
    DE HEBREEËNBRIEF
    HA’IGERET AL-HA’IV’RIM
    Deel 3: Hebreeën 9:3-4, 9:10, 10:2-4, 11:10, 11:16 en 11:17-19

    Dit is reeds deel 3 van deze studiereeks over de Hebreeënbrief. De vorige keer heb ik u laten weten, dat ik regelmatig mailtjes krijg met allerlei vragen over Bijbelse onderwerpen, die ik doorgaans via persoonlijke e-mails beantwoord. Een enkele keer is de inhoud van de vraag alsook mijn reactie daarop echter van dien aard, dat ik naar aanleiding daarvan een hele Bijbelstudie aan dat onderwerp besteed, hetgeen ook hier het geval is. Ik kies normaliter nooit zelf naar eigen goeddunken de onderwerpen voor mijn Bijbelstudies die ik op mijn website plaats, maar ik vraag de Eeuwige om een onderwerp op mijn hart te leggen of om mij een teken te geven welk onder-werp ik moet behandelen. Zo een teken kan dus wel eens ook een mailtje zijn of bepaalde gebeurtenissen die betrekking hebben op Israël. In verband met deze studie gaat het om mailtjes uit Zwitserland, België en Nederland met vragen over ogenschijnlijke tegen-strijdigheden in de Hebreeënbrief. Al gauw werd het mij duidelijk, dat dit de basis zou vormen voor een reeks Bijbelstudies over de Hebreeënbrief, waarin ik ook eerdere vragen van andere mensen en mijn ant-woorden daarop zal verwerken, omdat de Hebreeën-brief bij heel wat mensen toch wel wat vraagtekens oproept. De vorige keer behandelden wij de vragen van Belgische en Nederlandse lezers over Hebreeën 8:8-13. Laten we nu gaan kijken welke andere teksten in de Hebreeënbrief bij onze broeder uit Zwitserland zoveel vragen oproepen. Deze teksten zal ik standaard uit de NBG-vertaling citeren, maar er voor de duidelijkheid ook andere vertalingen naast leggen.

    Hebreeën 9:3-4

    "En achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het heilige der heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds, rondom met goud overtrokken, waarin zich bevonden een gouden kruik met het manna, de staf van Aharon [Aäron], die gebloeid had, en de tafelen des verbonds…"

    "Achter het tweede voorhangsel bevindt zich de tent die het allerheiligste genoemd wordt. Daar staan het vergulde reukofferaltaar en de ark van het verbond, die langs alle zijden met goud overtrokken is en waarin zich de vergulde kruik met het manna, Aärons staf die gebloeid heeft en de platen met de verbondstekst bevinden…" (Nieuwe Bijbelvertaling).

    "Achter het tweede voorhangsel was een tent die het allerheiligste werd genoemd. Daar stonden een gouden reukofferaltaar en de ark van het verbond, geheel met goud overtrokken, waarin zich een gouden vaas met het manna, de staf van Aäron die gebloeid had, en de tafelen van het verbond bevonden." (Willibrordvertaling).

    "Achter het tweede gordijn kwam het gedeelte dat men ‘Het Heiligste’ noemde. Daar bevonden zich het gouden reukofferaltaar en de kist van het verbond, die geheel met goud was overtrokken. In de kist waren de gouden kruik met het manna, de staf van Aäron die gebloeid had, en de stenen platen met de tekst van het verbond." (Groot Nieuws Bijbel).

    Vraag: WAAR stond het reukofferaltaar? Ik kom tot deze vraag omdat ik van mening ben, dat in het allerheiligste zich alleen de ark des verbonds bevond en dat daar niet ook nog het gouden reukofferaltaar stond! In Exodus 30:6a lees ik namelijk: "Zet dit reukofferaltaar voor het gordijn, waarachter de ark van het verbond en het verzoendeksel zich bevinden.“ (Het Boek). Hier staat toch duidelijk dat het altaar vóór en de ark àchter het gordijn stonden. Hoe kann de schrijver van de Hebreeënbrief dan beweren, dat ze zich in dezelfde ruimte bevonden? Ik vraag mij dan ook serieus af, hoeveel deze schrijver echt van de Tora afwist?

    Antwoord: Ik ben ervan overtuigd dat de schrijver van de Hebreeënbrief de Tora door en door kende. Zoals de naam al doet vermoeden was de Hebreeën-brief immers niet gericht aan de Christenen uit de heidenen, maar aan de Hebreeën, Messiasbelijdende Joden, van wie wij uiteraard zonder meer mogen veronderstellen dat zij welbekend waren met de Tora. Iedere tegenstrijdigheid daarmee zou derhalve reeds eeuwenlang door Messiasbelijdende Joden ter sprake gebracht en weerlegd zijn, hetgeen niet het geval is. Juist omdat deze brief aan Joodse lezers gericht was heeft de schrijver ervan rekening gehouden met de leerstellingen en de opvattingen van de rabbijnen, die weliswaar niet letterlijk in de TeNaCH terug te vinden zijn, maar wel in de Talmud en andere rabbijnse geschriften.

    Vraag: De beschrijving van het heiligdom en de inrichting daarvan geeft volgens mij veel uitsluitsel bij de vraag wie deze brief zou hebben geschreven. Hier in de Hebreeënbrief vind ik weliswaar met betrekking tot de beide bovenstaande verzen een hele waslijst van tekstverwijzingen, maar geen enkele daarvan gaf mij een aannemelijk antwoord op de vraag waar de schrijver het idee vandaan gehaald heeft dat het reukofferaltaar en de ark des verbonds allebei in dezelfde ruimte gestaan zouden hebben. De vraag zelf is voor mij niet eens zo belangrijk, maar ik kijk uit naar de commentaren hierover. Het KJNT zegt met betrekking hierop heel vaag, dat de beschrijving van deze locatie geen onderscheid zou maken tussen het heilige en het allerheiligste, en aan deze uitleg kan ik slechts tegenoverstellen dat in vers 3 toch uitdrukkelijk over het tweede gordijn gesproken wordt, en dat zich daarachter het heilige der heiligen bevond. Vervolgens worden in vers 4 als interieur daarvan de gouden reukofferaltaar EN de ark des verbonds genoemd. Als de auteur geen verschil tussen het heilige en het allerheiligste gemaakt zou hebben, dan had hij in deze beschrijving ook de kandelaar en de toonbroden moeten noemen? Hij noemde ze wel in Hebreeën 9:2-4, maar los van elkaar, in twee aparte ruimtes, en maakte daarmee dus wel een onderscheid: “Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden; deze werd het heilige genoemd; en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het heilige der heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds...” MacDonald legt uit, dat met het reukofferaltaar het verzoendeksel bedoeld zou zijn, de gouden dekplaat van de ark, en dat de hogepriester daar op Yom Kipur de wierook gebrand zou hebben - hetgeen volgens mij niet over-eenkomt met de logica van het reukofferaltaar, of is er daarvoor wel een bewijs?

    Antwoord: De bewering, dat met het reukofferaltaar het gouden verzoendeksel bedoeld zou zijn en dat de hogepriester daar op de Grote Verzoendag de wier-ook gebrand zou hebben, is natuurlijk pure onzin! Dat staat nergens in de TeNaCH en ook geen enkele rabbijn heeft dit ooit beweerd.

    Vraag: Ja, deze tekst is toch wel erg vaag en ik blijf bij mijn veronderstelling, dat de auteur van de Hebreeënbrief schijnbaar niet echt wist, wat de Tora daar precies over zegt, of zie ik dat verkeerd?

    Antwoord: De auteur van de Hebreeënbrief wist heel goed wat de Tora daarover zegt en dat wordt ons ook duidelijk als we vanuit de Griekse grondtekst nauw-keurig gaan kijken wat hij precies schreef. De Nieuwe Bijbel Vertaling alsook de Willibrordvertaling en de Groot Nieuws Bijbel zetten ons namelijk op een dwaalspoor door in vers 3 expliciet te vermelden, dat het reukofferaltaar in het heilige der heiligen stond, terwijl het Griekse woord ecousa echousa [hebbende] slechts wilde aanduiden, dat het allerheiligste welis-waar een reukofferaltaar had, maar niet dat het daar ook daadwerkelijk stond. De Statenvertaling, maar ook de Lutherbijbel en de NBG-vertaling komen wat dat betreft meer overeen met de oorspronkelijke tekst. Met deze vermelding wilde de schrijver waarschijn-lijk aanduiden, dat het reukofferaltaar eigenlijk naar zijn betekenis bij het allerheiligste hoorde, omdat de wolk van het reukwerk ongehinderd door het voorhangsel drong en het verzoendeksel van de ark des verbonds in het heilige der heiligen bereikte. Zo staat het ook in Vayiq’ra [Leviticus] 16:12-13 beschreven: "En hij zal een pan vol gloeiende kolen van het altaar voor het aangezicht van de Eeuwige nemen en zijn handen vullen met fijngestoten welriekend reukwerk en dat alles brengen binnen het voorhangsel. Dan zal hij het reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht van de Eeuwige, zodat de wolk van het reukwerk het verzoendeksel dat op de getuigenis ligt, bedekt, opdat hij niet sterve." (NBG-vertaling). Dat het reukofferaltaar naar zijn betekenis daadwerkelijk tot het heilige der heiligen behoorde alhoewel het niet daar, maar in het heilige stond, wordt overigens bevestigd door M’lachim alef [1 Koningen] 6:22, waar verteld wordt hoe Sh’lomo [Salomo] de hele tempel met goud overtrok. "Zo overtrok hij het hele huis met goud, totdat heel het huis voltooid was. Verder overtrok hij het hele altaar dat bij het binnenste heiligdom hoorde, met goud." (Herziene Statenvertaling). "Ja, het gehele huis overtrok hij met goud, totdat het gehele huis daarmede bedekt was; ook overtrok hij het gehele altaar dat bij de achterzaal behoorde, met goud." (NBG-vertaling). "Heel de tempel liet hij over de gehele oppervlakte met goud bekleden. Ook heel het altaar dat tot de achterzaal behoorde, liet hij met goud bekleden." (Willibrord-vertaling). Achterzaal was een andere naam voor het allerheiligste, waartoe het altaar volgens deze tekst behoorde. In tegenstelling tot de ark van het verbond kon het reukofferaltaar daar echter om praktische redenen niet staan, omdat het heilige der heiligen slechts één keer per jaar door de hogepriester betreden mocht worden. Daardoor werd de toegang tot het binnenste heiligdom tot één enkele dag in het jaar beperkt en om deze reden kon het reukoffer-altaar helemaal niet in het allerheiligste staan, omdat daarop immers elke dag reukwerk op het vuur gelegd moest worden. Van al deze aspecten was de schrijver van de Hebreeënbrief dus zeer zeker op de hoogte bij zijn beschrijving van het heiligdom.

    Hebreeën 9:10

    "…daar zij met hun spijzen en dranken en onder-scheiden wassingen slechts bepalingen voor het vlees zijn, opgelegd tot de tijd van het herstel."

    "Het gaat alleen om voedsel, drank en rituele wassing-en, om bepalingen over uiterlijkheden die slechts gelden tot aan de nieuwe orde." (Nieuwe Bijbelvertaling).

    "Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen des vleses, tot op den tijd der verbetering opgelegd."  (Statenvertaling).

    "Het gaat er om spijzen, dranken en allerlei rituele reinigingen, om uiterlijke voorschriften die slechts gelden tot de tijd dat G’d alles herstelt." (Groot Nieuws Bijbel).

    Vraag: Slechts één verwijzingstekst in de Galaten-brief zou een indicatie kunnen geven van wat er bedoeld wordt met deze "nieuwe orde" - die blijkbaar een betere godsdienst is?! Daar lees ik: "Maar hij staat onder voogdij en toezicht tot op het tijdstip, dat door zijn vader tevoren bepaald was." (Galaten 4:2) Te bedenken is hier, dat het ook weer een Paulus is en bij Galaten 4:2 staat er verder geen tekstverwijzing. Toch heb ik de directe omgeving van deze tekst afgezocht en ik kom tot de conclusie dat wat Galaten 4 ons hier wil zeggen, is dat met Jezus iets beters kwam. Wat ik denk uit de bovenstaande verwijstekst te begrijpen, is ongeveer dit, dat de tijd van de voogden en de toezichthouders vóór de Messias was. In Galaten 4:4 staat dan ook: "Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft G’d Zijn Zoon uitgezond-en…" en de parallele passage in de tekstverwijzing luidt als volgt: "De tijd is vervuld en het Koninkrijk G’ds is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evange-lie!" (Marcus 1:15). Marcus wijst er inderdaad op dat er een tijd moest komen dat met de Messias G’ds koninkrijk nabijgekomen zou zijn - maar dat wil nog niet zeggen dat deze nieuwe tijd een oude moest vervangen. Dat was echter mijn vraag op deze tekst hier in Hebreeën 9:10, waaruit het bewijs zou blijken dat de g’dsdienst naar de inzettingen beperkt zou zijn tot een zekere tijd? Of anders gevraagd: waar is het bewijs dat er een nieuwe orde in de g’dsdienst zou moeten komen die de oude orde zou vervangen? Eerlijk gezegd, zie ik daarvoor geen bewijs...

    Antwoord: De godsdienst had weliswaar naar de in-zettingen geen tijdslimiet, maar wel in G’ds heilsplan door Yeshua haMashiach. Met de verwoesting van de tempel kwam dan definitief een (voorlopig) einde aan het levitische priesterschap. Pas na de toekomstige herbouw van de tempel op initiatief van de Antichrist zal de offerdienst in de tempel tijdelijk worden hervat. Wat de in vers 10 genoemde voorschriften betreft, die slechts waren opgelegd tot de tijd van de verbetering, daar is beslist niet de hele Tora mee bedoeld, zoals sommige theologen ons willen doen geloven, maar slechts de regelgeving met betrekking tot het priester-ambt. Met de in hetzelfde vers genoemde regelgeving met betrekking tot eten en drinken kunnen derhalve ook niet de Bijbelse spijswetten voor alle gelovigen bedoeld zijn, omdat in de spijswetten helemaal over dranken gesproken wordt, maar slechts over het eten van vlees. Nee, de spijswetten blijven ongewijzigd, want als het eten van varkensvlees toen een gruwel in de ogen des Heren is geweest, dan is het dat vandaag de dag ook nog! Wat destijds treife was kan vandaag niet kosher zijn! Nee, met de voorschriften die betrekking hadden tot eten en drinken zijn hier in vers 10 slechts de bijzondere bepalingen voor de nazireeërs (Numeri 6:3) en priesters (Leviticus 10:9) bedoeld. Hetzelfde geldt ook voor de genoemde ceremoniële wassingen, die een priester moest verrichten voordat hij in het heiligdom binnen mocht, hetgeen dus geen betrekking had op o.a. het Mikwe van een bruid voor haar bruiloft.

    Hebreeën 10:2-4

    "Immers, zou anders het offeren daarvan niet opge-houden zijn, doordat degenen, die de dienst verrichten, na eenmaal gereinigd te zijn, generlei besef van zonden meer hadden? Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in gedachtenis gebracht; want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen."

    "Anders zouden die offers allang niet meer gebracht worden; degenen die aan de dienst deelnemen, zouden immers als ze eenmaal gereinigd zijn geen enkel zondebesef meer hebben. Het tegendeel is echter waar: elk jaar worden met dezelfde offers de zonden weer in herinnering geroepen; bloed van stieren en bokken kan mensen onmogelijk van hun zonden bevrijden."  (Nieuwe Bijbelvertaling).

    "Anders zou men met het brengen van offers wel opge-houden zijn. Want de deelnemers aan de offerdienst zouden zich na één keer voorgoed gereinigd weten en vrij van zonden. Maar die offers dienen juist om het volk ieder jaar opnieuw te herinneren aan hun zonden. Want het bloed van stieren en bokken kan onmogelijk zonden wegnemen." (Willibrordvertaling).

    "Anders had men die offerdienst wel gestaakt; de offe-raars zouden zich immers bevrijd weten van schuldge-voel als ze eens en voorgoed gereinigd waren. Maar deze offers moeten juist ieder jaar opnieuw de gedachte aan de zonden levendig houden; het is ook uitgesloten dat het bloed van stieren en bokken zonden zou wegnemen." (Groot Nieuws Bijbel).

    Vraag: Wat mij bij het lezen van vers 3 te binnen schoot was de volgende vraag: Het is mij duidelijk dat de offeraars op de jaarlijkse Verzoendag aan hun zonden herinnerd worden, want dat was uiteraard ook de bedoeling van deze gedenkdag. Maar welke zonden moeten in gedachtenis gebracht worden? Alle zonden die zich in de loop van het jaar hadden opge-hoopt - dat kunnen een heleboel zijn, maar werden daarmee niet ook de zonden van alle voorafgaande jaren in herinnering geroepen? Deze waren hen door het offerritueel en het wegzenden van de zondebok weliswaar vergeven, want daarvoor diende immers dit ritueel, maar desondanks blijf ik met de vraag zitten wat het verschil is tussen vergeven en wegnemen van de zonden.

    Antwoord: Het bijbelse Hebreeuws onderscheidt drie verschillende woorden voor zonde: Pesha [rebellie] is de weigering om G’d en Zijn Woord te erkennen: voor deze zondaar bestaan er geen normen van goed en kwaad. Avon is een kronkel in karakter en gedrag. De meest gebruikte en zwakste term voor zonde is Chet: het niet opzettelijk zondigen. Inzicht in de bovengenoemde aard van de overtreding is de eerste stap naar inkeer en berouw, T’shuva. Wat is dus zonde in de ruimste zin van het woord? Als men doet wat G’d verboden heeft of juist niet doet wat Hij opgedragen heeft te doen, dus met andere woorden: zonde is ongehoorzaamheid tegenover de Eeuwige en Zijn geboden. De bedoeling van het offerritueel op de jaarlijkse Verzoendag was niet alleen het in herinnering brengen van de zonden en het bidden om vergeving daarvoor, maar ook de bewustwording van wat zonde überhaupt is en oprechte spijt dat men zich daaraan schuldig gemaakt heeft. Met het bloed van de stieren en bokken werden de zonden inderdaad in gedachtenis gebracht en ook vergeven, maar niet weggenomen! In die zin klopt het inderdaad wat daar in vers 4 staat.

    Vraag: Vandaag de dag is het toch eigenlijk nog steeds hetzelfde, of het nu de rooms-katholiek is, die met al zijn zonden naar de biechtstoel rent, of de pinksterchristen, die al zijn zonden aan de Here Jezus belijdt. Als hij zijn zonden erkent, dan worden zijn zonden hem uiteraard ook in herinnering gebracht. Hebreeën 10:3 geeft echter op een verwijtende toon aan, dat met de offers een herinnering aan de zonden plaatsgevonden had, maar in de omringende verzen wordt tussen de regels door gesuggereerd, dat er sinds de verzoening door Jezus aan het kruis geen zondebesef meer is, en een herinnering aan die zonden daarom ook niet meer nodig zou zijn. Is dat niet in tegenspraak met elkaar?

    Antwoord: Dat laatste klopt niet. In vers 3 en in de omliggende verzen wordt op geen enkele wijze gesug-gereerd, dat er sinds de verzoening door Yeshua aan het kruis geen zondebesef meer zou zijn. Dat zou in directe tegenspraak zijn met de rest van het Nieuwe Testament. In Yochanan alef [1 Johannes] 1:8-2:2) lezen wij toch heel duidelijk: “Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijd-en, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtig-heid. Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en Zijn woord is in ons niet. Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Yeshua haMas-hiach, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld.” (NBG-vertaling). Het kan nooit de bedoeling zijn geweest van de auteur van de Hebreeënbrief om Yochanan [Johannes] tegen te spreken in zo'n belangrijke zaak. Nee, wat hij duide-lijk wilde maken aan zijn lezers was dat ze zich ervan bewust moesten zijn dat niet het bloed van stieren en bokken, maar alleen het bloed van Yeshua de zonden kan wegnemen, waarvan ook Yochanan haMat’bil [Johannes de Doper] getuigd heeft toen hij zei: "Zie, het Lam G’ds, dat de zonde der wereld wegneemt!"  (Yochanan [Johannes] 1:29).

    Vraag: Dat begrijp ik wel, maar waarvoor eiste G’d dan de offers, als hun bloed de zonden toch niet kon wegnemen (vergeven)?

    Antwoord: Vergeven is niet hetzelfde als wegnemen. Vergeving is de kwijtschelding van straf, waarmee de mogelijkheid wordt geboden tot verbetering en goed-maken. Het verschil tussen beiden komt heel duide-lijk naar voren in de geestelijke betekenis van de beide feesten Pesach en Yom Kipur. Pesach is het feest waarop wij herdenken dat het bloed van ons Pesach-lam Yeshua voor ons de bevrijding uit de slavernij van de zonde gebracht heeft. Pesach bracht ons de vergeving van onze zonden. Yom Kipur daarentegen is het feest waarop wij gedenken dat het bloed van het zondoffer achter het voorhangsel in het Heilige der Heiligen werd gebracht en éénmaal op en zevenmaal vóór de Ark des Verbonds werd gesprenkeld. Dat gebeurde op Yom Kipur, en daarom kan het ook geen toeval zijn, dat het voorhangsel van de heilige arke in de synagoge Kaporet heet, terwijl de Hebreeuwse naam voor het voorhangsel in de tempel Parochet luidde. Het woord voor “verzoening”, Kapara, dat niet minder dan acht en veertig keer voorkomt alleen al in het boek Leviticus, draagt tevens de betekenis van bedekking en bescherming in zich, zoals ook het woord Kiper zowel “verzoenen” alsook “bedekken” betekent. De link tussen verzoening en bedekking vinden wij overigens ook terug in het bekende gezeg-de: “Zand erover!” als men zich met elkaar verzoend heeft. Het bloed van de bok, dat de verzoening voor het volk Israël bracht, bedekte de Ark en het bloed van Yeshua bedekt al onze zonden en heeft voor ons de weg vrij gemaakt om het hemelse heiligdom binnen te mogen gaan! Het bloed van de offerdieren was dus niet zonder reden gevloeid, ook al kon het onze zonden niet wegnemen. Het moest ons duidelijk maken dat vergeving niet mogelijk is zonder bloed en wij moeten ons er goed van bewust zijn dat een onschuldig dier moest lijden en sterven voor onze zonden. Dit gruwelijke feit moest ons daarom afschrikken om te blijven zondigen, wat helaas meestal mislukte. De uiteindelijke bevrijding en verzoening werd derhalve pas met het bloed van het Lam G’ds mogelijk gemaakt.

    Vraag: “Waarmede zal ik de Eeuwige tegemoet treden en mij buigen voor G’d in de hoge? Zal ik Hem tege-moet treden met brandofferen, met eenjarige kalveren? Zal de Eeuwige welgevallen hebben aan duizenden rammen, aan tienduizenden oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn schoot voor de zonde mijner ziel?”  (Micha 6:6-7). Heel oppervlakkig gezien zou hier het offeren met het bloed van dieren niet het gevoel geven dat het de zonden vergeven of ongedaan zou kunnen maken, maar moet ik deze tekst uit Micha 6 dan zien als een bevestiging voor deze gedachte?

    Antwoord: Het offeren met het bloed van dieren kan de zonden inderdaad niet ongedaan maken en dient op de eerste plaats voornamelijk het doel om ons de zonden in herinnering te brengen. Sha’ul [Paulus] schrijft in Romeinen 3:20 dat door de Wet, waartoe ook het offeren van dieren behoort, ons de zonde doet kennen. En in Romeinen 7:7 schrijft hij, dat we zonder de Wet niet eens zouden weten wat zonde is. De Wet en daarmee dus ook het bloed van de offer-dieren kan weliswaar de zonde niet wegnemen en ook niet ongedaan maken, maar het bewerkt in ons geweten wel een sterk verlangen naar vergeving en verzoening met G’d.

    Vraag: Toch lees ik dan in Micha 6 slechts één vers verder, dan krijgt de voorgaande tekst een diepere betekenis: “Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de Eeuwige van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw G’d!” Als ik dit lees, vraag ik mij meteen af: wat wil G’d? Wil Hij, dat wij onze schuld bekennen en spijt betonen? Dat gebeurde immers door het offeren van de dieren. Of wil Hij, dat wij Hem gehoorzamen? Ik denk, dat het ene het andere niet uitsluit. G’d wil zeker allebei, maar op de eerste plaats wil Hij dat wij doen wat Hij van ons vraagt en naar Zijn wil leven. Doen wij dat niet, dan zondigen wij en om van deze schuld af te komen biedt G’d ons de mogelijkheid om berouw te tonen. Welnu, wat ik meen in de Tora daarover gelezen te hebben, was, dat dit berouw betonen in de tijd van Mozes gebeurde door het offeren van dieren. Later, toen de offerplaatsen hebben opgehouden te bestaan, hebben de Joden naar oplossingen voor dit dilemma gezocht en één daarvan was dat zij zelf bepaalde rituelen vergeestelijkt hebben. Dat wil zeggen, dat zij zelf het bloedige dierenoffer hebben omgezet in het geestelijke gebed. (Deze leer wordt onderwezen in het Tora-commentaar van J.H. Hertz).

    Antwoord: Dat klopt helemaal! Zo is het Shacharit [ochtendgebed], Min’cha [middagsgebed] en Ar’vit [avondgebed] in de plaats van de drie dagelijkse offers gekomen, want de profeet Hosea heeft reeds gezegd: “Komt met woorden van schuldbelijdenis, bekeert u tot de Eeuwige, zegt tot Hem: Vergeef de ongerechtigheid geheel en al, en wees genadig; wij bieden als offerstieren de belijdenis onzer lippen.”  (Hoshea [Hosea] 14:3, Masoretische Tekst, NBG-vertaling vers 2).

    Vraag: Wat wil Hebreeën 10 ons hier eigenlijk precies zeggen? Als ik de omringende verzen lees, dan krijg ik de indruk, dat het niet zo zeer om de offers zelf gaat, maar wat men daarmee hoopte te bereiken. Men dacht waarschijnlijk, dat men zich met de offerituelen zelf een vergeving kon bewerken en dat grenst dan toch wel aan de werkgerechtigheid. Maar dan zit ik meteen opnieuw met de vraag: waarom heeft G’d deze offerrituelen opgedragen, als deze de zondaars toch niet van hun schuld konden bevrijden? Daarmee staat dan echter wel het gehele bloedige offerstelsel ter discussie, dat G’d via Mozes geboden heeft...

    Antwoord: De Tora is er heel duidelijk over, dat onze zonden slechts met bloed kunnen worden verzoend: de kleinere zonden met het bloed van offerdieren en de grote zonden met het bloed van de zondaar zelf, want daarop stond namelijk de doodstraf. Deze doodstraf heeft Yeshua echter plaatsvervangend op Zich heeft genomen, en als een offerlam werd Hij geslacht voor onze overtredingen. Daarmee zijn derhalve al onze zonden, de grote en de kleine, verzoend door Zijn bloed.

    Hebreeën 11:10 en 16

    "…want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan G’d de ontwerper en bouwmeester is. - Maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt G’d Zich voor hen niet hun G’d te heten, want Hij had hun een stad bereid."

    "…omdat hij uitzag naar een stad met fundamenten, door G’d zelf ontworpen en gebouwd. - Nee, ze keken reikhalzend uit naar een beter vaderland: het hemelse. Daarom schaamt G’d zich er niet voor hun G’d genoemd te worden en heeft Hij voor hen een stad gereedgemaakt." (Nieuwe Bijbelvertaling).

    "…want hij zag uit naar de stad met fundamenten, waarvan G’d de ontwerper en bouwer is. -Maar hun verlangen ging uit naar een beter vaderland, het hemelse. Daarom schaamt G’d zich niet om hun G’d genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad gebouwd." (Willibrordvertaling).

    "…want hij zag uit naar de stad met de hechte fundamenten, de stad waarvan G’d de ontwerper en de bouwmeester is. - Maar ze verlangden naar een beter vaderland, het hemelse. Daarom schaamt G’d zich niet hun G’d genoemd te worden; voor hen heeft Hij immers een stad gebouwd." (Groot Nieuws Bijbel).

    Vraag: Heeft Abraham daadwerkelijk een stad verwacht, die door G’d zelf gebouwd zou worden of is met deze stad in vers 10 de hemel bedoeld? En zo ja, verwachten dan niet alle gelovigen deze stad?

    Antwoord: Met deze stad is zeer zeker het hemelse Jeruzalem bedoeld, waarover ook gesproken wordt in Galati’im [Galaten] 4:26 alook Chizayon [Openba-ring] 3:12, 21:2 en 22:14. Ook de profeten Jesaja en Zacharia hebben reeds een nieuw Jeruzalem voor-speld, waarvan de omschrijving overeenkomt met die van Openbaring: Yeshayahu [Jesaja] 54:11-13 en Zechar’ya [Zacharia] 2:5-9. Dat de stad, wiens bouw-meester en architect de Eeuwige zelf is, eeuwige grondstenen als hechte fundamenten heeft wijst naar vastigheid, duurzaamheid en veiligheid in tegenstelling tot de tenten die slechts kortstondig gebruikt werden en geen bescherming boden. Natuurlijk is deze stad het doel van alle gelovigen, maar Av’raham [Abraham] was de eerste en hem moeten wij daarin als voorbeeld zien. Daarom wordt hij hier met name genoemd.

    Vraag: Ik heb het hele tekstgedeelte Hebreeën 11:8-16 doorgelezen en wat ik meen daaruit te begrijpen is, dat met deze stad daadwerkelijk de hemel bedoeld is, respectievelijk ons geestelijk en eeuwig thuis bij G’d. Maar is het niet een beetje misleidend hoe hier geloofsgetuigen worden genoemd, die schijnbaar hier op aarde op een beter thuis gehoopt hadden? Uit vers 16 blijkt immers duidelijk, dat dit nieuwe vaderland slechts het hemelse koninkrijk kan zijn. Toch heeft niet alleen Abraham daarna verlangd, maar ook het merendeel van alle gelovigen, of het nu Joden waren of later ook de gelovigen uit de volken?

    Antwoord: Zoals gezegd: Av’raham [Abraham] werd ons in deze verzen ten voorbeeld gesteld dat we in verband met deze verwachting zouden moeten volgen en daarom heeft logischerwijs niet alleen hij naar dit hemelse vaderland verlangd, maar ook alle gelovige Joden en gelovigen uit de volken na hem. Ik vind dit tekstgedeelte dus helemaal niet misleidend.

    Vraag: Maar wat "geloofde" Abraham? Of in de woorden van Het Boek, waarop "vertrouwde" Abraham? Hij vertrouwde op G’d en dat Hij Zijn belofte aan hem en zijn nakomelingen zou vervullen. Dit werd al vervuld met Israël, als natie en als land, maar Abraham vertrouwde op nog meer “ongeloof-waardige” dingen, die G’d hem beloofd had en waarvan hij de vervulling zelfs noch tijdens zijn leven mocht ervaren. Bijvoorbeeld, dat hij als 99-jarige nog vader mocht worden! En dat zijn vrouw, die daarvoor haar hele leven lang als onvruchtbaar bekend stond en nu zelf al 89 jaar oud was, de moeder van deze beloofde zoon mocht worden... Dat is het soort "geloof", of "vertrouwen", dat Abraham toen reeds had en dat met het onze in bijbelse zin zeker vergelijkbaar is – ook wij geloven nu in dingen, die menselijkerwijs onmogelijk, onwaarschijnlijk, en wetenschappelijk gezien zelfs onmogelijk zijn. In de Joodse "Zunz-Hertz"-vertaling vond ik in dit verband een zeer treffende passage, waarin dit geloof heel mooi wordt omschreven: Genesis 15:6 "En hij ver-trouwde op de Eeuwige, en Hij rekende het hem toe als vroomheid." Vertrouwde = Abraham had geen kinderen en toch geloofde hij in G’ds belofte, dat zijn nakomelingen ontelbaar zullen zijn, als de sterren des hemels. Zo was hij bereid, de door G’d bepaalde tijd te verwachten, zonder aan G’ds waarheid te twijfel-en. Dat is namelijk het kenmerk van het ware geloof: vast vertrouwen op G’d ondanks diepe duisternis en alle teleurstelling en ook ondanks het feit, dat alle omstandigheden in de tegenovergestelde richting lijken te wijzen. “Het ware geloof ontdekt dwars door de mist van het heden de zonneschijn van de toekomst en herkent in de akelige strijd van de wereld de sporen van de Eeuwige Geest, die haar een eindeloze harmo-nie tegemoet leidt.” (Kalisch). Hij rekende het hem toe als vroomheid = “Hij rekende zijn vertrouwen toe als ware religie” (Moffat). Als de mens zich vol vertrouwen aan de liefhebbende wil en de wijsheid van G’d overgeeft, dan is dit, als fundament van ware religie, het zekere bewijs van het geloof. Een derge-lijke geestelijke trouw is een geweldige spirituele deugd, die daar, waar onrecht heerst, niet gevonden wordt. De joodse tekst van Leopold Zunz hier, met het commentaar van J.H.Hertz zegt heel mooi, wat het ware geloof is en evenzo vindt zich hier een veel treffender woord voor de "gerechtigheid", zoals vaak in het NT te vinden is. Onder vroomheid kan ik mij wel iets meer voorstellen dan onder gerechtigheid…

    Antwoord: Het bovengenoemde klopt precies en kan ik alleen maar bevestigen. Volgens mij heeft u daar-mee zelf uw eigen vraag uitstekend beantwoord. Ik kan daar niets meer aan toe voegen.

    Hebreeën 11:17-19

    "Door het geloof heeft Av’raham [Abraham], toen hij verzocht werd, Isaak ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren, hij, tot wie gezegd was: Door Yitz’chaq [Isaak] zal men van nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen, dat G’d bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken, en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken teruggekregen."

    "Door zijn geloof kon Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaak als offer opdragen. Hij die de beloften had ontvangen, was bereid zijn enige zoon te offeren. Terwijl er tegen hem gezegd was: ‘Alleen door Isaak zul je nageslacht krijgen,’ zei hij bij zichzelf dat het voor G’d mogelijk moest zijn iemand uit de dood op te wekken, en daarom kreeg hij hem ook terug, bij wijze van voorafbeelding." (Nieuwe Bijbelvertaling).

    "Door het geloof heeft Abraham, toen hij op de proef gesteld werd, Isaak ten offer gebracht. Hij stond op het punt om zijn enige zoon te offeren, en dat terwijl hij de beloften had ontvangen en tegen hem gezegd was: Zij die van Isaak afstammen, zullen gelden als uw nageslacht. Want hij was ervan overtuigd dat G’d zelfs de macht heeft om doden tot leven te wekken; daarom heeft hij zijn zoon ook teruggekregen, bij wijze van voorafbeelding." (Willibrordvertaling).

    "Door zijn geloof heeft Abraham, toen G’d hem op de proef stelde, Isaak als een offer aangeboden. Ondanks de belofte van een nageslacht offerde hij zijn enige zoon. G’d had tegen hem gezegd: Alleen nakomelingen van Isaak zal men als uw nageslacht beschouwen. Maar Abraham overwoog dat G’d de macht bezat Isaak uit de dood op te wekken, en hij heeft hem, bij wijze van spreken, ook uit de dood teruggekregen." (Groot Nieuws Bijbel).

    Vraag: Heeft Abraham echt verwacht, dat G’d Isaak uit de doden zou opwekken, nadat hij hem geofferd zou hebben?

    Antwoord: Daar moeten we wel van uitgaan, want anders zou de auteur van de Hebreeënbrief het zeer zeker niet vermeld hebben.

    Vraag: Ik heb er wel moeite mee, vooral met het feit, dat Abraham gehoor gaf aan G’ds wens, aan Hem zijn enige en geliefde zoon te offeren – over wie hij toch de voorspelling ontving, dat hij eens de drager van de belofte zou zijn? Ja, wat zou op dat moment in Abraham omgegaan zijn? Klom hij met zijn zoon deze berg op, omdat hij ermee gerekend heeft, weer samen met hem levend terug te komen? Dat hij daarin gelooft heeft of het in elk geval gehoopt heeft, blijkt ook uit zijn uitspraak tegenover zijn knechten, dat hij na het offeren met zijn zoon terug zou komen! Hoe ziet u dat?

    Antwoord: Ik ben het helemaal met u eens. Welke andere reden zou Av’raham gehad moeten hebben om tegen zijn knechten te zeggen dat hij samen met de jongen terug zou komen? Hij had hun toch ook net zo goed zonder verdere uitleg gewoon kunnen opdragen om te wachten.

    Vraag: Ik moet eerlijk zeggen dat deze tekst een echte uitdaging voor mij is en ik er veel over heb nagedacht, hoe Abraham zomaar in staat was deze opdracht van G’d uit te voeren? Deze opdracht - of bevel - hield toch in, dat hij aan Hem zijn zoon moest offeren! En toen hij daar lag op de houtstapel, trok hij ook nog het mes om hem daadwerkelijk te doden. Het is duidelijk dat G’d echt het leven van Isaak van hem opeiste. Dat het anders gekomen is, mag gelukkig de opluchting van Abraham beschrijven, toen de engel G’ds hem tegenhield om te slachten. Maar nu terug naar de vraag of Abraham op dat moment al verwacht had, dat G’d zijn zoon weer levend zou maken - valt dit idee uit het bijbelse verhaal daarover op te maken?

    Antwoord: Nee, dit idee blijkt niet letterlijk uit het bijbelse verhaal, maar omdat daar zo vaak op zijn rotsvaste vertrouwen en zijn sterke geloof wordt gewezen is het zonder meer denkbaar, dat Av’raham zijn verwachting dat de Eeuwige in staat is om zelfs doden weer op te wekken steunde op diens zelfge-tuigenis in B’reshit [Genesis] 17:1, waar geschreven staat: “Toen Av’ram negenennegentig jaar oud was, verscheen de Eeuwige aan Av’ram en zeide tot hem: Ik ben G’d, de Almachtige!” (NBG-vertaling). Vanzelfsprekend nam Av’raham dat letterlijk en als de Eeuwige zei dat Hij de Almachtige is, dan is Hij ook daadwerkelijk almachtig! Dit betekent dus dat niets voor Hem onmogelijk is, zelfs niet de opwekking uit de doden! Niemand heeft ooit zo'n groot geloof gehad als Av’raham. Alle andere geloofsgetuigen moesten eerst een bewijs zien van Zijn almacht. Zelfs Moshe, die met G’d van aangezicht tot aangezicht sprak, moest eerst door wondertekens overtuigd worden, maar Av’raham geloofde ook zonder bewijs. Hij geloofde de Eeuwige op Zijn woord!

    Vraag: Als ik in de diverse vertalingen naar de tekst-verwijzingen kijk, wat daar allemaal als bewijs-voering voor deze in het Oude Testament ontbrekende bewering aangedragen wordt, dan vraag ik mij toch wel af, of dat daadwerkelijk ook op Abraham en Isaak van toepassing geweest is? De opgegeven teksten zeggen namelijk “slechts” zoveel, dat G’d de doden “allemaal” weer opnieuw tot leven zal opwekken - maar daaruit valt niet af te leiden, of deze uit de doden opgewekte personen dan ook weer als mensen op aarde zullen wandelen.

    Antwoord: Het kan zijn dat het niet duidelijk uit de opgegeven teksten blijkt dat de overledenen na hun opwekking weer als mensen op aarde wandelden, maar in andere teksten staat dit juist wel heel expliciet vermeld. Ik noem enkele voorbeelden:

    - De zoon van de weduwe in Sarefat (M’lachim alef [1 Koningen] 17:17-24).

    - De zoon van de Sunamietische (M’lachim bet [2 Koningen] 4:18-37).

    - De jongeling te Naïn (Lucas 7:11-17).

    - Het dochtertje van Jaïrus (Lucas 8:49-56).

    - Lazarus (Yochanan [Johannes] 11:17-44)

    - De vele ontslapen heiligen (Matityahu [Mattheüs] 27:52-53

    Zij kwamen allemaal weer tot leven en wandelden na hun opstanding als mensen op aarde. Natuurlijk was dit slechts een tijdelijke opstanding, want daarna zijn ze net als iedereen ook weer gestorven, want pas bij de opstanding tot het eeuwige leven zullen de overled-enen een nieuw, onvergankelijk lichaam ontvangen, niet in de hemel, maar hier op aarde.

    Vraag: Is het niet veelmeer de grote hoop van alle gelovigen, dat met de aardse en fysieke dood niet alles afgelopen is? Deze teksten geven mij de hoop, dat het na de fysieke dood geestelijk doorgaat!

    Antwoord: In eerste instantie wel, dat is waar, want de ziel en de geest verlaten bij het sterven het lichaam, dat dan vervolgens wordt begraven. Bij de Techiat haMetim [de opwekking uit de doden] wordt het lichaam echter weer in een volmaakte, onverganke-lijke staat hersteld en met de ziel en de geest herenigd

    Vraag: Mijn vraag hierboven, of Abraham de weder-opstanding van zijn zoon Isaak verwachtte, die hij in opdracht van G’d moest doden, kan vanuit de aange-haalde teksten niet echt worden beantwoordt, want dat kon hij op dat tijdstip toch allemaal nog niet weten, of wel?

    Antwoord: Av’raham was zeer waarschijnlijk de allereerste, die op de opwekking van zijn zoon rekende. In het huidige Jodendom is het geloof in de opwekking uit de doden echter een vast onderdeel van de liturgie en diep verankerd in de gebeden. Driemaal per dag bidt iedere vrome Jood in de Amida, het Achttiengebed: “U zorgt met liefde voor de levenden, brengt met grote barmhartigheid doden weer tot leven, steunt die vallen, geneest zieken, bevrijdt gevangenen en houdt de belofte van trouw aan hen die in het stof slapen. Wie is als U, Adonai, over de krachten, wie is U gelijk, Koning die laat sterven en weer tot leven brengt en die hulp als een bloem laat opkomen? U bent trouw - aan Uw belofte - doden weer tot leven te brengen. Geprezen zijt Gij, Eeuwige, die de doden weer tot leven brengt!”

    Vraag: Wat ik desondanks toch wil vasthouden is de vraag, wat het geloof - of begrijpelijker het ver-trouwen - op G’ds belofte bij Abraham voor een nut heeft: men moet zich even verplaatsen in de positie van Abraham, toen hij bij zijn geliefde echtgenote Sara de door G’d beloofde zoon krijgt. Korte tijd later stuurde hij op aandringen van Sara zijn eerst-geborene Ismaël weg en hem blijft alleen nog maar Isaak - aan hem hangt nu alle liefde van de honderd-jarige. Nu verschijnt G’d echter aan hem en eist van hem, dat hij uitgerekend deze enige lievelingszoon zou moeten offeren? Nou, G’d eist hier van Abraham wel een mensenoffer, maar dat zijn toch praktijken van de afgodendienaars, en later wordt door Mozes juist dit een gruwel voor G’d genoemd! Abraham geeft weliswaar gehoor aan de opdracht van G’d, gaat met Isaak de berg op, legt hem daar op de brandstapel en trekt zijn slagersmes, om hem te slachten - heeft Abraham op dat moment echt op G’d vertrouwd, dat Hij deze door hem omgebrachte beloftedrager weer zou opwekken? Goede vraag! Wat zeker is, is dat Abraham op G’d vertrouwd heeft, dat door Isaak de belofte in vervulling zou gaan... ook als hij deze nu als offer moest doden. Was het geloof niet zozeer de opstanding uit de doden (want dat kende Abraham op dat tijdstip immers nog niet) maar, dat met Isaak G’ds belofte vervuld zal worden?

    Antwoord: In dit geval is het volgens mij geen “of-of”, maar “en-en”, dus allebei: zowel in de opstanding uit de doden alsook het geloof, dat met Yitz’chaq G’ds belofte vervuld zal worden, want deze twee geloofs-pilaren zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

    Vraag: Toegegeven, het is een niet zo heel duidelijke situatie. Toch is niet juist dit het geloof: dat iets wat menselijk gezien onmogelijk is, toch in vervulling gaat...???

    Antwoord: "Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet!" (Iv’rim [Hebreeën] 11:1, NBG-vertaling). Met andere woorden: "Geloven is zeker zijn van de dingen waar je op hoopt, ervan overtuigd zijn dat wat je niet ziet, toch bestaat!“ (Groot Nieuws Bijbel). Amen!

    Werner Stauder

    Reacties

    Commentaar
    Jouw naam/bijnaam
    Website url
    E-mail
    Je Punt profiel
    Hou mij op de hoogte
    Ik wil op de hoogte gehouden worden
    Dit is een verplicht veld
    Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl